Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 08-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

gebied Broek

Met het gebied Broek werd bedoeld het gehele gebied in de omgeving van de Munter Ee. Dat was bedekt met veen. Dat veen hield het water vast en was drassig. Sinds oude tijden wordt aan moerassige grond de naam gegeven van broek (zie etymologie broek), ook wel broeck, broeke, broke, brok, brocke, soms ook bruick. Vandaar de naam Broek. Niet zo duidelijk echter is wat in alle tijden verstaan moet worden onder Broek, Noordbroek, Zuidbroek, Oosterbroek en Westerbroek, als men het heeft over het gebied Broek dat in ruime zin omvat de tegenwoordige dorpen en voormalige kerspels en gemeentes Noordbroek en Zuidbroek.

Om bovenstaand genoemd probleem aan te voelen, geven wij hieronder eerst weer wat wij in oude geschriften vonden:
De kronieken van Emo en Menko vermelden onder het jaar 1272; 'Hongersnood, vooral in Noordbroek en Zuidbroek, omdat hun land zo laag lag' en onder het jaar 1295 wordt gesproken over de Menalda's van Hellum en hun helpers uit Oosterbroek. (Ook wel Oostbroek als vertaling van Oriental Broke).

In een overeenkomst van 1391 tussen Reiderlander en Oldambster hoofdelingen wordt gesproken van 'Tammo Gockinga in Suidbroeck' van watertochten tussen Muntendam en Broke en van de 'Burgsloot te Nortbroeck'.

Winsemius, Beninge, De Lemmege, Schotanus, Ubbo Emmius en vele schrijvers noemen Oosterbroek als woonplaats van Ayolt Gockinga in 1401. Daar stond dus de burcht die in dat jaar werd verwoest door de stad Groningen.

In 1420 werd de overeenkomst van 1391 vernieuwd en ondertekend door Ayolt Gockinga te Zuetbruick.

In een verdrag van 1427 met Bremen wordt Eppo Gockinga hoofdeling te Westerbroek genoemd. Evenzo in een verdrag van 1430 met andere hoofdelingen. Ook Benninga noemt hem hoofdeling te Westerbroek.

In 1438 werd het huis van Eppo Gockinga door de stad Groningen ingenomen. Bij verschillende schrijvers wordt hij in dat jaar hoofdeling te Zuidbroek, Noordbroek of Oosterbroek genoemd. Ook wel Eppo ten Broek.

Wat weten we? In oude tijden heeft er een rivier gestroomd door het gebied dat volgens het kaartje van Alting bewoond werd door de Ostbroca Silvani, de Oosterbroekster Woldmannen. Deze rivier werd gevoed door water uit de zuidelijker gelegen venen. Hij stroomde langs Broke en stortte zich bij Termunten in de Eems. Hij heette de Munter Ee. Bij het begin lag zowat Muntendam en aan het eind Termunten. Het was een vrij forse rivier die voor scheepvaart werd gebruikt. Bij veel regenval kon Muntendam nog bereikt worden.


- + (klik op de min voor het achterliggende kaartje van de huidige toestand.)

Maar de Munter Ee kabbelde niet altijd vreedzaam voort. Er is ook een tijd geweest dat de noordwester storm het zeewater er in opjoeg en dat het water verder ging dan de mensen lief was en dat Broke achteruit moest. Het was in het laatst van de 13de eeuw toen (de kerken van?) Noordbroek en Zuidbroek meer naar het westen verplaatst moesten worden vanwege het hoge water. En daarna is alles zee geweest tussen Broke, Slothra, Skeldwalda, Hellum en Sierdakerke aan de ene kant en Asterloo, Ekestee en Midwalda aan de andere kant. Luidebrundkerke werd verzwolgen.

Met Broek bedoelen we dus het gebied rond de Munter Ee. Ook over Noordbroek en Zuidbroek is geen onzekerheid. In de middeleeuwen werd op de beide einden van de heuvelrug ten westen van de Munter Ee een kerk gebouwd. Daaromheen groeiden de dorpen en kerspels Noordbroek en Zuidbroek. Die namen hebben zich tot nu toe gehandhaafd.

Het toponiem Oosterbroek is aanvankelijk ontleend aan de kronieken van Emo en Menko (1296). Die zaten te Wittewierum bij Ten Post hun dagboek te schrijven. Zij moesten dit gebied aanduiden. Het was moerassig en het lag ten oosten van hen. het lag voor de hand dat zij het Oosterbroek, Ostbroca of Broca Orientalis noemden.

Hoe men ook wel aan de benoeming Westerbroek voor Broek kwam (dus niet het huidige Westerbroek) heeft Menso Alting (1636-1712) geschreven in zijn Notitia Germaniae Inferioris: 'Het gebied van de Woldmannen, het belangrijkste van het gehele oude prefectschap, de zetel van het gezag, in twee zeer grote parochies verdeeld, zo wordt het door Menko genoemd. Tegenwoordig Zuidbroek en Noordbroek. Beide op een afstand van ongeveer dertien Friese mijlen van de stad Groningen gelegen. Maar ook vindt men de naam Broek gegeven aan het gehele gebied verdeeld in oost en west. Hiervan is Oostwold het oostelijk dorp en Noordbroek en Zuidbroek vormen dus samen Westerbroek. In een tijd toen het gebied langs de Munter Ee allemaal water was, is die naamgeving zeer begrijpelijk.



Geschiedenis gebied Broek

De oudste voorwerpen gevonden in dit gebied (onder Uiterburen) dateren uit de zevende eeuw voor Christus. Het gaat om urnen gevuld met as en verbrande beenderen. Deze werden gevonden bij de zandafgraving voor het ophogen van de spoorbaan Zuidbroek-Delfzijl in de heerd van Feiko Botjes (Botjes zandgat), ongeveer 800 meter ten oosten van de boerderij. Dit zandgat ligt in het gebied van de hoogveenontginning in het voormalige Bourtangermoeras. Deze urnen lagen een meter onder het maaiveld op enige afstand van elkaar en waren tussen de vijftien en vijfendertig cm hoog. Zij zijn te bezichtigen in het Rijksmuseum van Leiden. Deze urnen moeten wel afkomstig zijn van het urnenveldenvolk, dat in de zevende eeuw voor Christus op de zandrug van Broek woonde. Er zijn ook sporen van het urnenveldenvolk ontdekt op het noordelijkste gedeelte van de Hondsrug en op de zandruggen van Westerwolde. Urnenvelden zijn regelmatig gevonden op hoge gronden nabij beekdalen. In de omgeving van de vindplaats te Uiterburen kan men nog een groot hoogteverschil waarnemen tussen de zandrug en de aangrenzende kleigrond. Daar begint het dal van de vroegere Munter Ee, onder het tegenwoordige Muntendam. Daar is in de bedding nog een stenen strijdhamer gevonden die uit dezelfde tijd komt, maar te Siddeburen achter de boerderij van F. Bosker werd nog een vuurstenen bijl gevonden die nog ouder is.

Andere niet bewaarde vondsten die verwijzen naar zeer oude tijden zijn: polsbeschermers van leisteen, gebruikt bij het schieten met pijl en boog onder Bovenmeerland, Platte kiezelstenen met een gat in het midden in de omgeving van het Oosterlaantje, scherven van potten gemaakt van veen met kleine keizelsteentjes in het dal van een riete ten noorden van het Maar, kleine turfjes eveneens in het dal van die riete.

2000 jaar lang werd er nadien schijnbaar niet meer gewoond in deze streek. Al is er bij het turfgraven in de 19de eeuw in een dal onder Zuidbroek nog wel een Merovingische munt van voor 755 gevonden. Er zijn bij het graven van een drain in Noordbroek in het Meerland 50 cm onder het maaiveld in bruin zand en darg steelpannen en kogelpotten gevonden die dateren uit de dertiende eeuw. Ook in Zuidbroek op een zandhoogte ten Zuiden van de Galgeweg werden dergelijke scherven gevonden.

Deze potten werden door de bewoners zelf van de aanwezige klei gebakken en dienden voor het bereiden van voedsel. Ook werden op dergelijke wijze gebakken stenen en pannen gebruikt voor de bouw van huizen en kerken. enkele van deze middeleeuwse pannen (monnik en non) zijn gevonden in de tuin van de voormalige hervormde pastorie te Zuidbroek en op de gewelven en bij de muren van de kerk van Noordbroek. Bodemvondsten uit latere tijd die komen uit vreemde streken wijzen pas op het bestaan van betrekkingen met andere landen en volken.

Vele kloosterstenen zijn gevonden onder Rommelskerken, alsmede een koperen kerkkroon ten zuiden van het voormalige Kielhuis en een 60cm breed voetpad van kloosterstenen bij het Kielhuis in de richting Noord-Zuid. Deze drie vondsten versterken het vermoeden dat er een kerk moet zijn geweest die omstreeks 1300 naar hogere grond verplaatst moest worden.

Munster

Dichtbij de Eems, ongeveer 150 km vanaf de monding lag de stad Munster. Toen het Frankische rijk in +- 800 n.Chr. op het hoogtepunt van zijn macht stond, zetelde Karel de Grote in Aken. Karel de Grote bevorderde het Christendom en deelde zijn gebied zowel kerkelijk als burgerlijk in. Hij wees het gebied ten westen van de Eems tot aan de Lauwers aan Ludger toe voor de evangelieprediking. Later stelde hij deze zelfde Ludger aan als bisschop van Munster.

Karel de Grote liet het burgerlijk gezag en de rechtspraak veelal zoals het bestond bestaan bij de overwonnen volken. De bevoegdheden van de volksvergaderingen en de grondbezitters werden niet aangetast. En om rechtszekerheid te scheppen werden in zijn tijd de geldende rechtsregels opgeschreven in o.a. de lex Frisionum, de wet van de Friezen.

Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische rijk uiteen en kreeg de bisschop van Munster steeds meer macht. Deze bisschop, of zijn plaatsvervanger de officiaal, ging op geregelde tijden langs bij de parochies en kloosters in zijn gebied en organiseerde er synodes, toen zeenden genoemd. De bisdommen waren in dekanaten verdeeld. Zo behoorden de parochies Noord- en Zuidbroek bij het dekanaat Farnsum. De dekens waren aanvankelijk geestelijken, later waren dit ook wel personen van de adel. Deze dekens waren belast met de rechtspraak in kerkelijke zaken: als er op kerkelijke feestdagen gewerkt werd, kinderen hun ouders sloegen, er op heilige dagen gevochten werd en als er woeker werd genomen. De overtreder moest dan boete betalen aan de benadeelde en breuk aan de deken om weer in de gemeenschap opgenomen te worden.

Wie het overheidsgezag in bestuur en rechtspraak uitoefende was niet altijd duidelijk in die tijd. Het is wel zeker dat er volksvergaderingen werden gehouden en dat grondbezitters grote invloed hadden en dat enkelen van deze de grootsten werden en alle macht naar zich toe trokken. Deze noemden zich dan hoofdelingen. Zij oefenden de rechtspraak uit en beurden de breuken en met hun huurlingen, ruters genoemd, brachten zij hun gezag tot gelding. Er was uiteraard vaak strijd tussen de hoofdelingen en volksvergaderingen. Als de hoofdelingen krachtig waren hadden de volksvergaderingen niet veel te vertellen.

Reeds Karel de Grote scherpte zijn graven voortdurend de grootste rechtvaardigheid in, vooral tegen het gewone volk. Hij benoemde voor elk gebied twee koningsboden die daar moesten toezien op wereldlijke en kerkelijk zaken. Zij moesten er gerichtsdagen en gouwvergaderingen houden, klachten in ontvangst nemen en misbruiken tegengaan. zij moesten vooral kerken, weduwen, wezen en de kleine man beschermen. Omstreeks de 13de eeuw was er behoefte aan eenheid op het gebied van wet en rechtspraak. Er was toen sprake van de Zeven Friese Zee-landen, die zich uitstrekten van Vlaanderen tot de Wezer. De afgevaardigden van deze zee-landen kwamen bijeen onder de Upstalboom ten zuidwesten van Aurich in Oost-Friesland. In de kroniek van het premonstratenzerklooster Bloemhof in Wittewierum geschreven in de 13de eeuw wordt herhaaldelijk gesproken over de bisschop van Munster en zijn helpers en hoe het gehele gebied van de Lauwers tot over de Eems georiënteerd was op Munster. Het gebied van de lauwers tot de Eems werd toen Friesland of Oost-Friesland genoemd.

Na 1300 brokkelde de kerkelijke macht van de bisschop van Munster af. Dat kwam vooral doordat de dekanaten steeds meer in handen kwamen van wereldlijke personen en door de stijgende macht van de stad Groningen. Verder was een groot gedeelte van dit gebied een paar eeuwen bedekt met water wat het de bisschop niet aantrekkelijk maakte hier te verkeren.

Groningen

In het laatst van de middeleeuwen werd het leven in het Oldambt steeds meer gericht op de stad Groningen. Soms ging dat bij de bewoners van harte, soms met tegenzin. De ene groep vroeg in sommige tijden hulp aan de stad, de andere verzette zich juist om de invloed van de stad te breken. Een van de meest markante punten in dit proces is de verovering door de stad Groningen in 1401 van de burcht van de Gockinga's te Zuidbroek geweest. Lange tijd was niet duidelijk waar deze burcht moet hebben gestaan. Inmiddels heeft er heeft er een opgraving plaatsgevonden en is er ter aanvulling daarop een kaart gevonden in het stadsarchief. Deze burcht heeft achter de boerderij ter hoogte van Uiterburen 19 gestaan.
De toestand in het Oldambt en aangrenzende gouwen was anders dan in naburige gewesten. Vaak was er geen of nauwelijks merkbare landheer aanwezig omdat dit land op het eind van zijn gebied lag. Van oudsher lag er in bestuur en rechtzaken een grote macht bij de grondbezitters, de eigenerfden. Deze droegen zorg voor de dijken en wegen, spraken recht en voerden vonnissen uit. De functie van rechter, redger, ging jaarlijks om van de ene heerd op de andere.
Er zullen ook volksvergaderingen zijn geweest, maar na de stichting van de kerken trad het kerspelverband meer op de voorgrond. Vrijwel iedereen ging naar de kerk waar men bij elkaar kwam wat weer meebracht dat men gemeenschappelijke zaken in kerspelverband ging behandelen. Bij het sluiten van verdragen en bij het regelen van het dijkwezen komt men herhaaldelijk uitdrukkingen tegen als 'meenheid der meente', 'mene meente', en 'kerspelluden'.
In de steden legden burgers zich steeds meer toe op allerlei handwerk en werd er meer geproduceerd dan voor plaatselijke behoefte nodig was. Het overtollige moest ergens worden verkocht en grondstoffen moesten worden aangevoerd. Belanghebbenden organiseerden zich in gilden.
De belangen van de verschillende partijen liepen niet altijd parallel. Aan het bezit van meer grond was meer macht verbonden. Hoe meer land, hoe vaker men rechter was en des te meer 'ruters' ingehuurd konden worden om het gezag te handhaven en macht uit te oefenen. Zodra hier misbruik van werd gemaakt kwam er ruzie met andere bewoners. Steden als Groningen hadden behoefte dat haar kooplieden ongestoord konden reizen en niet belemmerd werden door tollen en roverijen. Verder kwam bij de stad steeds meer de behoefte op om de bewoners van de omliggende streken te dwingen hun voortbrengselen bij haar naar de markt te brengen. In de 13de, 14de en 15de eeuw was er herhaaldelijk sprake van twist en strijd. In het algemeen kon men hierin twee grote partijen onderscheiden: de Schieringers en de Vetkopers. De Vetkopers waren hoofdelingengeslachten die zich boven andere grondbezitters hadden uitgewerkt en sterke stinzen hadden gebouwd. De Schieringers vond men voornamelijk onder de burgers van de steden, soms gesteund door kleine grondbezitters. In 1250 en 1251 was er hevige strijd tussen Fivelingoërs, Hunzingoërs en Oldambsters tegen de Stad Groningen waarin de Stad nog het onderspit moest delven. De muren werden geslecht en de stenen huizen tot aan de kelders afgebroken en in de jaren 1333 tot 1338 vond iets soortgelijks plaats. Tussendoor konden partijen ook wel beter met elkaar opschieten. Zo sloten de Stad en het Oldambt in 1287 en nogmaals in 1368 een verdrag ter waarborging van het vrije marktverkeer.

Tegen het einde van de 14de eeuw kwamen in het Oldambt de hoofdelingengeslachten Houwerda en Gockinga sterk naar boven. De Houwerda's hadden een sterke stins te Termunten en de Gockinga's te Zuidbroek, onder Uiterburen. 11 September 1398 verbonden Tammo Gockinga en Menno Houwerda, hoofdelingen tussen de Lauwers en de Eems in Oost-Friesland, zich met Albrecht van Beieren, Graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en heer van Friesland. zij droegen hun eigendommen tegen bruikleen op aan de graaf van Holland en beloofden hem de grenzen van Friesland te helpen beschermen. In ruil beloofde Albrecht hen te sterken als iemand hen wilde hinderen of krenken. Even later stak de Graaf van Holland met een leger van 20.000 man over van Enkhuizen naar Stavoren en bezette al deze gebieden. De vetkopers waanden zich nu veilig op hun stinzen, maar Groningen, het middelpunt van de Schieringers zette alle kracht bij en in 1400 moesten de Hollanders het land alweer ruimen en brak de dag der wraak aan voor de adellijke geslachten. Er moest afgerekend worden met de Gockinga's, Houwerda's, Cammingha's, Heemstra's, Donia's, Ripperda's, de Snelgers en de Wibbens.

Ubbo Emmius: 'Van Farmsum gingen de bondgenoten terstond naar Termunten en verwoestten het huis van Menno Houwerda. Voorts naar Oosterbroek, aldaar slechtende het huis van Ayolt Gockinga. Toen zijn de Friezen en Groningers van elkander gescheiden, elk zijns weegs naar huis trekkende. De raad en het volk van Groningen heeft met dank en goede wil van de naburige staten de rechten en privilegië van Houwerda en Gockinga en andere ballingen in het Oldambt aan zich getrokken. Omdat de stad hierdoor zo zeer in kracht is toegenomen, is de dag van de verwoesting van Gockinga-huis (23 april 1401) tot gedachtenis van de zaak tot een eeuwigdurende heilige dag gewijd.'

Na 1405 mocht Ayolt Gockinga weer bezit nemen van zijn bezit te Zuidbroek en in 1425 volgde zijn zoon Eppo hem op. Zij leefden echter niet lang in vrede met de stad Groningen. De Gockinga's en Houwerda's belemmerden de handel van de stad door geen kooplieden in hun gebied te dulden. De twist liep weer zo hoog op dat de hoofdeling Edsard van Greetsiel, zwager van Eppo, moest bemiddelen, maar in 1438 viel de definitieve beslissing. Groningen kwam met een leger naar Termunten en overrompelde de stins van de Houwerda's waarna werd afgerekend met de Gockinga's. Hun huis te Zuidbroek werd genomen en daarna hun versterkte toren te Bellingwolde dichtbij de Westerwoldse A. Dankzij bemiddeling van Edsard kreeg Eppo zijn bezittingen in 1439 echter al weer terug. Eppo Gockinga overleed 11-01-1444 waarbij zijn bezit overeenkomstig dit akkoord toekwamen aan de Stad. Een ambtenaar nam het bewind en de rechtspraak over de streek over. Het pad was eindelijk geëffend voor verdere opbloei van de Stad en het omliggende gebied.
In 1454 werd een overeenkomst gesloten tussen de Stad en Lande en de gewone hoofdelingen, de rechters en de mene meenten van Oldambt om de Reider dijken te maken en te onderhouden ter bestrijding van het zeewater. In 1457 volgde het aanleggen van een vrije weg van Groningen naar de Eems over Slochteren en Zuidbroek. In 1482 kreeg de Stad daarbij nog het stapelrecht voor binnenlands graan en het alleenrecht op het brouwen van bier. De Gemene Landswerf in de Stad zou in beroep recht spreken.

Tijdens de oorlog met Spanje

In ons artikel over Oldambt hebben wij iets verteld over de vrijheidsstrijd tegen Spanje, van de kerende kansen tussen de Spaanse en de Staatse troepen, van de weifelende houding van de stad, van de breuk daarmee in 1580 en van de definitieve overgang naar de Hervorming in 1594. Dit waren ook voor Noordbroek en Zuidbroek moeilijke tijden. De ene keer trok Lodewijk van Nassau er door met zijn troepen, de andere keer Alva met zijn soldaten. En beide partijen namen wat zij nodig hadden voor hun strijd.
In 1568 heeft Lodewijk van Nassau van de kerk van Zuidbroek gevorderd: 105 daler van de landhuur, een klok uit de toren, en drie Emder gulden. Bovendien moest de kerk drie Emder gulden betalen voor vertering van de soldaten en een Philips daler voor touw. De soldaten van Lodewijk hadden ook geld gevorderd van de pastoor, van de vicaris en van de drost, onder bedreiging van brandstichting. Een gedeelte van deze afpersingen nam de kerk over. Dit alles blijkt uit het rekeningenboek van de kerk:
Grave Loduwich van Nassauwen dorch bedwinck synre strengher mandaten ghebrocht van der karcken landthuer C unde V dalers
Den pastoer tho hulpe ghekomen an syn brandtscathinge grave Loduwich gegeven iii nye rijcksdalers.
Heer Johans brandtscattinghe betaelt iii daelers.
De voechden hebben betaelt an des drosten brandtscathinge als allen ander karcken in den Oldenampten eenen daler.
Doen Grave Loduwichs dieners quemen om onse clocken aff tho nemen unde want se ons drie clocken wolden aff nemen soe hebben wij pastoer / voechden mit de meeste ghemeente seer vlijtich an de ghedeputeerden ghesolliciteert om twee clocken te mogen holden, d'welck nicht konde schien dan dorch een middell van een eerlick gheschenck unde en hebben nhae langhe worden nich nader konnen komen dan op III embder gulden oer gegeven unde betaelt.
Noch hebben de sulfide mith oeren dieneren verteert III embder gulden. Noch nije touwen an de clocken unde urhewerck ghekomen daer voer gegeven i Philips Daeler.

In 1573 kocht de kerk een vat om de kleinoden en het zilverwerk in te bewaren. Het vat werd begraven met het oog op de geuzen. Twee jaar later was de nood blijkbaar geweken en het vat werd weer voor de dag gehaald.

In 1576 ontving de redger Doede Tyarcks (ook wel Doedo Tjaekes) geld voor kruit en lood. Dit moest dienen om de vrijbuiters te Finsterwolde te verjagen.

In 1577 kregen de kerkvoogden een verzoek van de Stad om te helpen met wagens en paarden om kanonnen van Wedde naar Groningen te brengen.

Het volgende jaar werden door een aantal edelen twaalf vendels soldaten in dienst genomen en gesteld onder leiding van Bartold Entens, die ook met Lumey Den Briel veroverd had. Toen werden de kerkvoogden van Zuidbroek bang en zij bestelden kruit en lood te Groningen. En verder werden pijpen van het oude orgel omgegoten tot kogels. Dit werd aan de gemeenteleden uitgedeeld in de herberg van Egbert Schuerink. De vertering bij Schuerink kostte achttien stuiver. De kerk betaalde.
In april 1579 ontbood de drost Herman Clandt het gehele Oldambt te Winschoten om met elkaar te beraadslagen, hoe men de soldaten van Entens, die te Wedde lagen, buiten het Oldambt kon houden. Ter Slochteren lag een afdeling soldaten, maar pastoor en kerkvoogden van Zuidbroek wisten te bewerken, dat die naar Kropswolde werden gezonden. Dit kostte hun drie daler. Kort daarna kwamen er geuzen onder Asynga Entens te Zuidbroek. Eerst wilden zij de beste klok meenemen, maar het slot was, dat zij genoegen namen met pijpen van het oude orgel. Zij namen de vicaris mee en sloten hem op in het klooster te Heiligerlee, dat toen in handen was van de geuzen. In de kerstweek waagde de pastoot het om naar Heiligerlee te gaan en het gelukte hem om de vicaris los te kopen. In dat jaar kwam er ook een bevel van Burgemeesters en Raad van de Stad om uit de kerkegoederen honderd daler te betalen. De kerk had geen geld in kas en dat bedrag werd geleend van Hommo Tjabbens voor de tijd van drie maand. Rente drie mud rogge. Een mud rogge kostte toen twee daler.

In 1580 werd het moeilijker in het noorden. De stad Groningen ging weer over naar de Spanjaarden. Ook Delfzijl en Coevorden. En onze dorpen kregen nu eens last van de geuzen, dan weer van de Spanjaarden. In datzelfde jaar 1580 kwamen de geuzen hier een paar keer. De eerste keer lieten zij zich afkopen met zat eten en drinken en vier leeuwendaler. De tweede keer, dat was op 21 mei, namen zij de misgewaden en de boeken mee. Het stukslaan van het doopvont werd afgekocht met twee leeuwendaler en de vernieling van het orgel met twaalf daler. Ook moesten weer pijpen van het oude orgel worden afgestaan.
In juli 1580 hadden Noordbroek en Zuidbroek veel last van de Spaanse soldaten, die gezonden waren door Rennenberg en Schenk. Maar burgemeesters en Raad van Groningen namen het voor hen op. In een brief van 30 juli dat jaar schreven zij:
'Hommo Tjabbens heeft namens de beide Oldambten geklaagd, dat de hofmeester van de overste Marten Schenk de ingezetenen van Noordbroek en Zuidbroek gisteren tegen de avond een mandaat gezonden heeft en terstond twee personen gevangen genomen heeft, een van Winschoten en de ander van Noordbroek, daartoe twee paarden met geweld meegenomen heeft en nog deze morgen door een van hen, namelijk die van Noordbroek, heeft laten aanzeggen, dat zij de gevorderde penningen aanstonds moeten verschaffen, of men zou weer ruiters inkwartieren, die zich zodanig zouden gedragen, dat het de ingezetenen nog twintig jaar heugen zou.
Het is daarom ons zeer vriendelijk verzoek om de onzen in hun uiterste nood bij onze heer stadhouder Rennerberg of overste Schenk voor te spreken, omdat zij als onderhorigen van deze stad de schattingen bereidwillig opgebracht en betaald hebben en zij door de komst der ruiters en door het opbrengen van de gevorderde penningen boven hun vermogen belast worden en daarom van de uiterste ellende en ruïne genadiglijk gevrijwaard mogen worden.'
Hoe groot de nood was bleek ook uit een bode om hulp, die Burgemeesters en Raad, taalmannen, gezworenen en bouwmeesters van de gilden van de Stad op 15 augustus 1580 aan Parma zonden:
'De vijand heeft al zijn macht van ruiters en knechten in West-Friesland bijeengebracht, ongeveer veertig vendels voetvolk en tweeduizend paarden, die plunderen, roven, brandschatten en verwoesten al wat er is. Daardoor heeft Zijne Majesteits krijgsvolk, eveneens in de omgeving van deze stad samengetrokken, ook zo geplunderd en geroofd, alsof zij ook onze ooenbare vijanden zijn.
De baanreheren van Billy zijn aan het muiten geslagen. De ruiters van overste Marten Schenk plegen eveneens overlast onder deksel van vier maand bezoldiging.
Geen der boeren kan met enig koren, boter, kaas, beesten of andere eetwaren ter markt komen zonder door Zijna Majesteits krijgsvolg geplunderd en geroofd te worden.
De vijand is met al zijn macht naar Drente opgerukt, afdorsende al het gewas van het veld en wat hij niet mee kan voeren, zowel op het veld als in de huizen, verbrandende, alsook de turf die nog op het veld staat; plunderende, rovende, brandschattende en onderdanen gevangen nemende van onze onderhorige jurisdictiën van het Oldambt en het Gorecht; de bewoners op ondraaglijke rantsoenen stellende en ten laatste verbrandende en verwoestende al wat er is.
Zodat het ons niet langer mogelijk is, deze oorlog tegen zovele provinciën der Nederlanden alleen te voeren, of tot iets van betaling en onderhoud van Zijne Majesteits krijgsvolk op te brengen, in het bijzonder zolang dit krijgsvolk, rondom deze stadspoorten liggende, de vijand niet vervolgen en de boeren beschutten en beschermen.'
In november 1581 heeft het Oldambt veel last gehad van Spaanse troepen. Er zijn toen vele vendels in Noordbroek en Zuidbroek geweest, die daar barbaars hebben huisgehouden. Zij vorderden inkwartiering en verspreidden grote schrik door hun roverijen, door schattingen op te leggen en door huizen in brand te steken. Met onwilligen werden korte metten gemaakt. Zo werden in Noordbroek drie mannen doodgeslagen en in Zuidbroek vier.

Op 30 augustus 1593 werden Noordbroek en Zuidbroek bevrijd door een groot leger onder commando van de edellieden Nienoord en Asinge Entens.

Het ligt voor de hand dat de dorpen in het gebied Broek veel meer geleden hebben dan beschreven is. Ook al omdat Zuidbroek op de route lag van Groningen over Slochteren, Wedde en Bourtange naar Lingen. En in Slochteren was een schans, in Wedde een burcht en bij Bourtange een smalle pas door de venen. Om die versterkte punten is herhaaldelijk hevig gevochten. Totdan Willem Lodewijk de Stad in 1594 definitief aan de kant van de Republiek bracht.

Over de tijd na het twaalfjarig bestand, dus na 1621, is nog het volgende mede te delen. Toen het bestand ten einde liep moest men zich weer voorbereiden op de strijd. En de stad Groningen eiste van het Oldambt tienduizend daler voor de stadsfortificaties. Zij legde een belasting op. Voor elke schoorsteen moest een daler betaald worden. Als er een tichel- of bakoven op de schoorsteen was aangesloten, twee daler.

In de jaren 1621 en volgende kwamen hier in het noorden voortdurend stropende benden, huurlingen van de Spanjaarden. In februari 1624 deed de gouverneur van Lingen, in Spaanse dienst, een inval in het Oldambt. Noordbroek werd toen in brand gestoken, omdat men niet vlug genoeg aan de gestelde eisen voldeed. Het grootste gedeelte van het dorp Brandde af. Wel kwamen enige conpagnieën ruiters onder overste Stakenbroek het dorp verlossen en de plunderaars verjagen. Maar deze sleepten een grote buit aan vee en geld mee.

Tijdens de oorlog met Münster

In 1665 nam de bisschop van Munster, Christoph Bernard van Galen, samen met Engeland een vijandige houding aan tegen de Vrije Republiek van de Zeven Verenigde Gewesten. Op 14 september 1665 zond hij een trompetter naar Den Haag met eisen die gelijk stonden aan een oorlogsverklaring. Toen kwam Groningen in rep en roer. De poorten van de stad werden hersteld en er werden troepen naar de grens gezonden. Doedo Edzens van Noordbroek kreeg opdracht om zich met zijn compagnie te melden bij Oude Schans. Op 20 september gelukte het de Munstersen op twee plaatsen door de moerassen te komen: bij Ter Apel, waar de laagste gedeelten opgevuld werden met rijshout en bij Sellingen, waar een schaapherder hun de weg wees. De onzen wisten echter de voorhoede van de vijand bij Jipsinghuizen te verslaan. Inmiddels was ook een vijandelijk leger in Twente de grens overgestoken. Zestienduizend man trokken op naar het noorden over Meppel en Beilen. Verder over Assen, Zuidlaren en De Groeve naar Foxham. Daar werd op 7 oktober slag geleverd. Het was een hevig gevecht, maar de onzen konden het niet houden en de vijand had vrij baan over Martenshoek en Sappemeer naar Zuidbroek. Toen de toestand dreigend werd, was aan drost Alberti te Zuidbroek opdracht gegeven om het land geheel onder water te zetten. Huinge, de commandant te Oude Schans, moest hem met een gewapende macht bijstaan, als de landlieden zich mochten verzetten.
Over de ontmoeting met het Munsterse leger heeft A.J. Smith twee interessante artikelen geschreven en wel in de Groningse volksalmanakken van 1894 en 1903:In de nacht van 6 op 7 oktober begaven zich Daniël Huisman van Zuidbroek en mr. d'HAubrecourt van Noordbroek met hun manschappen naar de plaats waar de vijand door het Staatse leger werd opgehouden, naar Foxham. Hier namen zij deel aan het gevecht, dat in de morgen geleverd werd. Het gelukte hun drie ruiters van de Munstersen gevangen te nemen. toen echter, door overmacht gedwongen, de Groningse soldaten moesten terugtrekken, konden ook zij niet langer blijven.
d'Haubrecourt ging terug naar Noordbroek en het huis van Lammert Bakker passerende, vond hij daar reeds vele kerspellieden vergaderd. De mare van de nadering der Munstersen had hen hier doen samenkomen om mogelijk onheil af te wenden door sauvegarde van de Bisschop te vragen. Reeds was een verzoekschrift getekend en aan jhr. Hero Wijntjes en Phebo Freriks opgedragen, dit aan de Munsterse bevelhebber over te brengen. Toen echter d'Haubrecourt, die de Franse taal machtig was - hij was tevens advocaat - binnentrad, werd hij in plaats van Freriks gekozen.
Met jhr. Wijntjes en Jan Stikker begaf hij zich over Zuidbroek op weg naar Sappemeer, de aanrukkende vijand tegemoet. Tussen het huis van de famile Amsingh en de Zuidbroekster kerk, dus op de Heiligelaan, ontmoetten zij drie bisschoppelijke ruiters, aan wie zij hun verlangen kenbaar maakten. Zij kregen ten antwoord dat aan hun verzoek zou worden voldaan, indien jhr. Wijntjes als gijzelaar meeging naar de overste. Dit geschiedde.
d'Haubrecourt en Jan Stikker keerden eerst naar Noordbroek terug en gingen vandaar over het veen naar Sappemeer. Hier gaf de overste hun een kapiteinluitenant met twee gemene soldaten mee, die in het dorp werden gestationeerd om er voor te zorgen, dat het Munsterse volk de plaats niet plunderde.
Daniël Huisman ging van Foxham weer terug naar Zuidbroek. Voor hij in Zuidbroek was, ontmoette hij Harm Stikker, de vader van Jan, wonende in Zuidbroekster Uiterburen, met een paar andere lieden. Die verzochten hem om mee te gaan naar de Bisschop om sauvegarde te verkrijgen. Hij weigerde dit voorlopig.
Harm Stikker en de anderen keerden toen met hem terug naar Zuidbroek.
Dicht bij het dorp vonden zij Hendrik Sijsen en Jan Alberts. Dezen hadden zich verschanst achter een wagen, die zij dwars over de weg hadden gelegd om de ruiterij te keren. Vanachter deze wagenburcht hadden zij de vijandelijke voorposten tot driemaal toe teruggedreven. Bij het zien van deze zwakke verdediging liet Huisman zich ontvallen, dat het gemakkelijker was met de vinger tot de hemel te reiken dan aan de overmacht der aanrukkende troepen weerstand te bieden.
Beter was het sauvegarde te vragen. Sijsen dacht er anders over. Van sauvegarde wilde hij niets weten. Hij wist wat het was. Zijn grootvader had er bij de inval in het Oldambt grote schade bij geleden.
Intussen kwam de vijandelijke ruiterij in volle ren aan en Sijsen met zijn volk moest wijken. Zij reden naar Scheemda. Huisman en Stikker, die te voet waren, liepen in allerijl naar Zuidbroek, maar werden spoedig ingehaald. Bij het his van Huisman kreeg Stikker een pistoolkogel in de rug, die hem dood deed neervallen. Huisman ontkwam hetzelfde lot doordat het pistool van een der ruiters verzegde en de kapitein-luitenant tussenbeide kwam voor een tweede aanslag werd gedaan. Hij werd met zijn huisvrouw en zijn broer gevangen genomen, aan een paard gebonden en meegevoerd. Nadat sauvegarde voor Zuidbroek was gevraagd, stelde men hem weer op vrije voeten.
De volgende morgen, de achtste oktober, trokken de Munstersen verder. Toen kwam hun tegemoet Hindrik Hopster, die sauvegarde verzocht voor de ingezetenen van Westerlee en Heiligerlee. Met de verkregen sauvegardes reed hij voor het leger aan en voerde het, daar de brug bij de Eexterkerk afgebroken was, over de verlaten naar Scheemda. Het hoofdleger vertrok vandaar door naar Winschoten, terwijl de Winschoter zijl en de schans De Hogebrug werden veroverd.
Ook Beerta werd veroverd. De vijand was nu meester van het gehele Oldambt. De missives drukken het zo uit: 'De vijand neemt alhier en speciaal in het Oldambt de vrijheid naar zijn eigen appetijt te grasseren en de ingezetenen van al het hunne te beroven.'
Winschoten werd het hoofdkwartier van de vijand. Toen het legerzich gevestigd had, kwamen de overige kerspels van het Oldambten Westerwolde sauvergarde verzoeken, namelijk de 9e oktober. De opperbevelhebber deed zoveel in zijn macht was om plundering te voorkomen. Zodra sauvegarde gevraagd was en verkregen, hadden de bewoners der kerspels het recht, tegen een zeker rantsoen (losprijs) de hun onttrokken koeien, paarden, enzovoort uit het leger terug te halen. Drie notabelen van Noordbroek, onder wie de kerkvoogd Phebo Freriks, trokken reeds de 9e naar Winschoten om vier paarden te zoeken. De overste d'Osserey ontving hen vriendelijk. De vermiste paarden werden gevonden. Voor elk der vier paarden moest echter een losprijs van drie rijksdaalder worden betaald.
Inmiddels versterkte de stad Groningen zich. Het Munsterse leger zwermde zuidwaarts naar Ter Apel om zich te verenigen met de troepen aan de overkant, die onder bevel van Gorgas daar wachtten tot zij de grenzen konden overschrijden. in onbegrijpelijk korte tijd werd van de Eems naar Ter Apel door de venen een brug gelegd door enige duizenden boeren, die uit de omtrek bijeengejaagd waen. De brug werd aangelegd uit afbraak van huizen en aarde. Een gedeelte van de Munsterse troepen trok zo naar Ter Apel, een ander deel viel Bourtange van de oostkant aan, het beschietend met gloeiende kogels.
Het weer begon te veranderen. Het water, van de zeezijde binnenstromend, bedekte heinde en ver het land, verhinderde Gorgas van het zuiden uit verder door te dringen en dwong d'Osserey zich in zijn kwartier te beperken. Johan Maurits, graaf van Nassau, die door de Staten-Generaal belast was met de algemene verdediging, was intussen over Harlingen en Groningen het toneel van de strijd genaderd. Op 14 oktober kwam hij in de Stad, waar besloten werd dat het leger van de Stad zich eerst zou ingraven te Scheemda. Pioniers werden met schoppen en ander gereedschap vooruitgezonden. Het leger van Johan Maurits trok op 15 oktober naar Scheemda, terwijl hij zelf met zijn hoge officieren des zondagsmiddags voorlopig zijn kwartier nam te Zuidbroek. Een geregeld gevecht kon nauwelijks worden geleverd; men zat rondom in het water.
De stand van de legers was als volgt. De Munstersen hadden bezet Winschoten, Heiligerlee, Beerta, Wedde en Westerwolde. De soldaten van het Staatse leger hadden zich verschanst bij Scheemda en Meeden, terwijl bij Zuidbroek en Noordbroek het paardevolk lag. Dit kon trouwens geen dienst doen, want de weg tussen Zuidbroek en Scheemda was onbruikbaar vanwege het hoge water.
Het streven van de opperbevelhebber van de Staatse troepen was niet om de strijd aan te binden met de overmachtige vijand. Daartoe had hij geen volk genoeg. Maar hij wilde alle aanvoer van levensmiddelen beletten, totdat de vijanden vanzelf genoodzaakt waren om het gewonnen terrein te verlaten.
Intussen werden alle lieden aangenomen die vrijwillig van de Bisschop overliepen. Voor het eerst wordt hier melding van gemaakt in de brieven van 18 oktober.
Werkeloos was men intussen niet geheel. Vooreerst moesten de drie windmolens van Winschoten uitgeschakeld worden; twee werden volkomen vernield, terwijl de derde nagenoeg onbruikbaar werd gemaakt. De korenmolen te Beerta baarde meer moeite. Hij stond niet ver van de oude Tiddingaborg, die bezet was met een geheel regiment (vierhonderd man) Munsterse troepen. Vele expedities werden er op afgezonden, totdat eindelijk kapitein Prot met tweehonderd vuurroeden de molen in brand stak en volkomen verwoestte. Enige tijd later werd vernomen, dat er te Beerta nog twee rosmolens waren. Door kapitein Ham met een partij musketiers werden ook deze vernield en de stenen stuk geslagen. Bovendien werden nog de molens te Finsterwolde, Westerlee, Heiligerlee en Pekela onbruikbaar gemaakt.
Terwijl de vijand dus in de maag werd aangetast en het zout begon te ontbreken, werd de toestand langzamerhand bezwaarlijk. d'Osserey kreeg het in Winschoten ongetwijfeld benauwd. Maar ook voor kolonel Askin, de commandant van de Staatse troepen in het Oldambt, werd het moeilijker. Op 20 november was in zijn leger te Scheemda grote behoefte aan schoenen, kousen en jassen.
In het Munsterse leger werd het steeds erger. Volgens overlopers heerste er onder de troepen in Winschoten de pest. Aan begraven was niet te denken. De dode paarden en mensen werden in kelders geworpen, de levenden die tegen de hoofdlieden murmureerden, hing men op.
Intussen trachtte Gorgas een weg te banen door de lage landen van Westerwolde naar Winschoten. Maar rijshout en balken dreven weg in de golven. Toch gelukte het hem met zeshonderd soldaten Winschoten te bereiken door tot het lijf toe door het water te waden.
Patrouilles van kolonel Askin pakten nu en dan enige landlopers, die hun slag dachten te slaan in deze gewapende vrede. Sommige waren uit de legers gedeserteerd en begonnen dan op eigen houtje te roven en te plunderen. Zo ving men te Pekela vijf van zulke plunderaars, een luitenant, drie gewone soldaten en een boer van Heiligerlee. De luitenant, een soldaat en de boer werden doodgeschoten. De soldaten kapten van de boer de rechterhand af, leverden die hand in bij de gecommitteerden te velde en ontvingen daarvoor een premie van honderd gulden.'


Inmiddels probeerden onze troepen om spionnen en verraders op te sporen. Zo werd een boerenknecht opgehangen aan de galg die bij het leger was opgericht. Hij had op de pijnbank bekend, dat hij reeds voor de inval in briefwisseling had gestaan met de Bisschop en dat hij bij de inval tot gids had gediend. Ook werd een begin gemaakt met het onderzoek van de personen die sauvegarde hadden gevraagd. Op de vierde november werd door Johan Maurits te Scheemda krijgsraad belegd. Vijf ingezetenen van Noordbroek en Zuidbroek werden zwaar geboeid voorgeleid, te weten Daniël Huisman, d'Haubrecourt, Jhr. Wijntjes, Willen Fockens en JAn Stikker. Het vonnis luidde: de gemeenten worden veroordeeld tot het opbrengen van vijfduizend gulden binnen de tijd van vierentwintig uur. Een afdeling soldaten begaf zich naar de veroordeelde dorpen, haalde daar vele goederen weg en nam enige personen gevangen.

Intussen begon het er steeds slechter uit te zien in de vijandelijke kwartieren. In het vijandelijke leger te Winschoten en Heiligerlee stierven meer dan duizend man. Op 13 november begonnen de Munstersen af te trekken uit Winschoten en op 8 januari 1666 ontruimden zij het kasteel te Wedde. Het strijdtoneel werd toen overgebracht op Munsters gebied en de Bisschop was genoodzaakt op 9 april 1666 vrede te sluiten, temeer omdat hij geen geld meer van Engeland kreeg.

Zes jaar later begon het weer te spannen met Munster. In januari 1672 begon de Stad zich op de strijd voor te bereiden. leningen werden uitgeschreven, belastingen verhoogd, elke tiende man moest zich beschikbaar stellen en vele lage landen werden onder water gezet, ook in het Oldambt. Toen wreekte zich de gespannen verhouding van het Oldambt met de stad Groningen. Zeven jaar geleden was een zekere Willem Fockens zwaar geboeid voor de krijgsraad geleid, omdat hij sauvegarde had gevraagd van de bisschop. Nu ging Luwert Fockens nog verder. Op 1 mei 1672 sloot hij een overeenkomst met die Bisschop, zogenaamd als volmacht van de Oldambten. Die overeenkomst hield in:
1. De Oldambten keren tot het Duitse rijk terug, gedwongen door de onderdrukking, onrechtmatigheden en tirannie van de Stad.
2. Zij kiezen de bisschop van Munster als hun vorst.
3. Deze zal de ingezetenen beschermen tegen het geweld van Groningen.
4. De ingezetenen zullen blijven bij de gereformeerde religie en zij zullen hun predikanten mogen kiezen.
5. De ingezetenen zullen de inkomsten van hun geestelijke goederen behouden.
6. De Bisschop krijgt per jaar twintigduizend rijksdaalder en zal geen andere schatting opleggen.
7. Zijn vertegenwoordiger zal zijn Johan Schulenborgh, de geheime raad van de Bisschop, aan wie de heerlijkheid Zuidbroek met de borg wordt toegewezen en die jaarlijks tweeduizend rijksdaalder zal ontvangen.
Deze daad heeft Luwert Fockens het leven gekost. Hij werd op 10 juli in de Stad veroordeeld en onthoofd.

De Munstersen veroverden op 5 juli de Oude en de Nieuwe Schans, Winschoten en Wedde en op 11 juli Coevorden. Op 22 juli werd het beleg voor Groningen geslagen, dat zich onder Rabenhaupt dapper verdedigde. Op 28 augustus was Groningen weer vrij rn op 8 september Winschoten.
In de oorlogsmaanden juli en augustus hebben Noordbroek en Zuidbroek ook te lijden gehad, het meest van de overstromingen, die zich hier uitstrekten va Delfzijl tot Meeden.

Wegens de onheilen van de oorlog en het inlaten van de zoute wateren kregen Noord- en Zuidbroek voor het onder water gezette buitenland twee verpondingen van het jaar 1672 terug en later nog een verponding van het jaar 1673.

De Franse Tijd

In ons land werden in 1795 de Franse soldaten met gejuich ingehaald door de patriotten. De prinsgezinden van de Spiegel en Bentinck werden gerarresteerd, maar tot de valbijl kwam het niet. Het was al in de tijd van de aarzeling.

Toch waren de ideeën nog niet overal gekoeld. Op vele plaatsen werd nog een vrijheidsboom opgericht, versierd met linten en een hoed in de top en met allerlei opschriften in verband met de vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zo'n vrijheidsboom heeft er ook te Zuidbroek gestaan bij het begin van de Kerkstraat, tussen hotel Buining en de wagenmakerij van Atzema. Ook werd te Zuidbroek een comité révolutionaire opgericht, waarvan een tijdlang een zekere A. Ogterop secretaris van is geweest, die later ook senator genoemd werd van het eerste gemeentebestuur.
En wie hebben die vrijheidsboom hier opgezet en wie hebben dat comité révolutinaire opgericht? Kasteelheren waren hier niet. Van uitbuiting van de gewone man lezen wij nergens. De vrijheidsboom is hier gepoot door mensen die gestudeerd hadden en die de ideeën van Voltaire, Rousseau en Montesquieu hadden ingedronken. Die noemden zich patriotten en waren Fransgezind. De gewone man wilde daar niets van weten.
En het inhalen van de Fransen heeft betekend, dat onze voorouders alle ellende met Frankrijk hebben moeten delen, toenemende armoede en een ondragelijke dictatuur. Die werd het ergst toen Napoleon hier keizer was, in de jaren 1810 tot 1813.

In november 1813 werd ons land bevrijd door de anti-Franse coalitie. Op 15 november waren de Kozakken hier. Vanuit Winschoten werden de eerste contacten met de geallieerden gemaakt. Op 23 mei 1814 viel Delfzijl als laatste Franse bolwerk in ons land.

Van Noordbroek en Zuidbroek kwam van de soldaten die gedwongen voor het Franse leger mee moesten vechten niet iedereen terug. Op 7 maart 1815 berichtte de schout van Zuidbroek aan de gouverneur van de provincie, dat van de vermisten en veronderstelde krijgsgevangenen niemand teruggekomen was.

Wat was er nu terechtgekomen van de fraaie leuzen van de revolutie? Niets. Het omgekeerde kwam van wat beloofd was. In plaats van vrijheid een ongekende slavernij; honderdduizenden werden op hardhandige wijze naar de slagveldn gedreven om andere mensen te vermoorden. In plaats van gelijkheid een grote ongelijkheid in rijkdom en in macht. In plaats van broederschap werden de volken tegen elkaar opgejaagd; de grond heeft massa's mensenbloed moeten inzuigen bij de valbijl en op de slagvelden.

De patriotten juichten de Fransen niet meer toe. In 1795 haalde de gewezen drost de Sitter de Fransen in, maar achttien jaar later bood mevrouw de Sitter het geweer van haar overleden man aan op de Fransen weer te verdrijven. De patriotten wilden graag vergeten, dat zij de Franse ideeën en de Franse soldaten hadden ingehaald. laten wij uit deze geschiedenis leren en het onze kinderen inprenten: stel geen vertrouwen in profeten die hier een paradijs beloven, en, haal nooit vreemde soldaten in.

Grote verliezer van de Bataafs-Franse tijd was de stad Groningen. De opheffing van de stedelijke jurisdicties en de afschaffing van de stedelijke voorrechten in de Ommelanden maakten een einde aan haar unieke positie van 'stadsstaat'.

Zie het artikel Franse Tijd voor een vollediger verslag van deze periode.

Duitse bezetting


Duitsland viel op 10 mei 1940 Nederland (alsmede België en Luxemburg) binnen. Op die eerste dag werden des middags te ongeveer vier uur al plakkaten aangeplakt, waarop stond, hoe de bevolking zich moest gedragen. Zij waren in het Nederlands opgesteld en er onder stond: Berlijn, 9 mei 1940. De gevolgen van de Duitse bezetting zijn ontzettend geweest. Het daardoor veroorzaakte lijden is niet in woorden uit te drukken. Voor een kort overzicht met wat in Noordbroek en Zuidbroek gebeurd is verwijzen wij naar ons artikel Duitse bezetting.

13 april 1945, maar niet voordat zij alle bruggen opgeblazen hadden, trokken de laatste bezetters pas weer weg.
Zij die in de dorpen Noord- en Zuidbroek het leven verloren zijn met naam bekend. Wij noemen ze hier op voor zover zij omkwamen om hun afstamming of om hun verzet. De Joodse families Dalsheim, Van der Hak, Van der Laan, Wolf en Boomstra werden afgemaakt in de vernietigingskampen Sobibor of Auschwitz. Karel ten Hove kwam om in de eerste oorlogsdagen bij de Moerdijkbrug, Jelte Antonides in de Prinses Irene-brigade, Jan Emmens in de laatste oorlogsdagen te 's-Gravehage. Klaas Woltjer werd doodgeschoten te Vught, Koene op 't Zandt in een ander concentratiekamp en dierenarts N. Mulder te Bakkeveen.


Op 5 mei 1945 tekent de Duitse commandant de overgave en is heel Nederland bevrijd.


Eerste pageview van vandaag: 1