Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 05-05-2020 voor het laatst bewerkt.
Twitter: Tweet Follow Tweet naar over
Facebook:

Of mail uw vraag of opmerking over dit artikel naar kunstbus@gmail.com

gebied Broek

Met het gebied Broek werd bedoeld het gehele gebied in de omgeving van de Munter Ee. Dat was bedekt met veen. Dat veen hield het water vast en was drassig. Sinds oude tijden wordt aan moerassige grond de naam gegeven van broek (zie etymologie broek), ook wel broeck, broeke, broke, brok, brocke, soms ook bruick. Vandaar de naam Broek. Niet zo duidelijk echter is wat in alle tijden verstaan moet worden onder Broek, Noordbroek, Zuidbroek, Oosterbroek en Westerbroek, als men het heeft over het gebied Broek dat in ruime zin omvat de tegenwoordige dorpen en voormalige kerspels en gemeentes Noordbroek en Zuidbroek.

Om bovenstaand genoemd probleem aan te voelen, geven wij hieronder eerst weer wat wij in oude geschriften vonden:
De kronieken van Emo en Menko vermelden onder het jaar 1272; 'Hongersnood, vooral in Noordbroek en Zuidbroek, omdat hun land zo laag lag' en onder het jaar 1295 wordt gesproken over de Menalda's van Hellum en hun helpers uit Oosterbroek. (Ook wel Oostbroek als vertaling van Oriental Broke).

In een overeenkomst van 1391 tussen Reiderlander en Oldambster hoofdelingen wordt gesproken van 'Tammo Gockinga in Suidbroeck' van watertochten tussen Muntendam en Broke en van de 'Burgsloot te Nortbroeck'.

Winsemius, Beninge, De Lemmege, Schotanus, Ubbo Emmius en vele schrijvers noemen Oosterbroek als woonplaats van Ayolt Gockinga in 1401. Daar stond dus de burcht die in dat jaar werd verwoest door de stad Groningen.

In 1420 werd de overeenkomst van 1391 vernieuwd en ondertekend door Ayolt Gockinga te Zuetbruick.

In een verdrag van 1427 met Bremen wordt Eppo Gockinga hoofdeling te Westerbroek genoemd. Evenzo in een verdrag van 1430 met andere hoofdelingen. Ook Benninga noemt hem hoofdeling te Westerbroek.

In 1438 werd het huis van Eppo Gockinga door de stad Groningen ingenomen. Bij verschillende schrijvers wordt hij in dat jaar hoofdeling te Zuidbroek, Noordbroek of Oosterbroek genoemd. Ook wel Eppo ten Broek.


Wat weten we.
In oude tijden heeft er een rivier gestroomd door het gebied dat volgens het kaartje van Alting bewoond werd door de Ostbroca Silvani, de Oosterbroekster Woldmannen. Deze rivier werd gevoed door water uit de zuidelijker gelegen venen. Hij stroomde langs Broke en stortte zich bij Termunten in de Eems. Hij heette de Munter Ee. Bij het begin lag zowat Muntendam en aan het eind Termunten. Het was een vrij forse rivier die voor scheepvaart werd gebruikt. Bij veel regenval kon Muntendam nog bereikt worden.


 -   +  (klik op de min voor het achterliggende kaartje van de huidige toestand.)

Maar de Munter Ee kabbelde niet altijd vreedzaam voort. Er is ook een tijd geweest dat de noordwester storm het zeewater er in opjoeg en dat het water verder ging dan de mensen lief was en dat Broke achteruit moest. Het was in het laatst van de 13de eeuw toen (de kerken van?) Noordbroek en Zuidbroek meer naar het westen verplaatst moesten worden vanwege het hoge water. En daarna is alles zee geweest tussen Broke, Slothra, Skeldwalda, Hellum en Sierdakerke aan de ene kant en Asterloo, Ekestee en Midwalda aan de andere kant. Luidebrundkerke werd verzwolgen.

Met Broek bedoelen we dus het gebied rond de Munter Ee. Ook over Noordbroek en Zuidbroek is geen onzekerheid. In de middeleeuwen werd op de beide einden van de heuvelrug ten westen van de Munter Ee een kerk gebouwd. Daaromheen groeiden de dorpen en kerspels Noordbroek en Zuidbroek. Die namen hebben zich tot nu toe gehandhaaft.

Oosterbroek is aanvankelijk ontleend aan de kronieken van Emo en Menko (1296). Die zaten te Wittewierum bij Ten Post hun dagboek te schrijven. Zij moesten dit gebied aanduiden. Het was moerassig en het lag ten oosten van hen. het lag voor de hand dat zij het Oosterbroek, Ostbroca of Broca Orientalis noemden.

Hoe men ook wel aan de benoeming Westerbroek voor Broek kwam (dus niet het huidige Westerbroek) heeft Menso Alting (1636-1712) geschreven in zijn Notitia Germaniae Inferioris: 'Het gebied van de Woldmannen, het belangrijkste van het gehele oude prefectschap, de zetel van het gezag, in twee zeer grote parochies verdeeld, zo wordt het door Menko genoemd. Tegenwoordig Zuidbroek en Noordbroek. Beide op een afstand van ongeveer dertien Friese mijlen van de stad Groningen gelegen. Maar ook vindt men de naam Broek gegeven aan het gehele gebied verdeeld in oost en west. Hiervan is Oostwold het oostelijk dorp en Noordbroek en Zuidbroek vormen dus samen Westerbroek. In een tijd toen het gebied langs de Munter Ee allemaal water was, is die naamgeving zeer begrijpelijk.



Geschiedenis gebied Broek


De oudste voorwerpen gevonden in dit gebied (onder Uiterburen) dateren uit de zevende eeuw voor Christus. Het gaat om urnen gevuld met as en verbrande beenderen. Deze werden gevonden bij de zandafgraving voor het ophogen van de spoorbaan Zuidbroek-Delfzijl in de heerd van Feiko Botjes (Botjes zandgat), ongeveer 800 meter ten oosten van de boerderij. Dit zandgat ligt in het gebied van de hoogveenontginning in het voormalige Bourtangermoeras. Deze urnen lagen een meter onder het maaiveld op enige afstand van elkaar en waren tussen de vijftien en vijfendertig cm hoog. Zij zijn te bezichtigen in het Rijksmuseum van Leiden. Deze urnen moeten wel afkomstig zijn van het urnenveldenvolk, dat in de zevende eeuw voor Christus op de zandrug van Broek woonde. Er zijn ook sporen van het urnenveldenvolk ontdekt op het noordelijkste gedeelte van de Hondsrug en op de zandruggen van Westerwolde. Urnenvelden zijn regelmatig gevonden op hoge gronden nabij beekdalen. In de omgeving van de vindplaats te Uiterburen kan men nog een groot hoogteverschil waarnemen tussen de zandrug en de aangrenzende kleigrond. Daar begint het dal van de vroegere Munter Ee, onder het tegenwoordige Muntendam. Daar is in de bedding nog een stenen strijdhamer gevonden die uit dezelfde tijd komt, maar te Siddeburen achter de boerderij van F. Bosker werd nog een vuurstenen bijl gevonden die nog ouder is.

Andere niet bewaarde vondsten die verwijzen naar zeer oude tijden zijn: polsbeschermers van leisteen, gebruikt bij het schieten met pijl en boog onder Bovenmeerland, Platte kiezelstenen met een gat in het midden in de omgeving van het Oosterlaantje, scherven van potten gemaakt van veen met kleine keizelsteentjes in het dal van een riete ten noorden van het Maar, kleine turfjes eveneens in het dal van die riete.

2000 jaar lang werd er nadien schijnbaar niet meer gewoond in deze streek. Al is er bij het turfgraven in de 19de eeuw in een dal onder Zuidbroek nog wel een Merovingische munt van voor 755 gevonden. Er zijn bij het graven van een drain in Noordbroek in het Meerland 50 cm onder het maaiveld in bruin zand en darg steelpannen en kogelpotten gevonden die dateren uit de dertiende eeuw. Ook in Zuidbroek op een zandhoogte ten Zuiden van de Galgeweg werden dergelijke scherven gevonden.

Deze potten werden door de bewoners zelf van de aanwezige klei gebakken en dienden voor het bereiden van voedsel. Ook werden op dergelijke wijze gebakken stenen en pannen gebruikt voor de bouw van huizen en kerken. enkele van deze middeleeuwse pannen (monnik en non) zijn gevonden in de tuin van de voormalige hervormde pastorie te Zuidbroek en op de gewelven en bij de muren van de kerk van Noordbroek. Bodemvondsten uit latere tijd die komen uit vreemde streken wijzen pas op het bestaan van betrekkingen met andere landen en volken.

Vele kloosterstenen zijn gevonden onder Rommelskerken, alsmede een koperen kerkkroon ten zuiden van het voormalige Kielhuis en een 60cm breed voetpad van kloosterstenen bij het Kielhuis in de richting Noord-Zuid. Deze drie vondsten versterken het vermoeden dat er een kerk moet zijn geweest die omstreeks 1300 naar hogere grond verplaatst moest worden.

Munster


Dichtbij de Eems, ongeveer 150 km vanaf de monding lag de stad Munster. Toen het Frankische rijk in +- 800 n.Chr. op het hoogtepunt van zijn macht stond, zetelde Karel de Grote in Aken. Karel de Grote bevorderde het Christendom en deelde zijn gebied zowel kerkelijk als burgerlijk in. Hij wees het gebied ten westen van de Eems tot aan de Lauwers aan Ludger toe voor de evangelieprediking. Later stelde hij deze zelfde Ludger aan als bisschop van Munster.

Karel de Grote liet het burgerlijk gezag en de rechtspraak veelal zoals het bestond bestaan bij de overwonnen volken. De bevoegdheden van de volksvergaderingen en de grondbezitters werden niet aangetast. En om rechtszekerheid te scheppen werden in zijn tijd de geldende rechtsregels opgeschreven in o.a. de lex Frisionum, de wet van de Friezen.

Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische rijk uiteen en kreeg de bisschop van Munster steeds meer macht. Deze bisschop, of zijn plaatsvervanger de officiaal, ging op geregelde tijden langs bij de parochies en kloosters in zijn gebied en organiseerde er synodes, toen zeenden genoemd. De bisdommen waren in dekanaten verdeeld. Zo behoorden de parochies Noord- en Zuidbroek bij het dekanaat Farnsum. De dekens waren aanvankelijk geestelijken, later waren dit ook wel personen van de adel. Deze dekens waren belast met de rechtspraak in kerkelijke zaken: als er op kerkelijke feestdagen gewerkt werd, kinderen hun ouders sloegen, er op heilige dagen gevochten werd en als er woeker werd genomen. De overtreder moest dan boete betalen aan de benadeelde en breuk aan de deken om weer in de gemeenschap opgenomen te worden.

Wie het overheidsgezag in bestuur en rechtspraak uitoefende was niet altijd duidelijk in die tijd. Het is wel zeker dat er volksvergaderingen werden gehouden en dat grondbezitters grote invloed hadden en dat enkelen van deze de grootsten werden en alle macht naar zich toe trokken. Deze noemden zich dan hoofdelingen. Zij oefenden de rechtspraak uit en beurden de breuken en met hun huurlingen, ruters genoemd, brachten zij hun gezag tot gelding. Er was uiteraard vaak strijd tussen de hoofdelingen en volksvergaderingen. Als de hoofdelingen krachtig waren hadden de volksvergaderingen niet veel te vertellen.

Reeds Karel de Grote scherpte zijn graven voortdurend de grootste rechtvaardigheid in, vooral tegen het gewone volk. Hij benoemde voor elk gebied twee koningsboden die daar moesten toezien op wereldlijke en kerkelijk zaken. Zij moesten er gerichtsdagen en gouwvergaderingen houden, klachten in ontvangst nemen en misbruiken tegengaan. zij moesten vooral kerken, weduwen, wezen en de kleine man beschermen. Omstreeks de 13de eeuw was er behoefte aan eenheid op het gebied van wet en rechtspraak. Er was toen sprake van de Zeven Friese Zee-landen, die zich uitstrekten van Vlaanderen tot de Wezer. De afgevaardigden van deze zee-landen kwamen bijeen onder de Upstalboom ten zuidwesten van Aurich in Oost-Friesland. In de kroniek van het premonstratenzerklooster Bloemhof in Wittewierum geschreven in de 13de eeuw wordt herhaaldelijk gesproken over de bisschop van Munster en zijn helpers en hoe het gehele gebied van de Lauwers tot over de Eems georiënteerd was op Munster. Het gebied van de lauwers tot de Eems werd toen Friesland of Oost-Friesland genoemd.

Na 1300 brokkelde de kerkelijke macht van de bisschop van Munster af. Dat kwam vooral doordat de dekanaten steeds meer in handen kwamen van wereldlijke personen en door de stijgende macht van de stad Groningen. Verder was een groot gedeelte van dit gebied een paar eeuwen bedekt met water wat het de bisschop niet aantrekkelijk maakte hier te verkeren.

Groningen


In het laatst van de middeleeuwen werd het leven in het Oldambt steeds meer gericht op de stad Groningen. Soms ging dat bij de bewoners van harte, soms met tegenzin. De ene groep vroeg in sommige tijden hulp aan de stad, de andere verzette zich juist om de invloed van de stad te breken. Een van de meest markante punten in dit proces is de verovering door de stad Groningen in 1401 van de burcht van de Gockinga's te Zuidbroek geweest. Lange tijd was niet duidelijk waar deze burcht moet hebben gestaan. Inmiddels heeft er heeft er een opgraving plaatsgevonden en is er ter aanvulling daarop een kaart gevonden in het stadsarchief. Deze burcht heeft achter de boerderij ter hoogte van Uiterburen 19 gestaan. De toestand in het Oldambt en aangrenzende gouwen was anders dan in naburige gewesten. Vaak was er geen of nauwelijks merkbare landheer aanwezig omdat dit land op het eind van zijn gebied lag. Van oudsher lag er in bestuur en rechtzaken een grote macht bij de grondbezitters, de eigenerfden. Deze droegen zorg voor de dijken en wegen, spraken recht en voerden vonnissen uit. De functie van rechter, redger, ging jaarlijks om van de ene heerd op de andere. Er zullen ook volksvergaderingen zijn geweest, maar na de stichting van de kerken trad het kerspelverband meer op de voorgrond. Vrijwel iedereen ging naar de kerk waar men bij elkaar kwam wat weer meebracht dat men gemeenschappelijke zaken in kerspelverband ging behandelen. Bij het sluiten van verdragen en bij het regelen van het dijkwezen komt men herhaaldelijk uitdrukkingen tegen als 'meenheid der meente', 'mene meente', en 'kerspelluden'. In de steden legden burgers zich steeds meer toe op allerlei handwerk en werd er meer geprosuceerd dan voor plaatselijke behoefte nodig was. Het overtollige moest ergens worden verkocht en grondstoffen moesten worden aangevoerd. Belanghebbenden organiseerden zich in gilden. De belangen van de verschillende partijen liepen niet altijd parallel. Aan het bezit van meer grond was meer macht verbonden. Hoe meer land, hoe vaken men rechter was en des te meer 'ruters' ingehuurd konden worden om het gezag te handhaven en macht uit te oefenen. Zodra hier misbruik van werd gemaakt kwam er ruzie met andere bewoners. Steden als Groningen hadden behoefte dat haar kooplieden ongestoord konden reizen en niet belemmerd werden door tollen en roverijen. Verder kwam bij de stad steeds meer de behoefte op om de bewoners van de omliggende streken te dwingen hun voortbrengselen bij haar naar de markt te brengen. In de 13de, 14de en 15de eeuw was er herhaaldelijk sprake van twist en strijd. In het algemeen kon men hierin twee grote partijen onderscheiden: de Schieringers en de Vetkopers. De Vetkopers waren hoofdelingengeslachten die zich boven andere grondbezitters hadden uitgewerkt en sterke stinzen hadden gebouwd. De Schieringers vond men voornamelijk onder de burgers van de steden, soms gesteund door kleine grondbezitters. In 1250 en 1251 was er hevige strijd tussen Fivelingoërs, Hunzingoërs en Oldambsters tegen de Stad Groningen waarin de Stad nog het onderspit moest delven. De muren werden geslecht en de stenen huizen tot aan de kelders afgebroken en in de jaren 1333 tot 1338 vond iets soortgelijks plaats. Tussendoor konden partijen ook wel beter met elkaar opschieten. Zo sloten de Stad en het Oldambt in 1287 en nogmaals in 1368 een verdrag ter waarborging van het vrije marktverkeer.

Tegen het einde van de 14de eeuw kwamen in het Oldambt de hoofdelingengeslachten Houwerda en Gockinga sterk naar boven. De Houwerda's hadden een sterke stins te Termunten en de Gockinga's te Zuidbroek, onder Uiterburen. 11 September 1398 verbonden Tammo Gockinga en Menno Houwerda, hoofdelingen tussen de Lauwers en de Eems in Oost-Friesland, zich met Albrecht van Beieren, Graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en heer van Friesland. zij droegen hun eigendommen tegen bruikleen op aan de graaf van Holland en beloofden hem de grenzen van Friesland te helpen beschermen. In ruil beloofde Albrecht hen te sterken als iemand hen wilde hinderen of krenken. Even later stak de Graaf van Holland met een leger van 20.000 man over van Enkhuizen naar Stavoren en bezette al deze gebieden. De vetkopers waanden zich nu veilig op hun stinzen, maar Groningen, het middelpunt van de Schieringers zette alle kracht bij en in 1400 moesten de Hollanders het land alweer ruimen en brak de dag der wraak aan voor de adellijke geslachten. Er moest afgerekend worden met de Gockinga's, Houwerda's, Cammingha's, Heemstra's, Donia's, Ripperda's, de Snelgers en de Wibbens.

Ubbo Emmius: 'Van Farmsum gingen de bondgenoten terstond naar Termunten en verwoestten het huis van Menno Houwerda. Voorts naar Oosterbroek, aldaar slechtende het huis van Ayolt Gockinga. Toen zijn de Friezen en Groningers van elkander gescheiden, elk zijns weegs naar huis trekkende. De raad en het volk van Groningen heeft met dank en goede wil van de naburige staten de rechten en privilegië van Houwerda en Gockinga en andere ballingen in het Oldambt aan zich getrokken. Omdat de stad hierdoor zo zeer in kracht is toegenomen, is de dag van de verwoesting van Gockinga-huis (23 april 1401) tot gedachtenis van de zaak tot een eeuwigdurende heilige dag gewijd.'

Na 1405 mocht Ayolt Gockinga weer bezit nemen van zijn bezit te Zuidbroek en in 1425 volgde zijn zoon Eppo hem op. Zij leefden echter niet lang in vrede met de stad Groningen. De Gockinga's en Houwerda's belemmerden de handel van de stad door geen kooplieden in hun gebied te dulden. De twist liep weer zo hoog op dat de hoofdeling Edsard van Greetsiel, zwager van Eppo, moest bemiddelen, maar in 1438 viel de definitieve beslissing. Groningen kwam met een leger naar Termunten en overrompelde de stins van de Houwerda's waarna werd afgerekend met de Gockinga's. Hun huis te Zuidbroek werd genomen en daarna hun versterkte toren te Bellingwolde dichtbij de Westerwoldse A. Dankzij bemiddeling van Edsard kreeg Eppo zijn bezittingen in 1439 echter al weer terug. Eppo Gockinga overleed 11-01-1444 waarbij zijn bezit overeenkomstig dit akkoord toekwamen aan de Stad en nam een ambtenaar het bewind en de rechtspraak over de streek over. Het pad was eindelijk geëffend voor verdere opbloei van de Stad en het omliggende gebied. In 1454 werd een overeenkomst gesloten tussen de Stad en Lande en de gewone hoofdelingen, de rechters en de mene meenten van Oldambt om de Reider dijken te maken en te onderhouden ter bestrijding van het zeewater. In 1457 volgde het aanleggen van een vrije weg van Groningen naar de Eems over Slochteren en Zuidbroek. In 1482 kreeg de Stad daarbij nog het stapelrecht voor binnenlands graan en het alleenrecht op het brouwen van bier. De Gemene Landswerf in de Stad zou in beroep recht spreken.

Bronnen:
Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren (door H. Antonides in 1973)


Eerste pageview van vandaag: 1