Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 26-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

gebied Broek

Met het gebied Broek werd bedoeld het land ten westen van de Munter Ee. Dat was bedekt met veen. Dat veen hield het water vast en was drassig. Sinds oude tijden wordt aan moerassige grond de naam gegeven van broek (zie etymologie broek), ook wel broeck, broeke, broke, brok, brocke, soms ook bruick. Vandaar de naam Broek.
Het is in oude teksten echter niet altijd duidelijk wat precies bedoeld werd wanneer zij het over Broek, Noordbroek, Zuidbroek, Oosterbroek of Westerbroek hadden en over het gebied Broek dat in ruime zin omvat de tegenwoordige dorpen en voormalige kerspels en gemeentes Noordbroek en Zuidbroek.

Om bovenstaand probleem aan te voelen, geven wij hieronder eerst weer wat wij in oude geschriften vonden:
De kronieken van Emo en Menko vermelden onder het jaar 1272; 'Hongersnood, vooral in Noordbroek en Zuidbroek, omdat hun land zo laag lag' en onder het jaar 1295 wordt gesproken over de Menalda's van Hellum en hun helpers uit Oosterbroek. (Ook wel Oostbroek als vertaling van Oriental Broke).

In een overeenkomst van 1391 tussen Reiderlander en Oldambster hoofdelingen wordt gesproken van 'Tammo Gockinga in Suidbroeck' van watertochten tussen Muntendam en Broke en van de 'Burgsloot te Nortbroeck'.

Winsemius, Beninge, De Lemmege, Schotanus, Ubbo Emmius en vele schrijvers noemen Oosterbroek als woonplaats van Ayolt Gockinga in 1401. Daar stond dus de burcht die in dat jaar werd verwoest door de stad Groningen.

In 1420 werd de overeenkomst van 1391 vernieuwd en ondertekend door Ayolt Gockinga te Zuetbruick.

In een verdrag van 1427 met Bremen wordt Eppo Gockinga hoofdeling te Westerbroek genoemd. Evenzo in een verdrag van 1430 met andere hoofdelingen. Ook Benninga noemt hem hoofdeling te Westerbroek.

In 1438 werd het huis van Eppo Gockinga door de stad Groningen ingenomen. Bij verschillende schrijvers wordt hij in dat jaar hoofdeling te Zuidbroek, Noordbroek of Oosterbroek genoemd. Ook wel Eppo ten Broek.

Wat weten we? In oude tijden heeft er een rivier gestroomd door het gebied dat volgens het kaartje van Alting bewoond werd door de Ostbroca Silvani, de Oosterbroekster Woldmannen. Deze rivier werd gevoed door water uit de zuidelijker gelegen venen. Hij stroomde langs Broke en stortte zich bij Termunten in de Eems. Hij heette de Munter Ee. Bij het begin lag zowat Muntendam en aan het eind Termunten. Het was een vrij forse rivier die voor scheepvaart werd gebruikt. Bij veel regenval kon Muntendam nog bereikt worden.


- + (klik op de min voor het achterliggende kaartje van de huidige toestand.)

Maar de Munter Ee kabbelde niet altijd vreedzaam voort. Er is ook een tijd geweest dat de noordwester storm het zeewater er in opjoeg en dat het water verder ging dan de mensen lief was en dat Broke achteruit moest. Het was in het laatst van de 13de eeuw toen (de kerken van?) Noordbroek en Zuidbroek meer naar het westen verplaatst moesten worden vanwege het hoge water. En daarna is alles zee geweest tussen Broke, Slothra, Skeldwalda, Hellum en Sierdakerke aan de ene kant en Asterloo, Ekestee en Midwalda aan de andere kant. Luidebrundkerke, volgens sommigen het oorspronkelijke Noordbroek, werd verzwolgen.

Met Broek bedoelen we dus het gebied ten westen van Munter Ee. Ook over Noordbroek en Zuidbroek is nu geen onzekerheid. In de middeleeuwen werd op de beide einden van de heuvelrug ten westen van de Munter Ee een kerk gebouwd. Daaromheen groeiden de dorpen en kerspels Noordbroek en Zuidbroek. Die namen hebben zich tot nu toe gehandhaafd.

Het toponiem Oosterbroek is aanvankelijk ontleend aan de kronieken van Emo en Menko (1296). Die zaten te Wittewierum bij Ten Post hun dagboek te schrijven. Zij moesten dit gebied aanduiden. Het was moerassig en het lag ten oosten van hen. Het lag voor de hand dat zij het Oosterbroek, Ostbroca of Broca Orientalis noemden.

Hoe men ook wel aan de benoeming Westerbroek voor Broek kwam (dus niet het huidige Westerbroek) heeft Menso Alting (1636-1712) geschreven in zijn Notitia Germaniae Inferioris: 'Het gebied van de Woldmannen, het belangrijkste van het gehele oude prefectschap, de zetel van het gezag, in twee zeer grote parochies verdeeld, zo wordt het door Menko genoemd. Tegenwoordig Zuidbroek en Noordbroek. Beide op een afstand van ongeveer dertien Friese mijlen van de stad Groningen gelegen.' Maar ook vindt men de naam Broek gegeven aan het gehele gebied verdeeld in oost en west. Hiervan is Oostwold het oostelijk dorp en Noordbroek en Zuidbroek vormen dus samen Westerbroek. In een tijd toen het gebied langs de Munter Ee allemaal water was, is die naamgeving zeer begrijpelijk.



Geologische geschiedenis

Tijdens de vijfde fase van het Saalien (circa 120.000 jaar v. Chr.) reikte het landijs tot Oost-Groningen. De ijslobben, die voor het aaneengesloten ijsfront lagen, persten de ondergrond omhoog waardoor een aantal boogvormige ruggen ontstond. Zo'n rug heeft gelegen van Siddeburen over Schildwolde ombuigend in de richting van Noordbroek en Zuidbroek.
In het Weichselien, circa 70.000 voor Chr., zijn in dit gebied dekzanden afgezet.
Geleidelijk werd bij aanvang van het Holoceen, circa 8000 voor Chr., het klimaat warmer en vochtiger waardoor een veenpakket tot ontwikkeling kwam dat zich vanuit de lagere delen over het gebied uitbreidde tot over de dekzandopduikingen. De afwatering geschiedde via de vele veenriviertjes, die van zuid naar noord stroomden.

Het Dollardgebied, waartoe ook de zandopduikingen van Noordbroek en Zuidbroek worden gerekend, is in de 15e/16e eeuw grotendeels door de zee overstroomd. De Dollardboezems zijn in de periode daarna langzamerhand weer dichtgeslibd en successievelijk bedijkt. De zandopduiking van Noordbroek en Zuidbroek is echter nooit door de zee overstroomd geweest. Dit gebied vormt als het ware de oude kern van het omliggende landschap.
De bovenstaande ontwikkeling heeft geleid tot het ontstaan van de volgende grondsoorten:
- op de as Noordbroek-Zuidbroek: leemarm en lemig fijn zand
- ten oosten van de as: kleigronden
- ten noorden van de as: zavel- of kleidek en venige tussenlaag
- ten westen van de as: venige bovengrond op zand.
- ten zuiden van de as: zavel- of kleidek op een zandige ondergrond. De hoogte in het gebied Broek varieert van -1.3m N.A.P. in het noordoosten tot +4.5m N.A.P. ten westen van de dekzandrug Uiterburen-Noordbroek.


Bewoningsgeschiedenis gebied Broek

Toen onze voorouders hier kwamen, vonden zij de omstandigheden gunstig voor vestiging: een rivier die
toegang gaf tot de zee, evenwijdig aan de rivier een zandhoogte en ten westen daarvan een strook veengrond. De rivier bood gelegenheid voor visvangst en handel. (De boten waren primitief, uitgeholde
boomstammen of boten van wilgentakken met dierenvellen overtrokken; van biezen werden netten gevlochten, waarbij doorboorde stenen dienden tot zinkstukken.) De bodem helde van de zandhoogte naar
de rivier en bood gelegenheid voor landbouw, hooien en weiden. Het veen kon men drogen en gebruiken
voor verwarming en voor koken.
Het is wel aan te nemen, dat landbouw en veeteelt vanouds de voornaamste middelen van bestaan geweest zijn.

Urnenveldenvolk

De oudste voorwerpen gevonden in dit gebied dateren uit de zevende eeuw voor Christus. Het gaat om urnen gevuld met as en verbrande beenderen gevonden onder Uiterburen. Deze werden gevonden in 1908 bij de zandafgraving voor het ophogen van de spoorbaan Zuidbroek-Delfzijl in de heerd van Feiko Botjes (Botjes zandgat), ongeveer 800 meter ten oosten van de boerderij. Dit zandgat ligt in het gebied van de hoogveenontginning in het voormalige Bourtangermoeras. Deze urnen lagen een meter onder het maaiveld op enige afstand van elkaar en waren tussen de vijftien en vijfendertig cm hoog. Zij zijn te bezichtigen in het Rijksmuseum van Leiden. Deze urnen moeten wel afkomstig zijn van het urnenveldenvolk, dat in de zevende eeuw voor Christus op de zandrug van Broek woonde. Er zijn ook sporen van het urnenveldenvolk ontdekt op het noordelijkste gedeelte van de Hondsrug en op de zandruggen van Westerwolde. Urnenvelden zijn regelmatig gevonden op hoge gronden nabij beekdalen. In de omgeving van de vindplaats te Uiterburen kan men nog een groot hoogteverschil waarnemen tussen de zandrug en de aangrenzende kleigrond. Daar begint het dal van de vroegere Munter Ee, onder het tegenwoordige Muntendam. Daar is in de bedding nog een stenen strijdhamer gevonden die uit dezelfde tijd komt, maar te Siddeburen achter de boerderij van F. Bosker werd nog een vuurstenen bijl gevonden die nog ouder is.

Andere niet bewaarde vondsten die verwijzen naar zeer oude tijden zijn: polsbeschermers van leisteen, gebruikt bij het schieten met pijl en boog onder Bovenmeerland, Platte kiezelstenen met een gat in het midden in de omgeving van het Oosterlaantje, scherven van potten gemaakt van veen met kleine keizelsteentjes in het dal van een riete ten noorden van het Maar, kleine turfjes eveneens in het dal van die riete.

2000 jaar lang werd er nadien schijnbaar niet meer gewoond in deze streek. Al is er bij het turfgraven in de 19de eeuw in een dal onder Zuidbroek nog wel een Merovingische munt van voor 755 gevonden.

Er zijn bij het graven van een drain in Noordbroek in het Meerland 50 cm onder het maaiveld in bruin zand en darg steelpannen en kogelpotten gevonden die dateren uit de dertiende eeuw. Ook in Zuidbroek op een zandhoogte ten Zuiden van de Galgeweg werden dergelijke scherven gevonden. Deze potten werden door de bewoners zelf van de aanwezige klei gebakken en dienden voor het bereiden van voedsel. Ook werden op dergelijke wijze gebakken stenen en pannen gebruikt voor de bouw van huizen en kerken. Enkele van deze middeleeuwse pannen (monnik en non) zijn gevonden in de tuin van de voormalige hervormde pastorie te Zuidbroek en op de gewelven en bij de muren van de kerk van Noordbroek. Bodemvondsten uit latere tijd die komen uit vreemde streken wijzen pas op het bestaan van betrekkingen met andere landen en volken.

Vele kloosterstenen zijn gevonden onder Rommelskerken, alsmede een koperen kerkkroon ten zuiden van het voormalige Kielhuis en een 60cm breed voetpad van kloosterstenen bij het Kielhuis in de richting Noord-Zuid. Deze drie vondsten versterken het vermoeden dat er een kerk moet zijn geweest die omstreeks 1300 naar hogere grond verplaatst moest worden.

Munster

Dichtbij de Eems, ongeveer 150 km vanaf de monding lag de stad Munster. Toen het Frankische rijk in +- 800 n.Chr. op het hoogtepunt van zijn macht stond, zetelde Karel de Grote in Aken. Karel de Grote bevorderde het christendom en deelde zijn gebied zowel kerkelijk als burgerlijk in. Hij wees het gebied ten westen van de Eems tot aan de Lauwers aan Ludger toe voor de evangelieprediking. Later stelde hij deze zelfde Ludger aan als bisschop van Munster.

Karel de Grote liet het burgerlijk gezag en de rechtspraak veelal zoals het bestond bestaan bij de overwonnen volken. De bevoegdheden van de volksvergaderingen en de grondbezitters werden niet aangetast. En om rechtszekerheid te scheppen werden in zijn tijd de geldende rechtsregels opgeschreven in o.a. de lex Frisionum, de wet van de Friezen.

Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische rijk uiteen en kreeg de bisschop van Munster steeds meer macht. Deze bisschop, of zijn plaatsvervanger de officiaal, ging op geregelde tijden langs bij de parochies en kloosters in zijn gebied en organiseerde er synodes, toen zeenden genoemd. De bisdommen waren in dekanaten verdeeld. Zo behoorden de parochies Noord- en Zuidbroek bij het dekanaat Farnsum. De dekens waren aanvankelijk geestelijken, later waren dit ook wel personen van de adel. Deze dekens waren belast met de rechtspraak in kerkelijke zaken: als er op kerkelijke feestdagen gewerkt werd, kinderen hun ouders sloegen, er op heilige dagen gevochten werd en als er woeker werd genomen. De overtreder moest dan boete betalen aan de benadeelde en breuk aan de deken om weer in de gemeenschap opgenomen te worden.

Wie het overheidsgezag in bestuur en rechtspraak uitoefende was niet altijd duidelijk in die tijd. Het is wel zeker dat er volksvergaderingen werden gehouden en dat grondbezitters grote invloed hadden en dat enkelen van deze de grootsten werden en alle macht naar zich toe trokken. Deze noemden zich dan hoofdelingen. Zij oefenden de rechtspraak uit en beurden de breuken en met hun huurlingen, ruters genoemd, brachten zij hun gezag tot gelding. Er was uiteraard vaak strijd tussen de hoofdelingen en volksvergaderingen. Als de hoofdelingen krachtig waren hadden de volksvergaderingen niet veel te vertellen.

Reeds Karel de Grote scherpte zijn graven voortdurend de grootste rechtvaardigheid in, vooral tegen het gewone volk. Hij benoemde voor elk gebied twee koningsboden die daar moesten toezien op wereldlijke en kerkelijk zaken. Zij moesten er gerichtsdagen en gouwvergaderingen houden, klachten in ontvangst nemen en misbruiken tegengaan. zij moesten vooral kerken, weduwen, wezen en de kleine man beschermen. Omstreeks de 13de eeuw was er behoefte aan eenheid op het gebied van wet en rechtspraak. Er was toen sprake van de Zeven Friese Zee-landen, die zich uitstrekten van Vlaanderen tot de Wezer. De afgevaardigden van deze zee-landen kwamen bijeen onder de Upstalboom ten zuidwesten van Aurich in Oost-Friesland. In de kroniek van het premonstratenzerklooster Bloemhof in Wittewierum geschreven in de 13de eeuw wordt herhaaldelijk gesproken over de bisschop van Munster en zijn helpers en hoe het gehele gebied van de Lauwers tot over de Eems georiënteerd was op Munster. Het gebied van de lauwers tot de Eems werd toen Friesland of Oost-Friesland genoemd.

Na 1300 brokkelde de kerkelijke macht van de bisschop van Munster af. Dat kwam vooral doordat de dekanaten steeds meer in handen kwamen van wereldlijke personen en door de stijgende macht van de stad Groningen. Verder was een groot gedeelte van dit gebied een paar eeuwen bedekt met water wat het de bisschop niet aantrekkelijk maakte hier te verkeren.

Noordbroek, Uiterburen en Zuidbroek verplaatsten zich in westelijke richting naar de hoogste delen van de zandrug. Hierdoor kwamen ze dichter bij het veengebied te liggen en verder van de Oude Ae of Munte. Vanaf de zandrug werden de perceelsgrenzen vastgesteld die in de breedte nogal eens verschilden. Waarschijnlijk heeft de verkaveling van vóór de dorpsverplaatsingen hierbij als basis gediend. Aan de westzijde van de as is voornamelijk de individuele ontginning begonnen. Het afgegraven veen werd gebruikt voor de brandstofvoorziening (turf) en op de vrijgekomen bodem werd boekweit verbouwd en graasden schapen. Bij de individuele ontginningen zijn nieuwe boerderijen met het voortschrijden van de ontginning meegegaan en kwamen daardoor verder van de oude ontginningen te liggen. Bij Noord- en Zuidbroek is verder sprake van het ontstaan van gehuchten in het veen, zoals Het Veen, Veenhuizen, Spitsbergen en Stootshorn, deze zijn te beschouwen als randveennederzettingen. Het uiterste noordoosten van de gemeente heeft nog onder invloed gestaan van de Dollardoverstromingen. In 1545 is hier een dijk aangelegd. Het gehucht Noordbroeksterhamrik is ontstaan langs deze dijk. Oorspronkelijk lagen de kavels en de ontsluitingswegen haaks op de bewoningsassen. De oorspronkelijke strokenverkaveling uit 1850 is grotendeels vervangen door een regelmatige blokverkaveling (voornamelijk ten gevolge van de Ruilverkaveling rond de jaren '70 van de 20ste eeuw). Alleen bij Spitsbergen zijn nog de restanten te zien van een veenkoloniale (stroken)verkaveling. Vanuit het Achterdiep te Sappemeer werd namelijk noordwaarts het veen ontgonnen. Vanuit de secundaire ontginningsbasis, de lijn Veenhuizen-Stootshorn, heeft in de 17e/18e eeuw vestiging plaatsgevonden. De ontginning geschiedde hier westwaarts.

Een verhaal uit de dertiende eeuw
De vervolgschrijver van Menko verhaalt de strijd tegen de Menalda's, die op een burcht of stins te Hellum woonden. Daarbij waren ook de Oosterbroeksters betrokken.
Het was in het jaar 1295. De volgende groepen hadden onenigheid met Ebbo Menalda te Hellum:
- Lubbe Tadema van Oostwold. Tadema verweet aan de Menalda's dat zij zijn kleinzoon hadden vermoord.
- Abeko Aldinga en Lubbo Rodmar. Zij beschuldigden de Menalda's, dat zij Rodmer Eenoog bij het Schildmeer hadden vermoord.
- Elbo Haginga van Slochteren. Er waren vechtpartijen geweest tussen de Haginga's en de Menalda's.
- Hessel Merethia van Midwolda. Hij had ruzie met de Menalda's over het redgersambt.
Toen de dag van de strijd gekomen was, trokken allen op naar Hellum. Onder de medestrijders bevonden zich ook de verwanten en vrienden van de tadema's die te Oosterbroek woonden. De groepen die van het westen kwamen, begonnen de klokken in de toren van Schildwolde te luiden om aan hun strijdgenoten aan de oostzijde bekend te maken, dat zij klaar stonden. En meteen trokken zij onder hoorngeschal en geschreeuw van de menigte naar Hellum.
Maar de Menalda's weerden zich dapper en wisten de aanvallers op de vlucht te drijven. Toen moesten zij nog tegen twee groepen vechten die van het oosten kwamen. En ook die wisten zij door hun dapperheid te verslaan.
De vier vijanden van de Menalda's waren verslagen en kwamen niet meer tot een gemeenschappelijk optreden, maar zij probeerden wel voortdurend om de tegenpartij afbreuk te doen. Zo bezetten zij de burcht van Dodo Jeldinga te Schildwolde en verbranden de houten huizen. Maar de Menalda's vielen hen aan en zij verjoegen allen die buiten de stins waren. Toen zonden de Menalda's boden naar Oosterbroek om hulp te vragen voor het veroveren van die stins.
Dezen kwamen dadelijk en wierpen al vechtende door de vensters vuur naar binnen/. Sommigen ook ondermijnden de muur. Toen de zaken zo stonden, bezweken de krachten van de strijders boven in de stins door de scherpte van de rook en gloed van het vuur. Zij gaven zichzelf en hun goed over in handen der Menalda's op voorwaarde van lijfsbehoud. Twintig gevangenen werden opgesloten in de burcht te Hellum. Abeko Aldinga werd met twee ketenen geboeid en in zijn hemd naar de burcht van zijn naaste bloedverwant Rodmer Eenoog overgebracht om daar te worden gedood. door tussenkomst vand e abt van Bloemhof werd dit echter voorkomen. Deze abt is ook in de bres gesprongen voor de andere gevangenen. Hij pleegde daarbij overleg met de Menalda's en de betere elementen die uit Oosterbroek kwamen.
Tenslotte wist de abt een verzoening te bewerken, waarbij de gevangenen vrijgelaten werden met verlies van hun goederen. Van de verzoening werd een overeenkomst gemaakt, waarvan aan elk der partijen drie exemplaren werden uitgereikt.

Groningen

In het laatst van de middeleeuwen werd het leven in het Oldambt steeds meer gericht op de stad Groningen. Soms ging dat bij de bewoners van harte, soms met tegenzin. De ene groep vroeg in sommige tijden hulp aan de stad, de andere verzette zich juist om de invloed van de stad te breken. Een van de meest markante punten in dit proces is de verovering door de stad Groningen in 1401 van de burcht van de Gockinga's te Zuidbroek geweest. Lange tijd was niet duidelijk waar deze burcht moet hebben gestaan. Inmiddels heeft er heeft er een opgraving plaatsgevonden en is er ter aanvulling daarop een kaart gevonden in het stadsarchief. Deze burcht heeft achter de boerderij ter hoogte van Uiterburen 19 gestaan.
De toestand in het Oldambt en aangrenzende gouwen was anders dan in naburige gewesten. Vaak was er geen of nauwelijks merkbare landheer aanwezig omdat dit land op het eind van zijn gebied lag. Van oudsher lag er in bestuur en rechtzaken een grote macht bij de grondbezitters, de eigenerfden. Deze droegen zorg voor de dijken en wegen, spraken recht en voerden vonnissen uit. De functie van rechter, redger, ging jaarlijks om van de ene heerd op de andere.
Er zullen ook volksvergaderingen zijn geweest, maar na de stichting van de kerken trad het kerspelverband meer op de voorgrond. Vrijwel iedereen ging naar de kerk waar men bij elkaar kwam wat weer meebracht dat men gemeenschappelijke zaken in kerspelverband ging behandelen. Bij het sluiten van verdragen en bij het regelen van het dijkwezen komt men herhaaldelijk uitdrukkingen tegen als 'meenheid der meente', 'mene meente', en 'kerspelluden'.
In de steden legden burgers zich steeds meer toe op allerlei handwerk en werd er meer geproduceerd dan voor plaatselijke behoefte nodig was. Het overtollige moest ergens worden verkocht en grondstoffen moesten worden aangevoerd. Belanghebbenden organiseerden zich in gilden.
De belangen van de verschillende partijen liepen niet altijd parallel. Aan het bezit van meer grond was meer macht verbonden. Hoe meer land, hoe vaker men rechter was en des te meer 'ruters' ingehuurd konden worden om het gezag te handhaven en macht uit te oefenen. Zodra hier misbruik van werd gemaakt kwam er ruzie met andere bewoners. Steden als Groningen hadden behoefte dat haar kooplieden ongestoord konden reizen en niet belemmerd werden door tollen en roverijen. Verder kwam bij de stad steeds meer de behoefte op om de bewoners van de omliggende streken te dwingen hun voortbrengselen bij haar naar de markt te brengen. In de 13de, 14de en 15de eeuw was er herhaaldelijk sprake van twist en strijd. In het algemeen kon men hierin twee grote partijen onderscheiden: de Schieringers en de Vetkopers. De Vetkopers waren hoofdelingengeslachten die zich boven andere grondbezitters hadden uitgewerkt en sterke stinzen hadden gebouwd. De Schieringers vond men voornamelijk onder de burgers van de steden, soms gesteund door kleine grondbezitters. In 1250 en 1251 was er hevige strijd tussen Fivelingoërs, Hunzingoërs en Oldambsters tegen de Stad Groningen waarin de Stad nog het onderspit moest delven. De muren werden geslecht en de stenen huizen tot aan de kelders afgebroken en in de jaren 1333 tot 1338 vond iets soortgelijks plaats. Tussendoor konden partijen ook wel beter met elkaar opschieten. Zo sloten de Stad en het Oldambt in 1287 en nogmaals in 1368 een verdrag ter waarborging van het vrije marktverkeer.

Tegen het einde van de 14de eeuw kwamen in het Oldambt de hoofdelingengeslachten Houwerda en Gockinga sterk naar boven. De Houwerda's hadden een sterke stins te Termunten en de Gockinga's te Zuidbroek, onder Uiterburen. 11 September 1398 verbonden Tammo Gockinga en Menno Houwerda, hoofdelingen tussen de Lauwers en de Eems in Oost-Friesland, zich met Albrecht van Beieren, Graaf van Henegouwen, Holland, Zeeland en heer van Friesland. zij droegen hun eigendommen tegen bruikleen op aan de graaf van Holland en beloofden hem de grenzen van Friesland te helpen beschermen. In ruil beloofde Albrecht hen te sterken als iemand hen wilde hinderen of krenken. Even later stak de Graaf van Holland met een leger van 20.000 man over van Enkhuizen naar Stavoren en bezette al deze gebieden. De vetkopers waanden zich nu veilig op hun stinzen, maar Groningen, het middelpunt van de Schieringers zette alle kracht bij en in 1400 moesten de Hollanders het land alweer ruimen en brak de dag der wraak aan voor de adellijke geslachten. Er moest afgerekend worden met de Gockinga's, Houwerda's, Cammingha's, Heemstra's, Donia's, Ripperda's, de Snelgers en de Wibbens.

Ubbo Emmius: 'Van Farmsum gingen de bondgenoten terstond naar Termunten en verwoestten het huis van Menno Houwerda. Voorts naar Oosterbroek, aldaar slechtende het huis van Ayolt Gockinga. Toen zijn de Friezen en Groningers van elkander gescheiden, elk zijns weegs naar huis trekkende. De raad en het volk van Groningen heeft met dank en goede wil van de naburige staten de rechten en privilegië van Houwerda en Gockinga en andere ballingen in het Oldambt aan zich getrokken. Omdat de stad hierdoor zo zeer in kracht is toegenomen, is de dag van de verwoesting van Gockinga-huis (23 april 1401) tot gedachtenis van de zaak tot een eeuwigdurende heilige dag gewijd.'

Na 1405 mocht Ayolt Gockinga weer bezit nemen van zijn bezit te Zuidbroek en in 1425 volgde zijn zoon Eppo hem op. Zij leefden echter niet lang in vrede met de stad Groningen. De Gockinga's en Houwerda's belemmerden de handel van de stad door geen kooplieden in hun gebied te dulden. De twist liep weer zo hoog op dat de hoofdeling Edsard van Greetsiel, zwager van Eppo, moest bemiddelen, maar in 1438 viel de definitieve beslissing. Groningen kwam met een leger naar Termunten en overrompelde de stins van de Houwerda's waarna werd afgerekend met de Gockinga's. Hun huis te Zuidbroek werd genomen en daarna hun versterkte toren te Bellingwolde dichtbij de Westerwoldse A. Dankzij bemiddeling van Edsard kreeg Eppo zijn bezittingen in 1439 echter al weer terug. Eppo Gockinga overleed 11-01-1444 waarbij zijn bezit overeenkomstig dit akkoord toekwamen aan de Stad. Een ambtenaar nam het bewind en de rechtspraak over de streek over. Het pad was eindelijk geëffend voor verdere opbloei van de Stad en het omliggende gebied.
In 1454 werd een overeenkomst gesloten tussen de Stad en Lande en de gewone hoofdelingen, de rechters en de mene meenten van Oldambt om de Reider dijken te maken en te onderhouden ter bestrijding van het zeewater. In 1457 volgde het aanleggen van een vrije weg van Groningen naar de Eems over Slochteren en Zuidbroek. In 1482 kreeg de Stad daarbij nog het stapelrecht voor binnenlands graan en het alleenrecht op het brouwen van bier. De Gemene Landswerf in de Stad zou in beroep recht spreken.

Tijdens de oorlog met Spanje

In ons artikel over Oldambt hebben wij iets verteld over de vrijheidsstrijd tegen Spanje, van de kerende kansen tussen de Spaanse en de Staatse troepen, van de weifelende houding van de stad, van de breuk daarmee in 1580 en van de definitieve overgang naar de Hervorming in 1594. Dit waren ook voor Noordbroek en Zuidbroek moeilijke tijden. De ene keer trok Lodewijk van Nassau er door met zijn troepen, de andere keer Alva met zijn soldaten. En beide partijen namen wat zij nodig hadden voor hun strijd.

In 1568 heeft Lodewijk van Nassau van de kerk van Zuidbroek gevorderd: 105 daler van de landhuur, een klok uit de toren, en drie Emder gulden. Bovendien moest de kerk drie Emder gulden betalen voor vertering van de soldaten en een Philips daler voor touw. De soldaten van Lodewijk hadden ook geld gevorderd van de pastoor, van de vicaris en van de drost, onder bedreiging van brandstichting. Een gedeelte van deze afpersingen nam de kerk over. Dit alles blijkt uit het rekeningenboek van de kerk:
Grave Loduwich van Nassauwen dorch bedwinck synre strengher mandaten ghebrocht van der karcken landthuer C unde V dalers
Den pastoer tho hulpe ghekomen an syn brandtscathinge grave Loduwich gegeven iii nye rijcksdalers.
Heer Johans brandtscattinghe betaelt iii daelers.
De voechden hebben betaelt an des drosten brandtscathinge als allen ander karcken in den Oldenampten eenen daler.
Doen Grave Loduwichs dieners quemen om onse clocken aff tho nemen unde want se ons drie clocken wolden aff nemen soe hebben wij pastoer / voechden mit de meeste ghemeente seer vlijtich an de ghedeputeerden ghesolliciteert om twee clocken te mogen holden, d'welck nicht konde schien dan dorch een middell van een eerlick gheschenck unde en hebben nhae langhe worden nich nader konnen komen dan op III embder gulden oer gegeven unde betaelt.
Noch hebben de sulfide mith oeren dieneren verteert III embder gulden. Noch nije touwen an de clocken unde urhewerck ghekomen daer voer gegeven i Philips Daeler.

In juli 1568 achtervolgde de hertog van Alva graaf Lodewijk van Nassau. In de nacht van 17 op 18 juli sliep hij op de Freylemaborg te Slocheren. De volgende dag heeft hij weer een verversing gebruikt in het tegenwoordige hotel Bont bij de Dam te Noordbroek. Een gedeelte van zijn leger heeft overnacht onder Noordbroeksterhamrik, waar een boerderij nog het Leger heet. Bij graafwerk voor de riolering in 1954 zijn bij de Dam hoefijzers gevonden van een bijzonder model. Men veronderstelde, dat die waren van de paarden van Alva.

In 1573 kocht de kerk een vat om de kleinoden en het zilverwerk in te bewaren. Het vat werd begraven met het oog op de geuzen. Twee jaar later was de nood blijkbaar geweken en het vat werd weer voor de dag gehaald.

In 1576 ontving de redger Doede Tyarcks (ook wel Doedo Tjaekes) geld voor kruit en lood. Dit moest dienen om de vrijbuiters te Finsterwolde te verjagen.

In 1577 kregen de kerkvoogden een verzoek van de Stad om te helpen met wagens en paarden om kanonnen van Wedde naar Groningen te brengen.

Het volgende jaar werden door een aantal edelen twaalf vendels soldaten in dienst genomen en gesteld onder leiding van Bartold Entens, die ook met Lumey Den Briel veroverd had. Toen werden de kerkvoogden van Zuidbroek bang en zij bestelden kruit en lood te Groningen. En verder werden pijpen van het oude orgel omgegoten tot kogels. Dit werd aan de gemeenteleden uitgedeeld in de herberg van Egbert Schuerink. De vertering bij Schuerink kostte achttien stuiver. De kerk betaalde.
In april 1579 ontbood de drost Herman Clandt het gehele Oldambt te Winschoten om met elkaar te beraadslagen, hoe men de soldaten van Entens, die te Wedde lagen, buiten het Oldambt kon houden. Ter Slochteren lag een afdeling soldaten, maar pastoor en kerkvoogden van Zuidbroek wisten te bewerken, dat die naar Kropswolde werden gezonden. Dit kostte hun drie daler. Kort daarna kwamen er geuzen onder Asynga Entens te Zuidbroek. Eerst wilden zij de beste klok meenemen, maar het slot was, dat zij genoegen namen met pijpen van het oude orgel. Zij namen de vicaris mee en sloten hem op in het klooster te Heiligerlee, dat toen in handen was van de geuzen. In de kerstweek waagde de pastoot het om naar Heiligerlee te gaan en het gelukte hem om de vicaris los te kopen. In dat jaar kwam er ook een bevel van Burgemeesters en Raad van de Stad om uit de kerkegoederen honderd daler te betalen. De kerk had geen geld in kas en dat bedrag werd geleend van Hommo Tjabbens voor de tijd van drie maand. Rente drie mud rogge. Een mud rogge kostte toen twee daler.

In 1580 werd het moeilijker in het noorden. De stad Groningen ging weer over naar de Spanjaarden. Ook Delfzijl en Coevorden. En onze dorpen kregen nu eens last van de geuzen, dan weer van de Spanjaarden. In datzelfde jaar 1580 kwamen de geuzen hier een paar keer. De eerste keer lieten zij zich afkopen met zat eten en drinken en vier leeuwendaler. De tweede keer, dat was op 21 mei, namen zij de misgewaden en de boeken mee. Het stukslaan van het doopvont werd afgekocht met twee leeuwendaler en de vernieling van het orgel met twaalf daler. Ook moesten weer pijpen van het oude orgel worden afgestaan.
In juli 1580 hadden Noordbroek en Zuidbroek veel last van de Spaanse soldaten, die gezonden waren door Rennenberg en Schenk. Maar burgemeesters en Raad van Groningen namen het voor hen op. In een brief van 30 juli dat jaar schreven zij:
'Hommo Tjabbens heeft namens de beide Oldambten geklaagd, dat de hofmeester van de overste Marten Schenk de ingezetenen van Noordbroek en Zuidbroek gisteren tegen de avond een mandaat gezonden heeft en terstond twee personen gevangen genomen heeft, een van Winschoten en de ander van Noordbroek, daartoe twee paarden met geweld meegenomen heeft en nog deze morgen door een van hen, namelijk die van Noordbroek, heeft laten aanzeggen, dat zij de gevorderde penningen aanstonds moeten verschaffen, of men zou weer ruiters inkwartieren, die zich zodanig zouden gedragen, dat het de ingezetenen nog twintig jaar heugen zou.
Het is daarom ons zeer vriendelijk verzoek om de onzen in hun uiterste nood bij onze heer stadhouder Rennerberg of overste Schenk voor te spreken, omdat zij als onderhorigen van deze stad de schattingen bereidwillig opgebracht en betaald hebben en zij door de komst der ruiters en door het opbrengen van de gevorderde penningen boven hun vermogen belast worden en daarom van de uiterste ellende en ruïne genadiglijk gevrijwaard mogen worden.'
Hoe groot de nood was bleek ook uit een bode om hulp, die Burgemeesters en Raad, taalmannen, gezworenen en bouwmeesters van de gilden van de Stad op 15 augustus 1580 aan Parma zonden:
'De vijand heeft al zijn macht van ruiters en knechten in West-Friesland bijeengebracht, ongeveer veertig vendels voetvolk en tweeduizend paarden, die plunderen, roven, brandschatten en verwoesten al wat er is. Daardoor heeft Zijne Majesteits krijgsvolk, eveneens in de omgeving van deze stad samengetrokken, ook zo geplunderd en geroofd, alsof zij ook onze ooenbare vijanden zijn.
De baanreheren van Billy zijn aan het muiten geslagen. De ruiters van overste Marten Schenk plegen eveneens overlast onder deksel van vier maand bezoldiging.
Geen der boeren kan met enig koren, boter, kaas, beesten of andere eetwaren ter markt komen zonder door Zijna Majesteits krijgsvolg geplunderd en geroofd te worden.
De vijand is met al zijn macht naar Drente opgerukt, afdorsende al het gewas van het veld en wat hij niet mee kan voeren, zowel op het veld als in de huizen, verbrandende, alsook de turf die nog op het veld staat; plunderende, rovende, brandschattende en onderdanen gevangen nemende van onze onderhorige jurisdictiën van het Oldambt en het Gorecht; de bewoners op ondraaglijke rantsoenen stellende en ten laatste verbrandende en verwoestende al wat er is.
Zodat het ons niet langer mogelijk is, deze oorlog tegen zovele provinciën der Nederlanden alleen te voeren, of tot iets van betaling en onderhoud van Zijne Majesteits krijgsvolk op te brengen, in het bijzonder zolang dit krijgsvolk, rondom deze stadspoorten liggende, de vijand niet vervolgen en de boeren beschutten en beschermen.'
In november 1581 heeft het Oldambt veel last gehad van Spaanse troepen. Er zijn toen vele vendels in Noordbroek en Zuidbroek geweest, die daar barbaars hebben huisgehouden. Zij vorderden inkwartiering en verspreidden grote schrik door hun roverijen, door schattingen op te leggen en door huizen in brand te steken. Met onwilligen werden korte metten gemaakt. Zo werden in Noordbroek drie mannen doodgeslagen en in Zuidbroek vier.

Op 30 augustus 1593 werden Noordbroek en Zuidbroek bevrijd door een groot leger onder commando van de edellieden Nienoord en Asinge Entens.

Het ligt voor de hand dat de dorpen in het gebied Broek veel meer geleden hebben de oorlog met Spanje dan beschreven is. Ook al omdat Zuidbroek op de route lag van Groningen over Slochteren, Wedde en Bourtange naar Lingen. En in Slochteren was een schans, in Wedde een burcht en bij Bourtange een smalle pas door de venen. Om die versterkte punten is herhaaldelijk hevig gevochten. Totdat Willem Lodewijk de Stad in 1594 definitief aan de kant van de Republiek bracht.

Toen het twaalfjarig bestand (1609-1621) ten einde liep moest men zich weer voorbereiden op de strijd. En de stad Groningen eiste van het Oldambt tienduizend daler voor de stadsfortificaties. Zij legde een belasting op. Voor elke schoorsteen moest een daler betaald worden. Als er een tichel- of bakoven op de schoorsteen was aangesloten, twee daler.

In de jaren die nu volgen kwamen hier in het noorden voortdurend stropende benden, huurlingen van de Spanjaarden. In februari 1624 deed de gouverneur van Lingen, in Spaanse dienst, een inval in het Oldambt. Noordbroek werd toen in brand gestoken, omdat men niet vlug genoeg aan de gestelde eisen voldeed. Het grootste gedeelte van het dorp brandde af. Wel kwamen enige compagnieën ruiters onder overste Stakenbroek het dorp verlossen en de plunderaars verjagen. Maar deze sleepten nog een grote buit aan vee en geld mee.

In 1608 hadden de boeren in het gehele Oldambt veel last van wolven en moest men een klopjacht organiseren om ze de baas te worden.

Dat onze voorouders ook wel over ver hun levensonderhoud zochten, blijkt uit het volgende. Omstreeks 1640 woonden in Noordbroek Jan Roelfs en Gebbe. Zij gingen naar Amsterdam en lieten zich aanmonsteren voor een tocht naar Oost-Indië. Dit hebben zij twee keer gedaan. In 1644 kwamen zij weer te Noordbroek om hun vroegere vrienden te bezoeken. Zij bleven daar echter niet, maar gingen weer naar Amsterdam voor een derde tocht naar Oost-Indië. Maar daarvan zijn zij nooit teruggekeerd. Dit stelde de rechtbank op 29 mei 1654 vast.

Tijdens de oorlog met Münster

In 1665 nam de bisschop van Munster, Christoph Bernard van Galen, samen met Engeland een vijandige houding aan tegen de Vrije Republiek van de Zeven Verenigde Gewesten. Op 14 september 1665 zond hij een trompetter naar Den Haag met eisen die gelijk stonden aan een oorlogsverklaring. Toen kwam Groningen in rep en roer. De poorten van de stad werden hersteld en er werden troepen naar de grens gezonden. Doedo Edzens van Noordbroek kreeg opdracht om zich met zijn compagnie te melden bij Oude Schans. Op 20 september gelukte het de Munstersen op twee plaatsen door de moerassen te komen: bij Ter Apel, waar de laagste gedeelten opgevuld werden met rijshout en bij Sellingen, waar een schaapherder hun de weg wees. De onzen wisten echter de voorhoede van de vijand bij Jipsinghuizen te verslaan. Inmiddels was ook een vijandelijk leger in Twente de grens overgestoken. Zestienduizend man trokken op naar het noorden over Meppel en Beilen. Verder over Assen, Zuidlaren en De Groeve naar Foxham. Daar werd op 7 oktober slag geleverd. Het was een hevig gevecht, maar de onzen konden het niet houden en de vijand had vrij baan over Martenshoek en Sappemeer naar Zuidbroek. Toen de toestand dreigend werd, was aan drost Alberti te Zuidbroek opdracht gegeven om het land geheel onder water te zetten. Huinge, de commandant te Oude Schans, moest hem met een gewapende macht bijstaan, als de landlieden zich mochten verzetten.
Over de ontmoeting met het Munsterse leger heeft A.J. Smith twee interessante artikelen geschreven en wel in de Groningse volksalmanakken van 1894 en 1903:In de nacht van 6 op 7 oktober begaven zich Daniël Huisman van Zuidbroek en mr. d'HAubrecourt van Noordbroek met hun manschappen naar de plaats waar de vijand door het Staatse leger werd opgehouden, naar Foxham. Hier namen zij deel aan het gevecht, dat in de morgen geleverd werd. Het gelukte hun drie ruiters van de Munstersen gevangen te nemen. toen echter, door overmacht gedwongen, de Groningse soldaten moesten terugtrekken, konden ook zij niet langer blijven.
d'Haubrecourt ging terug naar Noordbroek en het huis van Lammert Bakker passerende, vond hij daar reeds vele kerspellieden vergaderd. De mare van de nadering der Munstersen had hen hier doen samenkomen om mogelijk onheil af te wenden door sauvegarde van de Bisschop te vragen. Reeds was een verzoekschrift getekend en aan jhr. Hero Wijntjes en Phebo Freriks opgedragen, dit aan de Munsterse bevelhebber over te brengen. Toen echter d'Haubrecourt, die de Franse taal machtig was - hij was tevens advocaat - binnentrad, werd hij in plaats van Freriks gekozen.
Met jhr. Wijntjes en Jan Stikker begaf hij zich over Zuidbroek op weg naar Sappemeer, de aanrukkende vijand tegemoet. Tussen het huis van de famile Amsingh en de Zuidbroekster kerk, dus op de Heiligelaan, ontmoetten zij drie bisschoppelijke ruiters, aan wie zij hun verlangen kenbaar maakten. Zij kregen ten antwoord dat aan hun verzoek zou worden voldaan, indien jhr. Wijntjes als gijzelaar meeging naar de overste. Dit geschiedde.
d'Haubrecourt en Jan Stikker keerden eerst naar Noordbroek terug en gingen vandaar over het veen naar Sappemeer. Hier gaf de overste hun een kapiteinluitenant met twee gemene soldaten mee, die in het dorp werden gestationeerd om er voor te zorgen, dat het Munsterse volk de plaats niet plunderde.
Daniël Huisman ging van Foxham weer terug naar Zuidbroek. Voor hij in Zuidbroek was, ontmoette hij Harm Stikker, de vader van Jan, wonende in Zuidbroekster Uiterburen, met een paar andere lieden. Die verzochten hem om mee te gaan naar de Bisschop om sauvegarde te verkrijgen. Hij weigerde dit voorlopig.
Harm Stikker en de anderen keerden toen met hem terug naar Zuidbroek.
Dicht bij het dorp vonden zij Hendrik Sijsen en Jan Alberts. Dezen hadden zich verschanst achter een wagen, die zij dwars over de weg hadden gelegd om de ruiterij te keren. Vanachter deze wagenburcht hadden zij de vijandelijke voorposten tot driemaal toe teruggedreven. Bij het zien van deze zwakke verdediging liet Huisman zich ontvallen, dat het gemakkelijker was met de vinger tot de hemel te reiken dan aan de overmacht der aanrukkende troepen weerstand te bieden.
Beter was het sauvegarde te vragen. Sijsen dacht er anders over. Van sauvegarde wilde hij niets weten. Hij wist wat het was. Zijn grootvader had er bij de inval in het Oldambt grote schade bij geleden.
Intussen kwam de vijandelijke ruiterij in volle ren aan en Sijsen met zijn volk moest wijken. Zij reden naar Scheemda. Huisman en Stikker, die te voet waren, liepen in allerijl naar Zuidbroek, maar werden spoedig ingehaald. Bij het his van Huisman kreeg Stikker een pistoolkogel in de rug, die hem dood deed neervallen. Huisman ontkwam hetzelfde lot doordat het pistool van een der ruiters verzegde en de kapitein-luitenant tussenbeide kwam voor een tweede aanslag werd gedaan. Hij werd met zijn huisvrouw en zijn broer gevangen genomen, aan een paard gebonden en meegevoerd. Nadat sauvegarde voor Zuidbroek was gevraagd, stelde men hem weer op vrije voeten.
De volgende morgen, de achtste oktober, trokken de Munstersen verder. Toen kwam hun tegemoet Hindrik Hopster, die sauvegarde verzocht voor de ingezetenen van Westerlee en Heiligerlee. Met de verkregen sauvegardes reed hij voor het leger aan en voerde het, daar de brug bij de Eexterkerk afgebroken was, over de verlaten naar Scheemda. Het hoofdleger vertrok vandaar door naar Winschoten, terwijl de Winschoter zijl en de schans De Hogebrug werden veroverd.
Ook Beerta werd veroverd. De vijand was nu meester van het gehele Oldambt. De missives drukken het zo uit: 'De vijand neemt alhier en speciaal in het Oldambt de vrijheid naar zijn eigen appetijt te grasseren en de ingezetenen van al het hunne te beroven.'
Winschoten werd het hoofdkwartier van de vijand. Toen het legerzich gevestigd had, kwamen de overige kerspels van het Oldambten Westerwolde sauvergarde verzoeken, namelijk de 9e oktober. De opperbevelhebber deed zoveel in zijn macht was om plundering te voorkomen. Zodra sauvegarde gevraagd was en verkregen, hadden de bewoners der kerspels het recht, tegen een zeker rantsoen (losprijs) de hun onttrokken koeien, paarden, enzovoort uit het leger terug te halen. Drie notabelen van Noordbroek, onder wie de kerkvoogd Phebo Freriks, trokken reeds de 9e naar Winschoten om vier paarden te zoeken. De overste d'Osserey ontving hen vriendelijk. De vermiste paarden werden gevonden. Voor elk der vier paarden moest echter een losprijs van drie rijksdaalder worden betaald.
Inmiddels versterkte de stad Groningen zich. Het Munsterse leger zwermde zuidwaarts naar Ter Apel om zich te verenigen met de troepen aan de overkant, die onder bevel van Gorgas daar wachtten tot zij de grenzen konden overschrijden. in onbegrijpelijk korte tijd werd van de Eems naar Ter Apel door de venen een brug gelegd door enige duizenden boeren, die uit de omtrek bijeengejaagd waen. De brug werd aangelegd uit afbraak van huizen en aarde. Een gedeelte van de Munsterse troepen trok zo naar Ter Apel, een ander deel viel Bourtange van de oostkant aan, het beschietend met gloeiende kogels.
Het weer begon te veranderen. Het water, van de zeezijde binnenstromend, bedekte heinde en ver het land, verhinderde Gorgas van het zuiden uit verder door te dringen en dwong d'Osserey zich in zijn kwartier te beperken. Johan Maurits, graaf van Nassau, die door de Staten-Generaal belast was met de algemene verdediging, was intussen over Harlingen en Groningen het toneel van de strijd genaderd. Op 14 oktober kwam hij in de Stad, waar besloten werd dat het leger van de Stad zich eerst zou ingraven te Scheemda. Pioniers werden met schoppen en ander gereedschap vooruitgezonden. Het leger van Johan Maurits trok op 15 oktober naar Scheemda, terwijl hij zelf met zijn hoge officieren des zondagsmiddags voorlopig zijn kwartier nam te Zuidbroek. Een geregeld gevecht kon nauwelijks worden geleverd; men zat rondom in het water.
De stand van de legers was als volgt. De Munstersen hadden bezet Winschoten, Heiligerlee, Beerta, Wedde en Westerwolde. De soldaten van het Staatse leger hadden zich verschanst bij Scheemda en Meeden, terwijl bij Zuidbroek en Noordbroek het paardevolk lag. Dit kon trouwens geen dienst doen, want de weg tussen Zuidbroek en Scheemda was onbruikbaar vanwege het hoge water.
Het streven van de opperbevelhebber van de Staatse troepen was niet om de strijd aan te binden met de overmachtige vijand. Daartoe had hij geen volk genoeg. Maar hij wilde alle aanvoer van levensmiddelen beletten, totdat de vijanden vanzelf genoodzaakt waren om het gewonnen terrein te verlaten.
Intussen werden alle lieden aangenomen die vrijwillig van de Bisschop overliepen. Voor het eerst wordt hier melding van gemaakt in de brieven van 18 oktober.
Werkeloos was men intussen niet geheel. Vooreerst moesten de drie windmolens van Winschoten uitgeschakeld worden; twee werden volkomen vernield, terwijl de derde nagenoeg onbruikbaar werd gemaakt. De korenmolen te Beerta baarde meer moeite. Hij stond niet ver van de oude Tiddingaborg, die bezet was met een geheel regiment (vierhonderd man) Munsterse troepen. Vele expedities werden er op afgezonden, totdat eindelijk kapitein Prot met tweehonderd vuurroeden de molen in brand stak en volkomen verwoestte. Enige tijd later werd vernomen, dat er te Beerta nog twee rosmolens waren. Door kapitein Ham met een partij musketiers werden ook deze vernield en de stenen stuk geslagen. Bovendien werden nog de molens te Finsterwolde, Westerlee, Heiligerlee en Pekela onbruikbaar gemaakt.
Terwijl de vijand dus in de maag werd aangetast en het zout begon te ontbreken, werd de toestand langzamerhand bezwaarlijk. d'Osserey kreeg het in Winschoten ongetwijfeld benauwd. Maar ook voor kolonel Askin, de commandant van de Staatse troepen in het Oldambt, werd het moeilijker. Op 20 november was in zijn leger te Scheemda grote behoefte aan schoenen, kousen en jassen.
In het Munsterse leger werd het steeds erger. Volgens overlopers heerste er onder de troepen in Winschoten de pest. Aan begraven was niet te denken. De dode paarden en mensen werden in kelders geworpen, de levenden die tegen de hoofdlieden murmureerden, hing men op.
Intussen trachtte Gorgas een weg te banen door de lage landen van Westerwolde naar Winschoten. Maar rijshout en balken dreven weg in de golven. Toch gelukte het hem met zeshonderd soldaten Winschoten te bereiken door tot het lijf toe door het water te waden.
Patrouilles van kolonel Askin pakten nu en dan enige landlopers, die hun slag dachten te slaan in deze gewapende vrede. Sommige waren uit de legers gedeserteerd en begonnen dan op eigen houtje te roven en te plunderen. Zo ving men te Pekela vijf van zulke plunderaars, een luitenant, drie gewone soldaten en een boer van Heiligerlee. De luitenant, een soldaat en de boer werden doodgeschoten. De soldaten kapten van de boer de rechterhand af, leverden die hand in bij de gecommitteerden te velde en ontvingen daarvoor een premie van honderd gulden.'

Inmiddels probeerden onze troepen om spionnen en verraders op te sporen. Zo werd een boerenknecht opgehangen aan de galg die bij het leger was opgericht. Hij had op de pijnbank bekend, dat hij reeds voor de inval in briefwisseling had gestaan met de Bisschop en dat hij bij de inval tot gids had gediend. Ook werd een begin gemaakt met het onderzoek van de personen die sauvegarde hadden gevraagd. Op de vierde november werd door Johan Maurits te Scheemda krijgsraad belegd. Vijf ingezetenen van Noordbroek en Zuidbroek werden zwaar geboeid voorgeleid, te weten Daniël Huisman, d'Haubrecourt, Jhr. Wijntjes, Willen Fockens en JAn Stikker. Het vonnis luidde: de gemeenten worden veroordeeld tot het opbrengen van vijfduizend gulden binnen de tijd van vierentwintig uur. Een afdeling soldaten begaf zich naar de veroordeelde dorpen, haalde daar vele goederen weg en nam enige personen gevangen.

Intussen begon het er steeds slechter uit te zien in de vijandelijke kwartieren. In het vijandelijke leger te Winschoten en Heiligerlee stierven meer dan duizend man. Op 13 november begonnen de Munstersen af te trekken uit Winschoten en op 8 januari 1666 ontruimden zij het kasteel te Wedde. Het strijdtoneel werd toen overgebracht op Munsters gebied en de Bisschop was genoodzaakt op 9 april 1666 vrede te sluiten, temeer omdat hij geen geld meer van Engeland kreeg.

In 1666 overleden veel mensen in het gebied aan de pestilentie: in Noordbroek 716 en in Zuidbroek 736.

Zes jaar later begon het weer te spannen met Munster. In januari 1672 begon de Stad zich op de strijd voor te bereiden. leningen werden uitgeschreven, belastingen verhoogd, elke tiende man moest zich beschikbaar stellen en vele lage landen werden onder water gezet, ook in het Oldambt. Toen wreekte zich de gespannen verhouding van het Oldambt met de stad Groningen. Zeven jaar geleden was een zekere Willem Fockens zwaar geboeid voor de krijgsraad geleid, omdat hij sauvegarde had gevraagd van de bisschop. Nu ging Luwert Fockens nog verder. Op 1 mei 1672 sloot hij een overeenkomst met die Bisschop, zogenaamd als volmacht van de Oldambten. Die overeenkomst hield in:
1. De Oldambten keren tot het Duitse rijk terug, gedwongen door de onderdrukking, onrechtmatigheden en tirannie van de Stad.
2. Zij kiezen de bisschop van Munster als hun vorst.
3. Deze zal de ingezetenen beschermen tegen het geweld van Groningen.
4. De ingezetenen zullen blijven bij de gereformeerde religie en zij zullen hun predikanten mogen kiezen.
5. De ingezetenen zullen de inkomsten van hun geestelijke goederen behouden.
6. De Bisschop krijgt per jaar twintigduizend rijksdaalder en zal geen andere schatting opleggen.
7. Zijn vertegenwoordiger zal zijn Johan Schulenborgh, de geheime raad van de Bisschop, aan wie de heerlijkheid Zuidbroek met de borg wordt toegewezen en die jaarlijks tweeduizend rijksdaalder zal ontvangen.
Deze daad heeft Luwert Fockens het leven gekost. Hij werd op 10 juli in de Stad veroordeeld en onthoofd.

De Munstersen veroverden op 5 juli de Oude en de Nieuwe Schans, Winschoten en Wedde en op 11 juli Coevorden. Op 22 juli werd het beleg voor Groningen geslagen, dat zich onder Rabenhaupt dapper verdedigde. Op 28 augustus was Groningen weer vrij rn op 8 september Winschoten.
In de oorlogsmaanden juli en augustus hebben Noordbroek en Zuidbroek ook te lijden gehad, het meest van de overstromingen, die zich hier uitstrekten va Delfzijl tot Meeden.

Wegens de onheilen van de oorlog en het inlaten van de zoute wateren kregen Noord- en Zuidbroek voor het onder water gezette buitenland twee verpondingen van het jaar 1672 terug en later nog een verponding van het jaar 1673.

In de jaren 1744 tot 1759 was het heel erg met de veepest. Ongeveer tweederde van alle vee stierf er aan. En twintig jaar in 1779 later heerste er nog eens weer een hevige epidemie.

Middelen van bestaan I

Naast de landbouw zijn er ook andere middelen van bestaan geweest in onze beide dorpen. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben vele inwoners van Noordbroek en Zuidbroek geprofiteerd van het graven en verkopen van turf. In die tijd waren hier ook steenbakkerijen. Het is bekend, dat er twee gestaan hebben aan de oostzijde van de Kerkstraat. Dat was een geschikte plaats: aan de oostkant vond men klei en aan de westkant turf. Ook hebben hier kalkovens gestaan. Bekend zijn de kalkoven aan het Noordbroeksterdiep, die op het Nuunderstuk in het Westeind en die bij de Hondelaan op het land van de familie Pathuis. Turf was bij de hand en schelpen, nuunders, werden aangevoerd. De kalk werd gebruikt voor metselen of voor grondverbetering.
In de zeventiende eeuw kwamen o.a. nog de volgende beroepen voor in Noordbroek:

in 1629 woonde daar de glazenmaker Jacob Janszoon;
in 1635 de pottenmaker Abel Claesen;
in 1645 de snider Harmen Roelfs;
ook in 1645 de leerbereider Jan Alberts;
in 1661 de hoedenmaker Hindrik Oort;
In 1678 de brouwer Tammo Clingh (hij nam over van zijn voorganger: het brouwgereedschap, de brouwketel, cuipen, vaten, tonnen, moldt en hoppe en nog torff in de schuijre);
In 1682 de chirurgijn Egbertus Tiddens.

De eerste volledige gegevens over de beroepen dateren uit de tijd van Napoleon.

Toen waren er in Noordbroek: 7 schoenmakers en 3 knechten, 13 kleermakers en 4 knechten, 3 smeden en 4 knechten, 3 stelmakers en 1 knecht, 5 broodbakkers en 2 knechten, 2 kuipers en 1 knecht, 3 knoopmakers, 3 naaisters, 1 zilversmid en 2 knechten, 27 kooplieden, 2 wolkammers, 7 wevers en 5 knechten, 2 ververs en 2 knechten, 1 molenmaker en 1 knecht, 11 timmerlieden, 4 kasteleins, 1 tapper, 4 vleeshouwers,
1 grutter, 1 bierbrouwer, 1 koperslager, 1 horlogemaker, 1 molenaar, 3 schoolmeesters, 1 vroedvrouw, 1
touwslager, 1 kerspeldienaar, 2 predikanten, 1 weekbode en 1 ontvanger van belastingen.

Over verschillende beroepen kunnen wij nog enige bijzonderheden meedelen. De schoenmakers looiden
toen zelf nog huiden voor eigen gebruik. De stelmakers maakten wagens voor de boeren, De kuipers
maakten vaten voor boter. De wolkammers kamden de ruwe wol voor deze gesponnen werd. De wevers
weefden de garens van vlas of schapewol. Zij berekenden toen per el voor linnen twee tot vier stuivers
en voor wollen vijfschacht zes tot negen stuivers, naar gelang fijn of grof werk verlangd werd. De grutter
brak in zijn molen boekweit en gerst. De bierbrouwer brouwde bier uit de hop, die hij van de boeren
kreeg. De koperslager maakte koperen gebruiksvoorwerpen. De touwslager kreeg hennep van de boer en
hij sloeg er touw van voor anderhalve stuiver per pond.

In Zuidbroek waren in 1815: 2 smeden en 1 knecht, 1 stelmakersknecht, 7 timmerlieden, 1 verver-
glazenmaker, 2 kuipers, 4 schoenmakers en 2 knechten, 1 molenaar en 2 knechten, 1 leerlooier, 1 tuinier,
8 kleermakers en 1 knecht, 3 wevers en 2 knechten, 5 zeelieden, 2 kasteleins en 2 knechten, 1 brouwer,
3 schippers, 1 horlogemaker, 1 barbier, 1 vleeshouwer, 1 grutter, 1 scheepjager, 1 advocaat, 1 notaris, 2
deurwaarders, 1 arts, 1 regulateur, 1 ontvanger en 1 predikant.

De Franse Tijd

In ons land werden in 1795 de Franse soldaten met gejuich ingehaald door de patriotten. De prinsgezinden van de Spiegel en Bentinck werden gerarresteerd, maar tot de valbijl kwam het niet. Het was al in de tijd van de aarzeling.

Toch waren de ideeën nog niet overal gekoeld. Op vele plaatsen werd nog een vrijheidsboom opgericht, versierd met linten en een hoed in de top en met allerlei opschriften in verband met de vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zo'n vrijheidsboom heeft er ook te Zuidbroek gestaan bij het begin van de Kerkstraat, tussen hotel Buining en de wagenmakerij van Atzema. Ook werd te Zuidbroek een comité révolutionaire opgericht, waarvan een tijdlang een zekere A. Ogterop secretaris van is geweest, die later ook senator genoemd werd van het eerste gemeentebestuur.
En wie hebben die vrijheidsboom hier opgezet en wie hebben dat comité révolutinaire opgericht? Kasteelheren waren hier niet. Van uitbuiting van de gewone man lezen wij nergens. De vrijheidsboom is hier gepoot door mensen die gestudeerd hadden en die de ideeën van Voltaire, Rousseau en Montesquieu hadden ingedronken. Die noemden zich patriotten en waren Fransgezind. De gewone man wilde daar niets van weten.
En het inhalen van de Fransen heeft betekend, dat onze voorouders alle ellende met Frankrijk hebben moeten delen, toenemende armoede en een ondragelijke dictatuur. Die werd het ergst toen Napoleon hier keizer was, in de jaren 1810 tot 1813.

In november 1813 werd ons land bevrijd door de anti-Franse coalitie. Op 15 november waren de Kozakken hier. Vanuit Winschoten werden de eerste contacten met de geallieerden gemaakt. Op 23 mei 1814 viel Delfzijl als laatste Franse bolwerk in ons land.

Van Noordbroek en Zuidbroek kwam van de soldaten die gedwongen voor het Franse leger mee moesten vechten niet iedereen terug. Op 7 maart 1815 berichtte de schout van Zuidbroek aan de gouverneur van de provincie, dat van de vermisten en veronderstelde krijgsgevangenen niemand teruggekomen was.

Wat was er nu terechtgekomen van de fraaie leuzen van de revolutie? Niets. Het omgekeerde kwam van wat beloofd was. In plaats van vrijheid een ongekende slavernij; honderdduizenden werden op hardhandige wijze naar de slagveldn gedreven om andere mensen te vermoorden. In plaats van gelijkheid een grote ongelijkheid in rijkdom en in macht. In plaats van broederschap werden de volken tegen elkaar opgejaagd; de grond heeft massa's mensenbloed moeten inzuigen bij de valbijl en op de slagvelden.

De patriotten juichten de Fransen niet meer toe. In 1795 haalde de gewezen drost de Sitter de Fransen in, maar achttien jaar later bood mevrouw de Sitter het geweer van haar overleden man aan op de Fransen weer te verdrijven. De patriotten wilden graag vergeten, dat zij de Franse ideeën en de Franse soldaten hadden ingehaald. laten wij uit deze geschiedenis leren en het onze kinderen inprenten: stel geen vertrouwen in profeten die hier een paradijs beloven, en, haal nooit vreemde soldaten in.

Grote verliezer van de Bataafs-Franse tijd was de stad Groningen. De opheffing van de stedelijke jurisdicties en de afschaffing van de stedelijke voorrechten in de Ommelanden maakten een einde aan haar unieke positie van 'stadsstaat'.

Zie het artikel Franse Tijd voor een vollediger verslag van deze periode.

1828

Over de leefwijze van onze voorouders kunnen wij ook iets meedelen. In 1828 waren er twee scholen te
Noordbroek. De hoofden van die scholen heetten Joh. Smid en A.J. de Vries. Zij hebben opgeschreven, hoe men toen leefde te Noordbroek.
Des zomers staan de boeren hier des morgens te half vier, vier uur op; de burgerij te vijf, zes uur. 's Winters wordt het met beide standen een groot uur later.
Onder de boeren en ook onder de voorname burgers drinken vader en moeder bij het opstaan een kop koffij. De tijd van ontbijten is bij de burgerij te zeven, acht uur; onder de boerenstand des zomers te vijf, zes, des winters ook te zeven, acht uur. De burgerij ontbijt met een boterham en een kop koffij; de boerenstand met brij (een dunne pap bestaande uit garsten gort en karnemelk, onder elkaar gekookt) en daar ingelijks boterhams bij. Twaalf uur is de tijd van het middagmaal; die op enige afstand van het huis op het veld zijn te werken, wordt aldaar het eten gebracht.
Men spijst met een enkele schotel, bestaande uit tuinvruchten met een stuk spek of soms een stukje vlees. De boerenstand heeft des zomers boven deze schotel telkens nog een koude melksoep (keel van melk) en brood met melk er op. De meest gewone middagspijzen zijn: wortels, knollen of rapen, appels, kool, erwtensoep, alles tot op een derde of kleine helft met kleingesneden aardappelen doormengd; staak- en stambonen, waalse of grote bonen, paardebonen, erwten, boerenkool, aardappelen, pannekoek en gort. Na het middageten heeft het boerenvolk een uur schoft (rusttijd). Te drie uur drinkt men een kopje thee: die op het veld zijn hebben, zoals straks reeds gezegd is, thee of dun bier met zich. Buiten het zwelen (hooi in oppers of hopen maken), hooi en koren inhalen, raapzaad en boekweit dorsen is het bij de boeren te zes uur holdert (gedaan werk) en dan gebruikt men ook dadelijk het avondeten. Te negen uur gaat men naar bed.
De burgerij eet 's avonds te zeven uur en gaat te tien uur naar bed. Het avondeten bestaat bij de boer uit brij en boterhams, vooraf gegaan door het overgehouden middageten van de vorige dag. Bij de burgerij wordt de brij veelal vervangen door de koffij. Sommigen, zowel burgers als boeren, drinken te negen uur, halftien nog een kopje koffij, doch dit is niet algemeen.
De kledertooi is hier naar de welgesteldheid der inwoners niet zeer overdreven. De gouden hoofd- en halssieraden der vrouwen mocht men misschien hiervan uitzonderen; deze (oorijzers, spelden, oorringen, kettingen) bedragen de waarde van twee- of vierhonderd gulden. Men heeft daagse en zondaagse klederen. De verdienste der daagse klederen is, dat zij heel, schoon en naar het jaargetijde geschikt zijn. In de zondaagse klederen wordt ook fraaiheid gevonden. Genoegzaam alle mannen dragen het gehele jaar door wollen kleding, vijfschacht of laken, ook
enig manchester, nanking of bontgoed. De vrouwen dragen des zomers katoen en des winters vijfschacht. Het gebruik dezer laatste stoffen vermindert echter zeer, hetzij door de goedkoopheid der katoen, hetzij door de beklagelijke stilstand der spinnewielen, die men bijna nergens meer in een zogenaamd fatsoenlijk huis te zien krijgt. leder meisje van enige betekenis leert breien, linnen en zelfs wollen naaien, maar het krassend gesnor (niet het zacht gegons genoemd) is voor de verfijnde oren onzer vrouwen en dochters volstrekt onverdragelijk.
De heer J.C. Gockinga, die gaarne het voorbeeld geeft in alles wat goed, edel en billijk is, liet voor enige jaren zijn eigen dochters het spinnen leren. Doch de dochters mochten zo aanzienlijk zijn als zij wilden, Mijnheer mocht voorzitter van de rechtbank te Groningen, lid van één der Kamers zijn, andere titels en waardigheden hebben, te vergeefs. Het voorbeeld was niet krachtig genoeg. De boerinnen verwonderen zich, maar volgden niet. En het staat te vrezen, dat zij nimmer weder zullen spinnen, tenzij er buitengewone en langdurige goedkoopte in koren en zuivel ontsta, of dat de Koningin en de Princessen zelf haar weder voorspinnnen.


In hetzelfde jaar 1828 heeft het hoofd van de school te Zuidbroek ook een verslag opgesteld van de leefwijze daar. In hoofdzaak komt het met dat van Noordbroek overeen. Maar enkele bijzonderheden zijn nog vermeldenswaard.
Aan het diep vindt men de meeste uiterlijke wellevendheid onder de burgerij, veroorzaakt misschien door de meerdere gemeenschap, die de bewoners met reizende lieden uit andere oorden hebben.
De gegoede ingezetenen hebben de gewoonte elkander dikmaals, vooral in de winter, te bezoeken. Dit geschiedt doorgaans des avonds van zeven tot tien uur en deze bezoeken worden hier ook onder de vermaken en uitspanningen gerekend. Deze bezoeken (visites) zijn hier vrij onkostbaar. Men drinkt een kopje koffij en bij het scheiden gebruiken de mannen nog een enkel glaasje genever en de vrouwen een klein glaasje brandewijn. Bij de allervoornaamsten en dezulken die zeer zelden bij elkander komen, drinkt men in plaats van koffij wel eens een kopje chocolade.

De uitspanningen en vermakelijkheden, die men behalve de avondpraatjes geniet, bestaan in het bezoeken en ontvangen van familie, het doen van een tourtje met een of ander rijtuig, het bijwonen van een harddraverij, het bezoeken van de kermis, het bijwonen van een uitmijning of andere openbare verkoping en in de winter het schaatsen, waar Amor niet mankeert, zodra er slechts een enkele witte muts fladdert.

De genoemde schoolhoofden van Noordbroek hebben ook een beschrijving gegeven van het feest dat gevierd werd na het koolzaad dorsen.
Het raapzaad dorsen moeten wij niet overslaan. Op dit bij ons genoegzaam enigst overgebleven landmansfeest moet alles wat in het dorp armen heeft en arbeiden kan en wil, de boer bijstaan.
Zodra des morgens de dauw is opgetrokken, rijdt men met wagens naar het veld. Daar wordt het grote raapzeil uitgelegd, de paarden, die het zaad er uit moeten treden, klaar gemaakt en de twee of vier dragers, die het zaad om te dorsen in draagzeilen halen, beginnen hun werk. Zodra er een kleed vol op het zeil is, komen de paarden daarin en nu moet ieder op zijn plaats. De boer heeft het opzicht en het bestuur over het gehele leger. (Zo wordt deze bende van 25, 30 man genoemd).
Men draagt, men schudt, men harkt, men veegt, men praat, men scherts, men lacht, men roept en schreeuwt en moedigt elkander aan. 's Middags zet het leger zich in een bonte groep neder. De aarde is hun tafel; een houten bordje, een eind plank, een pot of akerdeksel of ook de grond zelf dient tot tafelbord. Men roept de hemel, die als op hen terneder lacht, in een stil gebed aan, en nu eet men pannekoek, met en zonder spek, ook wel met krenten en melk en beschuit en wie het verkiest eet boterhammen na. Na het eten dankt men met een vreugde en tevredenheid zwellend hart de goede Vader der blijde natuur in een stille gemoedsverheffing en gaat na enige ogenblikken rusten weer even luidruchtig aan het werk. De boer loopt gedurig met bier en jenever rond om de van hitte en stof bijna stikkende dorsers in de weer te houden. Eén- of tweemaal wordt er 's middags een kwartier of een half uur gerust. Men drinkt eens gezamelijk een paarkeren rond, de rokers steken een korte pijp op en men gaat weder aan het werk als wolven op de prooi. Het gejoel, het geroep en het geschreeuw wordt niet minder. De eenvoudige scherts vliegt luidschaterend rond. Eindelijk komen de dragers met het laatste kleed vol en nu barst alles in een daverend gejuich uit. De dragers, die men om hun zwaarder werk als de helden van het terrein beschouwt, werpen nu hun draagzeilen neder en bekommeren zich over niets meer. Veel zaad is er in de namiddag reeds naar huis gevoerd. Hetgeen nog in het zeil is, wordt in zakken en op de wagen gemaakt. Het gereedschap wordt geborgen, het leger pakt zich insgelijks op de wagens, de trein keert luid zingend en juichend huiswaarts en de vlammen van het in brand gestoken stro der legerplaatsen flikkeren in de lucht. Te huis vindt men een uitmuntende dis bereid. Er is een vet kalf of lam geslacht, waarvan een overheerlijke soep gekookt is. Verder heeft men gort met pruimen of rijst met rozijnen, gedroogde appelen of iets anders, een berg van spek en vlees, brood en beschuit en stoet en bier en alles wat een hongerige maag kan doen jubelen. Doch voor men zich daaraan kan nedervlijen om de vermoeidheid der leden te vergeten, moet het oude gebruik in ere gehouden worden. De jongelingschap wil walen. Men roept en schreeuwt om de dragers, die als de voornaamste mannen hierin de eerste moeten zijn. Doch deze zijn buiten in de hof reeds aan de gang. Zij hadden bij hun thuiskomst bloemen en groente in de emmers met waswater gevonden en dit is een uitdaging van de kant der boerenschonen, die nooit zonder gevolg is. Nu stormt alles weer naar buiten. ledere flinke knaap grijpt nu een meid of dochter of vrouw om de middel, werpt zich met haar op de grond, wentelt zo enige keren met haar rond, geeft haar een kus, drinkt een glas jenever of bier met haar, dat de omstanders verplicht zijn hem te reiken, kust haar nog eens en zet haar weer op de benen. Nu neemt men een andere en dit gaat zo voort tot al de schonen gewaald zijn van elk die dit wenst of van ieder die zij wensen. Hij die met geweld niet walen wil, of de hoed op heeft als een ander waalt, wordt gehoogwipt. Dat is: men slaat een haarspit in de grond en pakt de onwillige bij armen en benen en laat hem herhaalde keren daarop met de zit of stuit neervallen. Dat het walen meer of minder gezwind afgedaan wordt en de kussen meer of minder hartelijk gegeven, ontvangen en teruggegeven worden, spreekt vanzelf. Heeft deze of gene jongeling zich op een of andere wijze aan het walen onttrokken en staat dit de meisjes niet aan, dan vindt hij aan tafel wel eens haver onder zijn bord en dit houdt men voor een grote schande. Is er een kwade feeks van een meid, die de jongens al te veel gekweld heeft of op wie men anders fel gebeten is, dan komt er wel eens een rappe gast, die haar aangrijpt en haar als bij ongeluk met zich door brandnetels of ook wel in een sloot of gracht wentelt. Aan tafel eet en drinkt men vervolgens eens recht goed zijn genoegen, rookt nog een weinig uiteen lange pijp en gaat te negen uur, halftien daarmee naar huis. Aan het maaien en zwelen placht men voorheen ook enige feestelijkheden te verbinden. Het rechtvan walen laten de maaiers en zweters zich nog niet geheel ontglippen. Ook hebben zij doorgaanslekkerder eten. Doch voor het overige worden deze werkzaamheden meer met andere gelijkgesteld.
Het gebeurde in oude tijden vaak, dat iemand op zijn land vee van een ander aantrof. Daarvoor waren
verschillende oorzaken: de afrastering was nog niet zo goed, er waren gemeenschappelijke weiden en het is tot 1818 nog gebruikelijk geweest, dat het vee bij de wegen mocht weiden. De gebruiker van de grond, die een dier op zijn land aantrof, kon dit naar een daarvoor aangewezen stal brengen. De zogenaamde schutstal. In 1728 maakten Burgemeesters en Raad van Groningen daarvoor een reglement, dat ook voor Noord- en Zuidbroek gold. De eigenaren van het vee konden hun dieren pas terugkrijgen na betaling van een zogenaamd schutgeld.

De landbouw I

In 1815 vonden in Noordbroek 60 landbouwers, 57 boerenknechten en 131 dagloners hun bestaan in de landbouw, in Zuidbroek 41 landbouwers, 29 boerenknechten en 61 dagloners.

Het beroep van de landman heeft voor een buitenstaander veel aantrekkelijks. Toch heeft hij vele tegenspelers, die hem een goede oogst en goede prijzen afhandig kunnen maken. Het water is al genoemd. In dit hoofdstukje geven we ook een overzicht van andere vijanden die het leven van de boer zuur kunnen maken. Naast het bestrijden van deze belagers van een goede oogst en prijsopbrengst heeft onze landman ook spoedig de noodzaak gevoeld om de door de natuur geboden mogelijkheden uit te buiten door rasverbetering, grondverbetering en door het verbouwen van andere en betere gewassen. Ook deze geven wij hieronder weer.

In 1809 had men hier last van schapenpokken. De schapen die er aan doodgingen, werden met huid en wol vier voet diep in de grond begraven.

In 1816 besloot de Gemeenteraad van Noordbroek om zich te bemoeien met het fokken van koeien. Er werden twee gekeurde stieren aangewezen. De ene stond ter dekking bij Edze E. Edzes en de andere bij H.A. van Delden.

In 1817 had men te Noordbroek last van schadelijk gevogelte. De ingezetenen moesten de nesten verstoren en elke landgebruiker was verplicht, voor de 25e maart 1818 voor iedere deimt teelland twee dode mussen in te leveren bij de schout.

In 1818 maakte de schout van Noordbroek bekend, dat geen hengst mocht worden gebruikt voor het dekken van merriën, tenzij die door de keurmeester van het departement was goedgekeurd.

In 1822 was er een muizenplaag te Noordbroek. Voor iedere honderd muizen die men op het gemeentehuis inleverde, kreeg men een kwartje.

Te Zuidbroek werd in 1825 een verordening vastgesteld over het aanhouden van gemeenschappelijke stieren tot voortteling van het beste ras. ledere landgebruiker was verplicht op zijn beurt een stier te houden. Wie aan de beurt was, moest zich voor de vijftiende november van een goede stier voorzien, welke in geen geval van rood of wit haar mocht zijn. De stier moest op zodanige wijze worden behandeld en gevoed als ten meeste nutte ter voortteling van het beste plaatselijke ras kon verstrekken. De stier moest door de Commissie van de Landbouw worden gekeurd en gebrand. Dekgeld vijf en twintig centen.

In 1829 was het de rups, die veel schade berokkende aan erwten, bonen en andere veldvruchten onder Zuidbroek. De burgemeester verzocht om opgaaf van de geleden schade.

Wat grondverbetering betreft, moet iets vermeld worden over woelen. Het woelen of kleidelven bestond in het naar boven halen van de lagere kalkrijke klei. Die werd dan vermengd met de bovengrond, waardoor deze meer doorlatend en meer vruchtbaar werd. In 1835 paste Wijpko Friedriks Grüben, landbouwer te Noordbroeksterhamrik, het woelen voor het eerst toe. En toen het goede resultaat bleek, werd hij door anderen gevolgd.

In 1836 moest te Noordbroek een verordening worden vastgesteld op het voorkomen van schurft onder schapen. Een commissie van vier personen plus de veldwachter gingen rond om alle schapen te keuren. Een schaap dat besmet was, kreeg een blauwe streep in de nek.

In 1839 werd door de Raad van Noordbroek een commissie benoemd belast met toezicht op het rundvee. Tot leden van die commissie werden aangewezen: Fokko J. Huisman, Harm H. van Delden, Sibolt E. Buitendam en Harm L. Kroon.

Moutwijnfabriek 1839-1845

In 1839 heeft Jhr. Edzard Jakob Lewe van Nijenstein samen met de heren Buringh en van der Haer te Zuidbroek een moutwijnfabriek opgericht bij de Pijp over het Winschoterdiep. In die fabriek werd moutwijn van aardappelen gefabriceerd. De afvalstoffen werden gebruikt als veevoer; aan de fabriek was dan ook een stierenmesterij vebonden. Een tijdlang werden driehonderd dieren gemest!
In 1845 kreeg de fabriek een klap door de aardappelziekte. Ook het overlijden van twee der ondernemers, zorgeloosheid en tweedracht veroorzaakten aanzienlijke verliezen. Een en ander noopte tot sluiting der fabriek. Alles werd verkochten afgebroken. Jhr. Lewe van Nijenstein woonde aan het Winschoterdiep in het herenhuis waar later burgemeester Talma Stheeman in gewoond heeft. Hij overleed te Zuidbroek in 1861.

Landbouw 1845-1866

In 1845 was de aardappelziekte zo erg, dat de burgemeester van Noordbroek moest schrijven: de aardappeloogst is mislukt.

Men begon nu ook aan grondverbetering middels draineren. Het draineren bestond uit het leggen van aarden buizen in de ondergrond. Daardoor stroomde dan het overtollige water af. C.J. Geertsema, landbouwer te Zuidbroek, begon er in 1851 al mee. Hij was de eerste in deze streken.

In 1854 en 1855 waren er weer andere dieren, die het bestaan van de landman bedreigen. Te Noordbroek werden in die beide jaren 850 wezels gevangen, 37 bunzings, 11 valken en 3 sperwers. Een paar jaar later moesten vergunningen worden afgegeven op het schieten van wilde ganzen.
Voor de verkoop van paarden, koeien, schapen en varkens stelde de Gemeenteraad van Zuidbroek in 1831
een markt in. Het vee werd geplaatst in de Kerkstraat, te beginnen bij het Winschoterdiep en verderop de kramen en tenten. In 1844 kwamen er nog twee markten bij. Het werd toen een veemarkt in mei, een paardenmarkt op de laatste woensdag van juni en een veemarkt in september. Het marktgeld bedroeg voor een paard of rund tien cent en voor een schaap of varken twee cent. Dit zijn drukbezochte markten geweest. In 1867 werden op de juni-markt aangevoerd 401 paarden en 151 varkens en op de septembermarkt 453 koeien en 121 varkens. Later werden die markten verplaatst naar de Spoorstraat en de Stationsstraat en nog later naar het Sportterrein. Geleidelijk werd de belangstelling kleiner en na Wereldoorlog Il werd de laatste markt opgeheven.

In 1852 besloot de Raad van Noordbroek om een jaarlijkse veemarkt te houden in Augustus. De kramen, stallen, enz. kregen een plaats op de Molenberg en het vee werd langs de weg geschaard. Het marktgeld, ook wel stedegeld genoemd, werd gelijk aan dat van Zuidbroek. In 1906 werd die markt opgeheven, omdat er zo goed als geen vee werd aangevoerd.

In 1866 kon de jaarmarkt te Noordbroek niet doorgaan vanwege de runderpest.

Middelen van bestaan 1866

Over 1866 kunnen wij weer volledige gegevens verschaffen. Toen waren er te Noordbroek een oliemolen
B. ter Borgh, een koren- en pelmolen van J. de Boer, idem van T.K. Tammenga, een grutterij tevens mosterdmolen van T.B. Greenman, idem van J.H. van Tiddens, een kalkbranderij van B. ter Borgh, een bierbrouwerij van J.J. Boelens, een leerlooierij van H.E. van Tiddens, idem van E.J. Zeeman, een zwart- en blauwververij van K.R. Zuidema, idem van G.O. Engelsman, idem van B. Voslamber, idem van H. Voslamber, een weverij van J.G. Enssink, idem van W.D. Schmit, idem van B.S. Hilkamp, idem van C. Lammers, een grofsmederij van J.J. Poelman, idem van H.S. Hassebroek, idem van A.D. Scholte, idem van G.P. Kramer, idem van J.E. Brilman, idem van M. Porrenga, een touwslagerij van wed. S.K. Steernberg en een goud- en zilversmederij van H. Löwer. Verder waren er te Noordbroek 3 barbiers, 1 borstelmaker, 7 broodbakkers, 5 huisververs, 10 kleermakers, 2 koperslagers, 7 kuipers, 1 molenmaker, 11 schoenmakers, 2 schoorsteenvegers, 8 slachters voor anderen, 11 timmerlieden, 2 uurwerkmakers, 2 tuiniers, 4 vleeshouwers, 4 vrouwenhoedenmaaksters, 4 wagenmakers.

Van de zwart- en blauwververijen kunnen wij nog meedelen, dat zij wollen stoffen verfden door ze te dompelen in een kuip met verf van de gewenste kleur.

In 1866 waren te Zuidbroek een aardappelmeel-, beenzwart-, sago- en siroopfabriek van W.A. Scholten, een olie- en schorsmolen van A.O. Kemper, een houtzaagmolen van H. Ubbens, idem van B. Römelingh, een koren- en pelmolen van F. Briek, idem van Gebr. Sissingh, een mosterdmolen van F. Boerhave, een bierbrouwerij van J. Dallinga, een wolkammerij van H. Sprik, idem van J. Deiter, idem van K. Blaauw, een leerlooierij van H. Kruizinga, een grutterij van H.J. Bakker, idem van F. Boerhave, een cichoreibranderij en -drogerij van H.J. Bakker, een zwart- en biauwververij van H. Sprik, een grofsmederij van S. Karels, idem van H. Oltmans, een touwslagerij van A. van Alteren en een goud- en zilversmederij van Weduwe van Linge. Verder waren er 7 bakkers, 7 kleermakers, 3 kuipers, 8 schoenmakers, 4 stelmakers, 11 timmerlieden, 4 ververs en glazenmakers, en 1 zadelmaker. Op de fabriek van Scholten werkten 60 mannen en 10 vrouwen en op de molen van Kemper 8 mannen.

Na 1866 kreeg Zuidbroek er twee fabrieken bij die door stoom aangedreven werden: een lucifersfabriek

en een vlasfabriek.
De lucifersfabriek werd opgericht door H.J. Koster en Co., en gebouwd te Uiterburen ten noorden van de tegenwoordige carrosseriefabriek van Zijlstra. In 1871 werkten hier 18 mannen op en 36 vrouwen.
De vlasfabriek werd aan het eind van de Vlaslaan gebouwd door ten Bruggencate en Sijpkens. Daar werkten in 1871 op 24 mannen en 6 vrouwen.

Zeevaart

In de vorige eeuw waren er ook heel wat zeeschepen, die domicilie hadden te Noord- of Zuidbroek. Dat
was nog in de tijd van de zeilvaart. De schepen waren klein en er gingen heel wat verloren. Voor zover er bijzonderheden van bekend zijn, nemen wij ze hieronder op.

De galjoot “Alberdina'', 171 ton, van 1859 tot 1871 gevaren voor H. Meihuizen te Zuidbroek. In
1871 vergaan. Kapiteins zijn geweest H.C. Upmeijer en E. Boerhave.

De kof “Jacoba'', 70 ton, gebouwd in 1869. Eigenaar kapitein K.J. Moesker. Waarschijnlijk is dit
het schip, waarmee Moesker met man en muis is vergaan.

De schoenerbrik "Antilope, 165 ton. Eigenaar H. Meihuizen. Kapitein E.H. Lever. Op 29 maart
1879 gestrand bij Benicarlo.

De schoenerbrik “Helena Florentina'', 183 ton. Eigenaar E.H. Stheeman te Zuidbroek. Op 27 februari 1883 was dit schip op weg van Nickerie naar Londen. Een zware storm stak op. Kapitein B.C. Roozenbeek moest het schip verlaten en verdronk.

De kof “Catharina Elisabeth', 102 ton. Reder/kapitein H.G. Lever. Op 14 juni 1881 is dit schip vier
mijl ten zuiden van Libau gestrand.

De kof “Jantje Eikema' (Van 1866 tot 1872 was de naam “Wupke Veldman'). Eigenaar E.). Kraai
uit Noordbroek. Op 20 november 1872 werd het schip verlaten binnen gebracht; niet meer geschikt voor de vaart.

De brik “Wubbo en Willem', 200 ton, eigenaar W.H. Wildervanck te Zuidbroek. Kapitein Joh. Bontekoe. Het schip werd in 1864 vermist.

De schoener 'Sia en Elisabeth', 148 ton, eigenaar E. Tinga, Zuidbroek. Kapitein K. Boerhave. Gestrand
en gezonken op 1 september 1862.
De brik Adriaan Georg'', 174 ton, eigenaar A.G. Wildervanck te Zuidbroek. Kapitein W.H. Bontekoe. 30

November 1859 op de Amerikaanse kust verbrijzeld.

De galjoot Dankbaarheid', 145 ton. Reder/kapitein J. Lever. Gestrand bij de Weser 18 juli 1866.

De kof “Geertruida Speelman', 94 ton. Reder/kapitien H.H. Lever te Noordbroek. Gestrand op 18 oktober 1870.

De schoenerkof "Catharina Knelsina'', % ton. Eigenaar A.G. Wildervanck, Zuidbroek. Kapitein E.H. Vos, Vermist 14 juni 1862.

De kof Zwaantje Elisabeth', 78 ton. Reder/kapitein R.B. Jager. Gezonken bij Doggersbank 23 november 1866.
De kof “Hendrika”, 70 ton. Eigenaar H. Meihuizen. Kapitein E.H. Lever. Gezonken 5 augustus 1865.

De kof ”Seccoba Fenna'', 91 ton. Reder/kapitein P.R. Jager. Verongelukt 3 mei 1872.

De kof Margaretha Augusta'', 114 ton. Reder/kapitein A.A. Jongman. Op 10 december 1862 vermist.
De galjoot Geesina” (voorheen “Hemmechina Vroom'), 107 ton. Reder/kapitein P.H. Koning. Gestrand
30 maart 1863.

De schoenerkof 'Maria Beerta', 107 ton. Reder/kapitein J.J. Roosjen. Gezonken 27 augustus 1870.

Landbouw II

Vanouds werden hier verschillende soorten koren verbouwd. Daar kwam omstreeks 1800 de aardappel bij. Maar als andere producten meer mogelijkheid boden, hebben onze boeren daarin ook meegedaan. Vaak gingen zij voorop. In 1811 nam mr. C.H. Gockinga al een proef met suikerbieten. Hij woonde op de heerlijkheid Veenhuizen en hij was naast meester in de rechten ook landeigenaar. Het zou nog vijftig jaar duren voor de suikerbietenbouw tot ontwikkeling kwam.

In 1851 schreef C.J. Geertsema in de Landbouwcourant een artikel over het planten van koolzaad in het voorjaar in en om Zuidbroek.

Het Landbouwverslag 1861 van Zuidbroek vermeldt: 'Ook hier wordt voor het eerst uitgezaaid een zwarte-haversoort, elders bekend onder de naam presidentshaver, die alleszins aan de verwachting beantwoordt. Ook werden hier voor het eerst proeven genomen op klei- en zandgronden met het verbouwen van meekrap en werden te dien einde eenjarige planten uit Zeeland en het Westerkwartier ontboden.'

Hier moet ook nog vermeld worden het telen van betere aardappelrassen in het eind van de negentiende eeuw. Geert Veenhuizen, in 1857 te Stoothorn geboren, heeft zich op dit gebied zeer verdienstelijk gemaakt.

In de rapporten van Noord- en Zuidbroek vonden wij nog meer moderne hulpmiddelen vermeld. Zo in 1850 de tweescharige ploeg en de zaaimachine en in 1861 een mangelwortelverbrijzelaar. De mangelwortelen werden verbrijzeld, met kaf vermengd en dan gebroeid.
Toen de schommelkarn nog in gebruik was, werd het karnen verricht door vrouw en dochters. Later kwam daarvoor een karn, die al of niet gecombineerd met andere werktuigen, door een paard in beweging gebracht werd. Uiteraard is die karn vele malen verbeterd. Zo maakte de burgemeester van Zuidbroek in 1827 bekend, dat bij A.G. Buining een machine te bezichtigen was, die beter geschikt was voor het karnen van boter. En in 1834 werd op het gemeentehuis te Zuidbroek een nieuw werktuig vertoond om boter te karnen. Maar de grote verandering kwam met de oprichting van de zuivelfabriek te Uiterburen in 1885. Dat was de eerste coöperatieve zuivelfabriek in ons land. Het fabrieksgebouw staat er nu nog (invent.nr. 222) (hoek Uiterburen-Drostenlaan).

Om het leven gemakkelijker te maken en het resultaat beter, hebben onze voorouders in de vorige eeuw flink meegedaan aan het toepassen van moderner gereedschap. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd gedorst met het dorsblok, door een paard getrokken. Omstreeks 1890 kwam de stoomdorsmachine. In 1902 werd te Noordbroek een coöperatieve dorsvereniging opgericht. Voor het scheiden van kaf en koren werd achtereenvolgens gebruikt de wan, de zeef (gehangen aan een driepoot en heen en weer geschud door één of twee personen), de waaier en de wanmolen. Maar de dorsmachine dorste en schoonde tegelijk.

Omstreeks 1900 kwam de mogelijkheid om door een meer intensieve bodemcultuur de inkomsten te vergroten.

In 1897 werd te Zuidbroek opgericht de Provinciale Groninger Tuinbouwvereniging. De oprichters waren Egb. Kloosterhuis, J.H. Lindemulder en G. Veenhuizen.

In 1901 werd een tuinbouwwintercursus geopend in de school aan het Winschoterdiep te Zuidbroek om de boeren te wijzen op de mogelijkheden om door een meer intensieve bodemcultuur de inkomsten te vergroten. Onderwijzer werd de oud-Noordbroekster J. Kok.

Later werd opgericht de stichting Tuinbouwvoorbeeldbedrijf Noordbroek, die in samenwerking met de Noordnederlandse Vereniging van Boomkwekers een proefveld in stand houdt voor boomkwekerijgewassen en fruitteelt.

Als een boer zijn producten klaar heeft, moet hij ze kwijt. Het werd dan ook als een strop gevoeld toen de bisschop van Munster in 1272 de markten aan de Eems sloot voor het Oldambt. De boeren konden hun vee, hun boter en hun kaas niet verkopen en hadden geen inkomsten. Later ging veel naar de stad Groningen. Maar er is ook een tijd geweest,dat men er voordeel in zag om de producten op andere manier van de hand te doen. Vóór de oprichting van de zuivelfabriek kwamen er b.v. opkopers met paard en wagen langs, die de boerenboter opkochten. En omstreeks 1890 waren er vele kwekers te Noordbroek, die hun groenten, wortels enz. met handwagens en hondenkarren uitventten in plaatsen als Appingedam, Delfzijl, Winschoten, Veendam en Wildervank. Na de opkomst van de fabrieken werd de melk in bussen door vrachtrijders naar de fabriek gebracht. Stro werd op lange wagens door stromenners vervoerd, fabrieksaardappelen en suikerbieten per schip en koren per trekschuit.

Om de belangstelling voor de landbouwproducten te vergroten werd in 1900 een grote landbouwtentoonstelling te Noordbroek gehouden. En later nog weer in 1910, 1920 en 1930.

De boer kent zijn goede en kwade jaren. Het maakt voor hem een groot verschil, of hij vijftien gulden voor
een mud tarwe krijgt (zoals in 1816), of tien gulden (zoals in 1880), of vijf gulden (zoals in 1900). Ook in de 19e eeuw heeft hij jaren gekend van voorspoed en jaren, waarin hij zeer zuinig moest wezen; jaren waarin heel wat boerderijen uit nood verkocht werden. Uitspringende slechte jaren waren 1845, vanwege de aardappelziekte, en 1890 en volgende jaren, vanwege lange winters en lage prijzen. De slechte jaren hebben ook zwaar gedrukt op de landarbeiders en hun gezinnen.
Dit geldt ook van de jaren 1890 tot 1893. Het begon met een zeer zware en langdurige vorst in de winter van 1890-91. De arbeiders trokken de straat op en gingen naar de vergaderingen, waar Domela Nieuwenhuis en anderen spraken. Tegen de winter van 1892 werd de spanning groot. Op 23 december 1892 nam de Raad van Noordbroek een verordening aan, waarbij samenscholingen verboden werden. Huzaren kwamen om die verordening te handhaven. In het voorjaar van 1893 keerde de rust terug. (Zie het artikel over Ferdinand Domela Nieuwenhuis.)

Middelen van bestaan 1900

Over de jaren tegen 1900 in nog bekend, dat er toen een scheepshelling geweest is in het Westeind tussen Motké en de Boerenwijk. Die helling werd gefinancierd door W.A. Scholten en stond onder leiding van J. Drewes. Volledige gegevens kunnen wij verschaffen over 1900. Er waren toen te Noordbroek een korenmolen van G. Hidskes, idem van E. Oosting en een houtzagerij van J.U. Molanus. Verder werden de volgende beroepen uitgeoefend, waarbij de knechten inbegrepen zijn: 1 blauwverver, 18 broodbakkers, 12 grofsmeden, 12 huisververs, 19 kleermakers, 1 klompenmaker, 2 koperslagers, 6 windkorenmolenaars, 4 kuipers, 14 modenaaisters, 15 schoenmakers, 6 slachters voor anderen, 22 timmerlieden, 4 tuiniers, 9 vleeshouwers, 5 vrouwenhoedenmaaksters, 9 wagenmakers.

De gegevens over 1900 voor Zuidbroek zijn als volgt (de cijfers tussen haakjes geven de aantallen werkkrachten aan): aardappelmeelfabriek W.A. Scholten (108 mannen en 17 vrouwen), cichoreifabriek W. Bakker (2 mannen), houtzaagmolen D. Meijer (2), korenmolen J. Hekman (2), olieslagerij J. Hekman (15),
coöperatieve zuivelfabriek (5), verder 11 bakkerijen (25), 5 grofsmederijen (13), 1 horlogemakerij (2), 5 huis- en rijtuigschilders (7), 7 kleermakerijen (10), 2 koperslagerijen (4), 9 schoenmakerijen (11), 5 slagerijen (7),
A stelmakerijen (7), 11 timmerlieden (36), 1 touwslagerij (4), 1 zadelmakerij (t). De aardappelmeelfabriek van
Scholten, de olieslagerij van Hekman en de zuivelfabriek werden aangedreven door stoom, de molens van
Meijer en Hekman door wind en de cichoreifabriek van Bakker door een paard.

Agrarisch grondgebruik

De gemeenten Noordbroek en Zuidbroek worden door Hofstee (1985) tot het Oldambt gerekend. Kenmerkend voor het Oldambt is de verschuiving richting bouwland die al voor 1800 is begonnen. Ook de gemeenten Noordbroek en Zuidbroek laten deze verschuiving van grasland naar bouwland zien. De verbeterde afwatering en de veepest zijn enkele oorzaken voor deze verschuiving. Na 1885 droeg ook de kunstmest nog aan deze verschuiving bij.

Agrarisch grondgebruik Noordbroek
1815 - 2171,32 ha cultuurgrond, 49,6% bouwland, 50,4% grasland
1833 - 2291,68 ha cultuurgrond, 75,0% bouwland, 23,1% grasland, 1,8% tuinbouw
1862 - 2266,75 ha cultuurgrond, 72,5% bouwland, 27,5% grasland
1885 - 2383,68 ha cultuurgrond, 68,0% bouwland, 30,2% grasland, 1,8% tuinbouw
1930 - 2290,78 ha cultuurgrond, 83,7% bouwland, 12,3% grasland, 4,1% tuinbouw

Uit de tabel valt af te lezen dat de gemeente Noordbroek een afname van het aantal hectare grasland laat zien en een toename van het aantal hectare bouwland. In 1815 bleek er nog veel grond braak te liggen. In 1833 is deze woeste grond grotendeels ontgonnen tot bouwland. In 1930 blijkt uit de afname dat agrarische grond van Noordbroek ook een andere bestemming heeft gekregen.

Agrarisch grondgebruik Zuidbroek
1815 - 1504,94 ha cultuurgrond, 53,8% bouwland, 46,2% grasland
1833 - 1670,34 ha cultuurgrond, 70,5% bouwland, 26,8% grasland, 2,8% tuinbouw
1862 - 1570,52 ha cultuurgrond, 77,3% bouwland, 22,7% grasland
1885 - 1675,14 ha cultuurgrond, 74,2% bouwland, 22,7% grasland, 3,1% tuinbouw
1930 - 1707,34 ha cultuurgrond, 84,4% bouwland, 11,9% grasland, 3,7% tuinbouw

Ook de gemeente Zuidbroek laat een afname van het percentage grasland zien en een toename van het
percentage bouwland. De lage oppervlakte cultuurgrond in 1862 hangt samen met de hoge oppervlakte cultuurgrond in de gemeente Sappemeer in dat zelfde jaar. Dit is waarschijnlijk te verklaren uit het feit dat Sappemeer grond in Zuidbroek in gebruik had en dit opgeteld werd bij de grond van Sappemeer.

De slechte afwatering, vooral in de gemeente Noordbroek, maakte het beheersen van de waterstand noodzakelijk (De Ringsloot en de Siepsloot in het noorden waren afwateringssloten, door de ruilverkaveling, gereed in 1975, verdwenen). Er werd een aantal molens gebouwd die het water kunstmatig omhoog moesten brengen. De namen
Noordermolenkolonie en de Evenreitster molenkolonie getuigen hier nog van. In de jaren '30-'50 van de 19de eeuw
zijn veel molens afgebroken. De meeste zijn vervangen door gemalen. De enige overgebleven watermolen, genaamd de Noordermolen, staat bij Noordbroeksterhamrik.

Na Wereldoorlog Il kwam de grote ontwikkeling van de landbouwmachines.

Boerderijen

De meeste boerderijen hier zijn van het Oldambtster type. Naar de vorm wordt het ook wel langhuis-type
of staarthoeve genoemd.
Voor vindt men de woning en achter naast elkaar: de koestallen, de hooi- en korenvakken (hier goulen genoemd), en de dorsdeel. Achter de goulen zijn de paardenstallen en tussen schuur en woonhuis het karnhuis. De kelders onder het woonhuis dienen voor het opbergen van fruit, eieren en andere voortbrengselen van het bedrijf. De zolders werden gebruikt voor het opbergen van koren.

De staarthoeve is hier al enige eeuwen in gebruik. Het oudste model dat bewaard gebleven is, staat te Nieuwolda, Langeweg 2. Dit is gebouwd in 1771. Het heeft het woonhuis volledig onder de schuurkap.

In een volgend stadium werd het woonhuis zelfstandig overkapt. Drie voorbeelden daarvan in de gemeente Oosterbroek zijn: Korengarst 4, Noorderstraat 4 en Noorderstraat 9.

In een volgende ontwikkeling werd het voorhuis rijziger en kwamen er ook in de zijgevels vensters op de verdieping. Duidelijk voorbeeld is Uiterburen 59.

Naast de modellen met puntgevel komt ook voor de vorm met kort schild boven de voorgevel, o.a. Hoofdstraat 98, Uiterburen 45 en Zuiderstraat 10. Al deze boerderijen hebben de ingang nog opzij.

De nu meest verbreide vorm van de Oldambster heerd is die waarbij het woonhuis, evenals een deftig stadshuis, een ingang in het midden van de voorgevel kreeg en de vertrekken aan weerszijden daarvan even groot werden. er kwamen ruime kamers aan beide zijden van de middengang. De zolders bleven eerst nog in gebruik voor het bergen van zaad. Een voorbeeld daarvan is Hoofdstraat 100.

Tenslotte stapte men af van de zaadzoldervensters in de voorgevel en werden daarin grotere vensters aangebracht. Voorbeelden daarvan zijn/waren Zuiderstraat 63 en de afgebrande boerderij Zuiderstraat 71.

Boerderij E. Engels op de Kerkstraat 39 werd tot 1882 bewoond door Cornelis Jans Geertsema, vele jaren lid van de Eerste Kamer en van verscheidene landbouworganisaties. Koning Willen III heeft deze boerderij in 1852 bezocht en een maquette ervan heeft gestaan op de tentoonstelling van Parijs van 1878.

Niet-agrarisch grondgebruik

Halverwege de 18e eeuw nam de veenderij af en kon langzamerhand andere bedrijvigheid tot ontwikkeling komen. De dalgrond die achterbleef na de afgravingen bleek geschikt voor het verbouwen van boekweit, bonen en knollen en later ook aardappelen. Aardappelen vormde de grondstof voor de dan tot ontwikkeling komende aardappelmeelindustrie. Grondlegger ervan was W.A. Scholten die in 1842 het aardappelmeelfabriekje Tonden in Foxhol stichtte (gemeente Hoogezand-Sappemeer).
In 1859 werd door Scholtens een fabriek aan het Westeind in Zuidbroek gebouwd, Motké genaamd. Van de fabrieksgebouwen is niets meer bewaard gebleven.

Rond 1866 beschikte de gemeente Oosterbroek over verschillende andere kleine industrieën zoals: een oliemolen, koren- en pelmolen, mosterdmolen, kalkbranderij, bierbrouwerij, leerlooierij, weverij, grofsmederij, touwslagerij, en een goud- en zilversmederij.

Ook een belangrijke bedrijfstak was de vlasfabricage. In de tweede helft van de 19e eeuw werd er veel vlas gesponnen in dit gebied. De vlasfabriek, met stoom aangedreven, stond aan het eind van de Vlaslaan in Uiterburen. De fabriek is sinds 1926 afgebroken en heeft de laatste jaren een woonfunctie gehad.

Net als in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, maar in mindere mate, maakten ook in de gemeente Oosterbroek
scheepswerven deel uit van het dorpsbeeld. In Noordbroek was dat minder het geval dan in Zuidbroek dat door zijn
ligging aan het Winschoterdiep van enige betekenis kon zijn in de veenkoloniale scheepvaart.
Niet alleen voor binnenlandse vaart maar ook voor de zeevaart werden schepen gebouwd. In Noordbroek werd in 1860 één zeeschip gebouwd, in 1870 3 en in 1890 stond de bouw van zeeschepen stil. In Zuidbroek was het aantal gebouwde zeeschepen groter dan in Noordbroek. In 1860 werden er 13 zeeschepen gebouwd, in 1880 nog slechts 5. De afname werd voornamelijk veroorzaakt door de intrede van de stoomschepen. De kleine scheepswerfjes waren niet berekend op het vervaardigen van grotere schepen.

Infrastructuur

De wegenstructuur in de gemeente Oosterbroek wordt bepaald door:
- de aanwezigheid van dekzandruggen
- de aanwezigheid van gegraven kanalen
- de in 1545 aangelegde dijk rond Noordbroeksterhamrik.

Rond 1850 zijn al verschillende wegen verhard. De belangrijkste weg voor de gemeente Oosterbroek is de weg
over de dekzandrug van Zuidbroek naar Noordbroek. Voor Noordbroek is de weg naar Slochteren, de Slochterstraat
(in 1822 aangelegd), van betekenis. Voor Zuidbroek is de weg langs het Winschoterdiep, doorgaand van Hoogezand-Sappemeer naar Winschoten van belang.

Tussen 1850 en 1900 worden vooral in het noorden van de gemeente meer wegen verhard, zoals de weg langs het
Noordbroeksterdiep, de Sappemeersterweg. De weg Zuidbroek-Noordbroek wordt verder doorgetrokken naar
Siddeburen. Ook wordt de weg van Noordbroeksterhamrik naar Korengarst verhard.
Tussen 1900 en 1940 worden in het zuiden van de gemeente slechts twee wegen verhard. Na 1940 was vooral de aanleg van de snelweg de N33 Appingedam-Veendam en de snelweg N7 Groningen-Nieuwe Schans van grote betekenis voor de gemeente Oosterbroek (jaren '70).

Waterwegen
De waterwegen in de gemeente Oosterbroek zijn voornamelijk gegraven kanalen die in eerste instantie
dienden voor de afvoer van turf. Ook hadden de kanalen een afwateringsfunctie en dienden ze voor het personen en overig goederenvervoer.
In de gemeente Oosterbroek komen de volgende waterwegen voor:
- Buiten Nieuwediep (gegraven begin 17e eeuw)
- Muntendammerdiep (gegraven in 1637)
- Noordbroeksterdiep (gegraven in 1639, gedempt in 1968)
- Winschoterdiep (gegraven in 1628)
De belangrijkste waterweg voor Zuidbroek is het Winschoterdiep. Het is door de stad Groningen in fasen
gegraven en in 1628 werd Zuidbroek bereikt. In 1637 werd dan nog het Muntendammerdiep gegraven. De verbinding met Hoogezand-Sappemeer, de stad Groningen en met Winschoten was van grote betekenis voor het personen- en goederenvervoer van Zuidbroek en omstreken. Er kon als het ware een klein handelscentrum ontstaan.
Voor Noordbroek was het Noordbroeksterdiep van belang. Deze waterweg vormde een verbinding met Sappemeer en werd in eerste instantie Noordbroekstervaart genoemd. Voorbij de knik van Stootshorn werd dit water Buiten
Nieuwediep genoemd. In 1864 heeft Noordbroek geprobeerd het westelijke en oostelijk deel met elkaar te
verbinden. Zo zou een scheepvaartkanaal kunnen ontstaan van Sappemeer naar Termunterzijl. Er moesten dan een draaibrug en een sluis komen op de plaats waar nu de Dam is. De poging is echter mislukt.

Spoorwegen
In 1868 werd, ten zuiden van het Winschoterdiep, door de Staat de spoorlijn Groningen-Winschoten aangelegd. In
dit zelfde jaar werd het station in Zuidbroek gebouwd (invent. nr. 87). Ook in dit jaar werd het spoordok in
gebruik genomen, een spoorweghaven gelegen ten zuiden van het spoor en ten oosten van het Muntendammerdiep.
Schepen brachten aardappelen, stro, koren en andere landbouwprodukten uit de omgeving naar het spoor.
Omgekeerd werd kunstmest en kalk per spoor aangevoerd en verder per schip naar landbouwers en fabrieken gebracht.
Na de aanleg van de spoorbaan naar Stadskanaal, rond 1908, verloor het dok zijn betekenis. Het vervoer van
goederen ging voortaan met de trein. Van de opslagloodsen is nog een deel bewaard gebleven, een
ander deel is vervangen en heeft een andere functie gekregen.
In 1908 werd er een tweede spoorlijn aangelegd door Zuidbroek. De plannen behelsden een lijn van Delfzijl
naar Zwolle, via Zuidbroek, Stadskanaal, Coevorden en Ommen, met zijtakken naar Almelo en Assen. De NoordOoster-Locaal Spoorwegmaatschappij (NOLS) werd met de aanleg belast. De activiteiten kwamen de landbouw (aanvoer van kunstmest en afvoer van de landbouwprodukten) handel en nijverheid in de streek ten
goede, maar de rol van de spoorlijn met betrekking tot het reizigersvervoer werd meer en meer overgenomen door
de autobus.
Tussen 1910 en 1935 deden treinen het station Noordbroek aan. Het station van Noordbroek is gebouwd in 1868 .
Architect was E. Cuypers, die alle stations langs deze spoorlijn bouwde. Het station is in de jaren '80 van deze eeuw afgebroken.

Tramwegen
In Zuidbroek werd op 17 augustus 1880 de paardetram (in de volksmond tramway genoemd) in gebruik genomen door de Eerste Groninger Tramway Maatschappij. De paardetram had twee functies: in de veenkoloniën
zorgen voor de ontsluiting van een uitgestrekt gebied en in het algemeen de zorg voor het plaatselijk openbaar
vervoer.
De trams liepen van en naar Zuidbroek in aansluiting op alle treinen naar Groningen en Winschoten. Ook het
vervoer naar Veendam en Bareveld gebeurde met de paardetram.
In de jaren tien van deze eeuw werd het aantal van Zuidbroek vertrekkende trams gehalveerd waarschijnlijk
omdat dan de spoorlijn in gebruik is genomen.
In die jaren werd het spoor aangepast om de paardetram te kunnen vervangen door een stoomtram. Een stoomtram is hier echter nooit gekomen.
Op 31 december 1911 hield de Eerste Groninger Tramway Maatschappij op te bestaan.

Overig vervoer
In de gemeente Oosterbroek zorgden vooral in de plaats Zuidbroek de beurt- en vrachtschippers voor het vervoer
van goederen naar de stad Groningen. Ook de zogenaamde boderijders zorgden voor het goederenvervoer in deze
gemeente. Zij gingen met de hondekar of met paard en wagen, later per vrachtwagen, naar de stad Groningen.
Men kon bestellingen opgeven die uit de stad werden gehaald en aan huis werden afgeleverd. Zowel in
Noordbroek als in Zuidbroek waren boderijders actief. In juni 1924 werd door de GADO (Groninger Autobusdienst
Onderneming) een busdienst geopend op het traject Groningen-Zuidbroek. Langs het Winschoterdiep reden de
busjes via Waterhuizen-Martenshoek-Hoogezand-Sappemeer naar Zuidbroek.
Op 16 augustus 1924 werd de lijn doorgetrokken naar Noordbroek.

Nederzettingsstructuur
In de gemeente Oosterbroek liggen twee dorpen, namelijk Noordbroek en Zuidbroek. Het tussenliggende Uiterburen, was in vroeger tijden een apart dorp, maar is nu als buurt te beschouwen.In paragraaf 5.2 wordt de
nederzettingsstructuur van Uiterburen, naast die van Noordbroek en Zuidbroek, wel besproken.
De verspreide bebouwing van de randveenontginningen in het westen van de gemeente komen later nog aan de orde. In deze paragraaf wordt een beeld geschetst van de bevolkings- en woningaantallen van Noordbroek en Zuidbroek.
jaartal, totaal inwoners (noordbroek/zuidbroek), totaal woningen (noordbroek/zuidbroek)
1859 - 3966, (2150/1816), 637 (355/282)
1869 - 4424, (2254/2170)
1879 - 4889, (2400/2489)
1899 - 5014, (2286/2728), 1023 (435/588)
1930 - 4827, (2052/2775), 1272 (578/694)
1947 - 4691, (2011/2680), 1298 (561/737)
1987 - 5096, 1861
De woningbezetting van de gemeente Oosterbroek daalde van 6.2 mensen per woning in 1859, via 4.9 in 1899, 3.8 in 1930, 3.6 in 1947 naar 2.7 in 1987.

Het inwonertal van de gemeente Oosterbroek als totaal, vertoont een stijgend verloop, terwijl de afzonderlijke gemeenten een wisselend verloop laten zien. De inwonersaantallen van Noordbroek stijgen tot 1899 en dalen daarna. Van betekenis kunnen zijn geweest de crisisjaren rond 1930, de landbouwcrisis en de jaren van de Tweede Wereldoorlog. Waarschijnlijk heeft de centrumpositie van Zuidbroek, gelegen op een belangrijke kruising van waterwegen en landwegen, van invloed geweest op de bevolkingsgroei van deze plaats.

De eerste bevolkingsregisters dateren van 1811. Als men over de tijd daarvoor iets wil weten, is men aangewezen op de doop- en trouwboeken, zoals die bijgehouden werden door de kerk.

De loop van de bevolking

Jaar Noordbroek Zuidbroek Samen
1811 1486 1338 2824
1830 1823 1597 3420
1850 1924 1900 3824
1886 2540 2578 5118
1910 2202 2836 5038
1964 1931 2727 4658
1971 (volkstelling) 4835

In 1811 stonden er in Noordbroek 299 woningen en in Zuidbroek 258. Bij de volkstelling van 28 februari
1971 waren er totaal 1585.

De woningvoorraad van de gemeente Oosterbroek als totaal, laat een stijgend verloop zien. Opvallend is de periode 1930-1947. De woningvoorraad van Noordbroek daalt dan met 17 woningen, terwijl die van Zuidbroek slechts met 43 woningen toeneemt. Ook hiervoor kan de Tweede Wereldoorlog als oorzaak worden genoemd.

Uit de topografische kaart van 1850 blijkt dat aan de westzijde van de zandrug waarop Noordbroek, Uiterburen en Zuidbroek gelegen zijn veel verspreide bebouwing voorkomt, die aan de oostzijde, op de klei ontbreekt.
In de noordoosthoek van de gemeente Oosterbroek liggen drie gehuchten. Aan de Pastorieweg die vanaf de hoofdweg in Noordbroek naar het oosten loopt, ligt Kielhuis. Vroeger bestond dit gehucht uit zo'n vier huizen, waarvan er nu nog één is overgebleven. Vanuit Kielhuis splitst zich een weg af die via Noordbroeksterhamrik naar Korengarst loopt. In Noordbroeksterhamrik komt de bebouwing maar aan één zijde van de dijk (zie 2.2). Het is een verzameling van drie boerderijen en een molen (invent.nr.261). Korengarst bestaat ook uit een aantal boerderijen. In een streekje liggen zes boerderijen, voornamelijk van het Oldamster-type (invent.nr.260), die nu aan de snelweg Appingedam-Veendam zijn gesitueerd waardoor Korengarst zijn karakter heeft verloren.
Ten westen van Noordbroek, aan veenzijde, bevinden zich langs de secondaire ontginningsas een aantal randveennederzettingen. De grootste, Stootshorn, ligt in de knik die de Sappemeersterweg maakt. Een groep arbeiderswoningen en veenboerderijen zijn geconcentreerd rondom de kruisingen met de Noordbroeksterweg en met de Schoollaan. Op deze laatste plek bevindt zich een school met hoofdmeesterswoning in de trant van de Amsterdamse School (invent.nr.236).
Ten zuiden van Stootshorn liggen aan de westzijde van de Sappemeersterweg en het gedempte Noordbroeksterdiep een vijftal boerderijen die het gehucht Veenhuizen vormen. De nokrichting van deze boerderijen is evenwijdig aan de lengterichting van de kavel en dus schuin ten opzichte van het vroegere diep. Het derde gehucht, Spitsbergen, ligt tussen de Sappemeersterweg en de Heiligelaan en bestaat uit drie boerderijen.
Tussen Spitsbergen en Uiterburen en in het verlengde van de Drostenlaan liggen aan een onverharde weg een serie krimpjes, die samen Het Veen vormen. Aan het einde van deze weg ligt op de kruising met de Botjesweg, een klein Joods kerkhof. De grafstenen, daterend van ongeveer 1880 tot 1920, bevinden zich nu in een slecht staat. In 1883 werd in Uiterburen (achter Uiterburen 54) een synagoge in gebruik genomen. De Joodse gemeenschap in Noordbroek telde toen ca. 50 leden, die in Zuidbroek ca. vier. (H. Antonides, 1973). In 1934 werd de synagoge gesloten en later afgebroken, terwijl het kerkhof intact is gebleven.
In de omgeving van Zuidbroek bevindt zich ook wat verspreide bebouwing. In het westen, aan het Winschoterdiep en aansluitend op Sappemeer, ligt het Westeind. Aan de noordzijde van het diep, die het dichtst bebouwd is, liggen hoofdzakelijk arbeiderswoningen en kleinere boerderijen, terwijl zich aan de zuidkant een paar grotere boerderijen bevinden. Alle panden staan met de nok haaks op het Winschoterdiep. Het Westeind is in het oosten door de aanleg van het nieuwe Winschoterdiep van Zuidbroek afgesneden.

Tusschenloegen

Tenslotte ligt ten zuiden van Zuidbroek, op de grens met de gemeente Muntendam, het gehucht Tusschenloegen. Aan de westzijde van het Muntendammerdiep liggen een aantal boerderijen met de nok haaks op het diep en een groep arbeiderswoningen aan een laan die loodrecht op het diep uitmondt.

Duitse bezetting

Duitsland viel op 10 mei 1940 Nederland (alsmede België en Luxemburg) binnen. Op die eerste dag werden des middags te ongeveer vier uur al plakkaten aangeplakt, waarop stond, hoe de bevolking zich moest gedragen. Zij waren in het Nederlands opgesteld en er onder stond: Berlijn, 9 mei 1940. De gevolgen van de Duitse bezetting zijn ontzettend geweest. Het daardoor veroorzaakte lijden is niet in woorden uit te drukken. Voor een kort overzicht met wat in Noordbroek en Zuidbroek gebeurd is verwijzen wij naar ons artikel Duitse bezetting.

13 april 1945, maar niet voordat zij alle bruggen opgeblazen hadden, trokken de laatste bezetters pas weer weg.
Zij die in de dorpen Noord- en Zuidbroek het leven verloren zijn met naam bekend. Wij noemen ze hier op voor zover zij omkwamen om hun afstamming of om hun verzet. De Joodse families Dalsheim, Van der Hak, Van der Laan, Wolf en Boomstra werden afgemaakt in de vernietigingskampen Sobibor of Auschwitz. Karel ten Hove kwam om in de eerste oorlogsdagen bij de Moerdijkbrug, Jelte Antonides in de Prinses Irene-brigade, Jan Emmens in de laatste oorlogsdagen te 's-Gravehage. Klaas Woltjer werd doodgeschoten te Vught, Koene op 't Zandt in een ander concentratiekamp en dierenarts N. Mulder te Bakkeveen.

Op 5 mei 1945 tekent de Duitse commandant de overgave en is heel Nederland bevrijd.

Mien Polder

Dit is een ontboezeming van G. Tuinema in oktober 1945, toen er nog geen klok weer in de toren was, na de wegvoering door de Duitsers.
Wie Brouksters, wie holn van os Polder,
Wie vuiln ons doar allemoal riek.
Doar vin je gain dikke rentnaaiers,
Op Polder binn'z allemoal geliek.
Wie aarbaid'n zo laang as der licht is,
Wie knooi'n op ons klain stukje toen,
Wie zitt'n nait an kin tou in stiesel,
Moar droag'n blauwe kiel en bezroen.

Refrein:
Dei goie, ôle Polder
Midden in Noordbrouk,
Blift veur ons toch altied
De allermooiste houk.
In dei ôle Polder,
Mit zien laange loan,
Doar binn' wie ja geboren
Doar goan wie nooit vandoan!

D'ôl Dodde dei kikt over Brouk hin
En zugt hou het Poldervolk stridt;
Al het hai zien klok ook verloren,
Toch leeft hai nog hailemoal mit.
Hai zugt hou de kinder oet Polder
Op klompen noar schoule tou goan,
Hai zugt hou ze zingen en springen,
En hou ze soms vechten op loan.

Zo leeft hier het volk oet de Polder.
De lerels mit voesten as stain,
Doar vin je gain tweistried of roezie,
Op Polder binn'z'allemoal ain.
Al loop'n wie hier maistied op klompen,
En binn'n wie wat roeg soms van toal,
Ons polder dei holn wie in ere
En doarom zing'n wie allemoal....

Bronnen:

• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.


Pageviews vandaag: 3.