kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 24-03-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Friedrich Julius von Kolkow

Friedrich Julius von Kolkow (Danzig (Pruisen) 1839 - Groningen 1914) was een Pruisisch fotograaf, die zich in 1863 in de stad Groningen vestigde. In 1877 liet hij zich naturaliseren tot Nederlander. Het oeuvre van de Groningse fotograaf Friedrich Julius von Kolkow omvat portretten, stadsgezichten en architectuuropnamen. Von Kolkow was tevens een pionier op het terrein van de kleurenfotografie en van de wetenschappelijk toegepaste fotografie. Daarnaast maakte hij als een van de eersten een tentoonstelling over de geschiedenis van de fotografie en gaf een lezing over dit onderwerp.

Hij liet zijn voornaam graag afkorten tot 'Fr. Julius von Kolkow', daar de afkorting Fr. in het Duits staat voor de adellijke titel Freiherr. In de volksmond werd hij daarom ook wel met het Nederlandse equivalent 'Baron' von Kolkow aangesproken.

Binnen Nederland was hij een pionier op het gebied van de wetenschappelijke fotografie en de kleurenfotografie. Verder hield hij zich veel bezig met architectuurfotografie, met name met die van de stad Groningen en hield hij zich bezig met microfotografie en werkte hij met fotolithografieën.

Von Kolkow zag fotografie in de eerste plaats als een functionele techniek en veel minder als een kunstzinnige uiting. Omdat Von Kolkow zich niet of nauwelijks mengde in discussies over de fotografie met tijdgenoten, die vooral gingen over fotografie als kunstuiting, werd hij na zijn dood snel vergeten. Hij zou kunnen worden gezien als een proponent avant la lettre van de zakelijke Nieuwe Fotografie die vanaf 1920 opgang deed in de fotografie.

Vanuit persoonlijke interesse en op eigen initiatief fotografeerde hij vaak monumenten van geschiedenis en kunst. Meer dan eens gaf hij ongevraagd zijn mening met betrekking tot behoud of restauratie van monumenten.

Hij hield zich naast zijn vak bezig met de techniek van het brandblussen, van zwembaden en van het nieuwe medium film. Door al zijn activiteiten en bemoeienissen was Von Kolkow ongetwijfeld een bekende Groninger. Zijn handelsgeest blijkt uit de verkoop van door hemzelf gemaakte kleurgevoelige, orthochromatische platen en kopieerramen, die volgens een aankondiging in het Tijdschrift voor Photographie uit 1865 eveneens door hemzelf ontworpen waren.

Toen Friedrich Julius von Kolkow zich in 1863 in Groningen vestigde, waren daar al professionele fotografen actief. In tegenstelling tot de rondreizende fotografen uit de vroegste jaren van het medium, hadden zich vanaf 1855 verschillende buitenlandse fotografen permanent in de stad gevestigd. Ook enkele Groningers hielden zich met het nieuwe vak bezig, waarvan H. Janssen de bekendste was. De immigrantfotografen waren grotendeels afkomstig uit Duitsland. Maria Hille, Claus Prüter, Julius Sisting, H.H. Fraenkel, Carl George Hunerjäger en Joseph Cohen waren Von Kolkow voorgegaan. Hoewel deze 'tweede lichting' buitenlanders zich daadwerkelijk vestigde in Groningen, betekende dat niet dat ze voorgoed bleef. Vaak vertrokken de fotografen enkele jaren later naar andere plaatsen in Nederland. De stad Groningen kan in dit verband gezien worden als een 'toegangspoort' voor immigrantfotografen.

Het is onduidelijk of Von Kolkow al fotografisch geschoold was toen hij in Groningen aankwam. De mededeling in het tijdschrift Lux uit 1905 „dat de Heer Von Kolkow dit jaar als fotograaf zijn gouden jubileum herdenkt”, wijst erop dat Von Kolkow zich al vanaf zestienjarige leeftijd met het medium heeft beziggehouden. Het bevolkingsregister waarin Von Kolkows vestiging wordt vermeld, geeft achter zijn naam echter géén beroepsaanduiding. Von Kolkow trok aanvankelijk in bij de reeds in Groningen werkzame fotograaf Hunerjäger. Het is ook mogelijk dat Von Kolkow de beginselen van de fotografie van deze landgenoot heeft geleerd.

In het jaar dat de vierentwintigjarige Von Kolkow zich in Groningen vestigde, associeerde Hunerjäger zich met Ernestus Schutter, de eigenaar van het pand waarin zijn atelier gevestigd was. Op het moment dat laatstgenoemde zich vervolgens met Von Kolkow associeerde, verdween Hunerjägers naam uit de vennootschap. Er zijn geen gegevens die wijzen op een eventuele rol van laatstgenoemde binnen de firma in de jaren 1864-1869.Het was Von Kolkow binnen één jaar gelukt een firma - Von Kolkow & Comp., gevestigd op het adres waar Hunerjäger voorheen woonde - onder eigen naam op te richten. De samenwerking met compagnon Schutter verliep niet zoals gewenst en werd in 1869 door Von Kolkow beëindigd. Een advertentie in de Provinciale Groninger Courant van 27 november 1869 maakt duidelijk dat Schutter aanvankelijk zelfstandig het bedrijf onder dezelfde naam wilde voortzetten. Waarschijnlijk wilde hij profiteren van reeds bestaande naamsbekendheid. Von Kolkow echter protesteerde hiertegen, zo blijkt uit een ingezonden brief die op 29 november in dezelfde krant werd opgenomen. Schutter, die tot dan toe de portretstudio van de firma had geleid, richtte vervolgens zijn eigen fotografisch atelier op.

Friedrich Julius von Kolkow werd in korte tijd één van Groningens meest vooraanstaande fotografen. Totdat Johannes Kramer omstreeks 1875 op het toneel verscheen, was Johannes Egenberger Von Kolkows belangrijkste concurrent. Egenberger, kunstschilder en vanaf 1857 directeurhoofdonderwijzer van de Groningse Academie van Beeldende Kunsten en Zeevaartkunde 'Minerva', begon met fotograferen omstreeks de tijd dat Von Kolkow naar Groningen kwam. Een onbevestigde bron uit 1932 meldt zelfs dat Von Kolkow hem het vak zou hebben geleerd. Een vergelijking tussen de werkzaamheden van beide fotografen is interessant. Zowel Von Kolkow als Egenberger vonden hun klanten in de kringen van de Groninger Universiteit en onder leden van de diverse genootschappen die Groningen rijk was. Egenberger maakte voornamelijk portretfoto's die vooral werden gewaardeerd om hun artistieke kwaliteiten. Gezien zijn achtergrond van kunstschilder was dit niet verwonderlijk. Von Kolkow daarentegen zocht aansluiting bij de exacte wetenschappen aan de universiteit. Dit strookte met zijn opvattingen omtrent fotografie. Niet in eerste instantie de kunstzinnige kwaliteiten van de fotografie als zelfstandig medium, maar haar dienende karakter ten behoeve van wetenschap en maatschappij, stonden bij hem voorop.

Von Kolkows foto's vielen al in zijn eerste jaren als fotograaf op, blijkens een recensie in de Groninger Courant van 27 juli 1869. Een journalist schrijft over Von Kolkows inzending naar een door het Gronings Departement der Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Nijverheid georganiseerde fotografietentoonstelling: „Onze stadsgenoot Von Kolkow heeft blijk gegeven én van zijne vlijt én van zijnen veelomvattenden arbeid op het gebied der photographie. (…) Wij begroeten in dezen artist iemand met blijkbaar goeden aanleg en goeden wil, die zich slechts meer zal moeten concentreren, en die met de uitkomsten van de litteratuur in zijn vak zich volkomen vertrouwd moet maken om 't op een schoone hoogte te kunnen brengen. Al ontbreekt aan zijn arbeid nu nog het vereischte fini, toch is het zeer prijzenswaardig en verdient het uit meer dan een oogpunt erkenning onder den inlandschen kunstarbeid.”

Blijkbaar werden Von Kolkows in aanleg aanwezige kwaliteiten al in een vroeg stadium herkend.

Een specialisme van Von Kolkow was de architectuurfotografie. Voor de souvenirindustrie maakte hij talloze Groningse stadsgezichten die hij in diverse formaten, zoals visitekaartjes, kabinet- en stereofoto's, zijn klanten aanbood. Architectuurfoto's met een zakelijke gebruiksfunctie, zoals opnamen van de aanleg van sluizen en spoorwegen, drukte Von Kolkow af op een groter formaat. Tot deze laatste categorie behoort ook de reeks foto's van stadspoorten die hij tussen 1874 en 1878 maakte.

Toen de sloop van deze vaak zeer oude poorten ten behoeve van de stadsuitbreiding aan de orde kwam, haalde Von Kolkow de Groninger Courant met het volgende bericht: „De heer Von Kolkow wil de Heerepoort, die met de opruiming der vestingwerken alle reden van bestaan heeft verloren, maar als monumentaal gebouw merkwaardig is en daarom vooreerst nog voor een gedeelte zal blijven bestaan, aan de vergetelheid ontrukken en er eene photographische afbeelding van vervaardigen.” Von Kolkow beperkte zijn ambities om fotografie in te schakelen bij de documentatie van het verdwijnende culturele erfgoed niet tot zijn woonplaats. Al in het najaar van 1874 zocht hij op eigen initiatief contact met de zojuist ingestelde Commissie van Rijksadviseurs van de afdeling Kunsten & Wetenschappen, een belangrijk adviesorgaan van de Minister van Binnenlandse Zaken. Hij vroeg in een brief „om belast te worden met de vervaardiging van photographiën der monumenten van de drie noordelijke provinciën.” Als proeve van zijn kunnen beschikten de Rijksadviseurs over enige opnamen van Von Kolkow, waaronder vermoedelijk een foto van de Groningse A-poort. Hij kreeg slechts opdracht om de te slopen vestingwerken van de stad Groningen systematisch vast te leggen. Hiermee verdween Von Kolkows grootse plan om alle monumenten in Friesland, Drente en Groningen te documenteren. De briefwisseling over de afhandeling van de opdracht - bewaard gebleven in de archieven van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, aanwezig in het Algemeen Rijksarchief- verliep via een correspondent van de Rijksadviseurs, de in Assen wonende W.L. Schiffer. De brieven maken duidelijk dat de Rijksadviseurs uitgesproken ideeën hadden over de formele aspecten van de foto's die Von Kolkow moest leveren. De fotograaf moest werken vanaf door Schiffer aangegeven punten. Over twee opnamen, blijkbaar in uitwerking anders dan gewenst, schrijft Schiffer verklarend: „Door de Oosterpoort grijpt onophoudelijk vervoer plaats, zoodat het niet mogelijk was die poort zonder stoffage af te beelden.” „De opneming van de Steentilpoort (…), heeft niet plaats gevonden conform mijn voorschrift. Ik heb namelijk den wensch uitgesproken, dat bij die uit een bouwkundig oogpunt weinig beteekenende poort tevens zouden worden opgenomen een paar ook in Groningen meer en meer verdwijnende trapgevels, (…). Het blijkt dat ik daardoor bij den photograaf het denkbeeld heb opgewekt, dat ik daar verlangde één zogenaamd stadsgezicht. Intusschen, de poort is zichtbaar en in zoverre is het doel bereikt.”

De Rijksadviseurs wilden zakelijke registraties van de architectuur die zou verdwijnen. Juist de documentaire kwaliteit van de fotografie was voor hen waardevol. Vooral de snelheid van het nieuwe medium was een voordeel boven het traditioneel gehanteerde middel van de tekening. Op het moment dat Von Kolkow contact zocht was de ontmanteling van de Groningse vesting al in volle gang. Er was dus niet altijd voldoende tijd om de poorten op te meten en uit te tekenen.

In de praktijk bleek de fotografie soms ook niet al te snel. Hoewel Von Kolkow - die de opdracht exclusief opeiste - de opnamen van sommige poorten al enkele jaren eerder gemaakt had, deed hij er bijna drie jaar over om de complete serie van elf foto's aan zijn opdrachtgevers af te leveren. Als excuses voerde hij zijn drukke werkzaamheden aan en het feit dat hij de afdrukken in kooldruk uitvoerde.

Von Kolkow had interesse in het experimenteren met diverse fotografische technieken. Opvallend is dat deze technieken in relatie staan tot de wetenschapsbeoefening. Door zich bezig te houden met de fotolithografie, de ontwikkeling van de kleurenfotografie en de microfotografie heeft Von Kolkow bijgedragen aan het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden van de fotografie binnen de wetenschap.

Het procédé van de fotolithografie, dat door de Fransman Alphonse Poitevin rond 1855 werd geïntroduceerd en waar de Nederlandse fotograaf Eduard Asser in 1859 een variant op ontwikkelde, maakte het mogelijk afbeeldingen in hoge oplage en met constante kwaliteit af te drukken. Dat Von Kolkow deze techniek toepaste blijkt uit inzendingen van fotolithografieën naar diverse tentoonstellingen. Een opname, misschien wel door Von Kolkow zelf genomen, van een fototentoonstelling uit 1894 laat zien op welke manier hij tijdens zo'n expositie zijn stand inrichtte. Op deze door de Groningse Amateur-Photographen-Vereeniging 'Daguerre' samengestelde expositie was Von Kolkow, wegens zijn betrokkenheid als jurylid, inzender buiten mededinging. Toch ontving hij voor zijn kleurenfoto's een erediploma van verdienste.

De ontwikkeling van de kleurenfotografie was van belang omdat zij bijdroeg aan het - in elk geval door de wetenschap zo verlangde - realistisch vermogen van de fotografie. Von Kolkow bereikte vooruitgang door te experimenteren met de interferentiefotografie naar de methode van Lippmann. Het Tijdschrift voor Photographie schrijft in 1894 naar aanleiding van de Internationale Fotografie- Tentoonstelling in Arnhem over Von Kolkows inzending: „Het grootste aantrekkingspunt dezer tentoonstelling was voorzeker de inzending van den Heer von Kolkow uit Groningen. Hier toch zagen wij directe opnamen van spectrums en voorwerpen naar de natuur en in natuurlijke kleuren, volgens de interferentiemethode van Professor G. Lippmann te Parijs. Het was meer dan verrassend deze spectra bij schuin opvallend licht te aanschouwen en de bloeiende rozetakken of bonte vogels in natuurlijke kleuren als foto's voor ogen te zien, is, zouden wij bijna zeggen, nog grooter wonder dan de uitvinding der fotografie zelve.”

Met betrekking tot de microfotografie is het verband met de wetenschap duidelijk. Sinds het ontstaan van de fotografie werd er in Engeland, Duitsland, Frankrijk en België door verschillende wetenschappers geëxperimenteerd met het maken van opnamen van microscopische beelden, onder wie Samuel Highley, Adolphe Bertsch en Adolphe Neyt. Hierover werd met regelmaat bericht in tijdschriften als Volksvlijt en Algemeene Konst- en Letterbode. Dit laatste tijdschrift schreef in 1841 over een eerste expositie van microscopische beelden in Nederland. De apotheker C.T. Marius en de mechanicus C. Bekker maakten deze in de vorm van kleine daguerreotypieën en toonden ze aan leden van het Arnhemse genootschap Prodesse Conamur. De exactheid van de fotografische registratie en de snelheid waarmee ze gemaakt kon worden, waren de grote voordelen van een microfoto boven een tekening van het preparaat. Of Von Kolkow zich dit specialisme zelf aanleerde is onduidelijk. In vaktijdschriften als het Tijdschrift voor Photographie verschenen vanaf 1864 regelmatig verhandelingen waarin de toepassing van de techniek en de meest geëigende camera's gedetailleerd werden beschreven.

Von Kolkow zag de fotografie vooral als dienend medium. Dit blijkt naast zijn belangstelling voor bepaalde technieken, zijn opnamen van vestingwerken en de context waarin deze werden gemaakt, ook uit zijn activiteiten voor het Groninger Natuurkundig Genootschap.

In 1865 werd Von Kolkow lid van deze vereniging. Jaarverslagen geven aan dat hij zich naast het portretteren van hoogleraren vooral toelegde op de microfotografie. Volgens diezelfde jaarverslagen, beheerste Von Kolkow dit specialisme vanaf 1875. Zijn opnamen van preparaten werden deels omgezet in lantaarnplaatjes. Wetenschappers als Dirk Huizinga, hoogleraar in de fysiologie en fysische chemie, en Enno D. Wiersma, privaat docent en later hoogleraar in de psychiatrie, gebruikten ze bij hun lezingen. Het jaarverslag van 1875 meldt over een lezing van professor Petrus de Boer, hoogleraar in de plantkunde: „… eenige uitmuntend geslaagde photografiën vertoond van microscopische botanische objecten door den heer Von Kolkow, naar aanleiding eener te Weenen uitgeschreven prijsvraag, vervaardigd, en aldaar met zilver bekroond.”

Von Kolkows microfotografieën vielen niet alleen in de smaak bij de professoren van het Groninger Natuurkundig Genootschap. De verschillende prijzen die hij met dit soort opnamen in de wacht sleepte, getuigen ook van waardering door vakgenoten. Een juryrapport van de expositie van 1894 in Arnhem oordeelde over Von Kolkows inzending: „.. .welke inzenders (Von Kolkow & Co.) eene groote verscheidenheid van voorwerpen hebben tentoongesteld, waaronder vele belangrijke toepassingen der photographie op het gebied der wetenschap, b.v. zeer zuivere microscopische vergrootingen, het zonnespectrum en eenige vrij wel gelukte photolithographische produkten.” Tijdens het vijfenzeventigjarige bestaan van het Groninger Natuurkundig Genootschap in 1876, bestond een deel van de feestelijkheden uit het projecteren van afbeeldingen van microscopische voorwerpen gemaakt door Von Kolkow en ook werd het toestel tentoongesteld waarmee hij deze beelden vervaardigde. Von Kolkow was overigens lid van het organiserend feestcomité waaruit blijkt hoezeer hij bij de vereniging betrokken was. Uiteindelijk zou dat voor hem in 1891 resulteren in een erelidmaatschap.

Het belang dat Von Kolkow hechtte aan de relatie tussen fotografie en wetenschap komt wellicht het sterkst naar voren in zijn lezing over de geschiedenis van de fotografie. Onder de titel 'Over Daguerre's uitvinding en de geschiedenis der photographie van 1839 af tot heden' hield hij op 4 en 12 februari 1890, op uitnodiging van het Groninger Natuurkundig Genootschap, een voordracht.

In de verslagen van de Provinciale Groninger Courant van 6 en 13 februari en in de Nieuwe Groninger Courant van 5, 8 en 12 februari is de inhoud van de lezing weergegeven. Von Kolkow vertelt allereerst over de vroegste experimenten met lichtgevoelig materiaal van Thomas Wedgewood en Humphry Davy. Vervolgens schetst hij aan de hand van de ontdekkingen van Joseph Nicéphore Nièpce, Louis Jacques Mande Daguerre en William Henri Fox Talbot de vroege geschiedenis. In het tweede deel van de lezing vertelt Von Kolkow over de moderne fotografie. Hierbij behandelt hij onder meer de heliografie, fotolithografie, lichtdruk, kooldruk, en het maken van gevoelige platen en microscopische preparaten. Bovendien toont hij een proef van een 'photographie instantanée met magnesiumlicht'. Daarnaast gaat hij uitgebreid in op de toepassingsmogelijkheden van het medium. De rol die hij voor de fotografie binnen de wetenschap ziet weggelegd komt hier expliciet aan de orde: „Voorbij is de tijd, waarin de photographie alleen werd gebezigd om portretten en landschappen te maken. Zij is niet langer een beroep, een ambacht, zij is eene wetenschap geworden; een middel om licht te verspreiden daar, waar schijnbaar onze kennis ophield. Door haar verklaart men feiten, die zonder haar onverklaarbaar waren: ja, zij bracht feiten aan het licht, die men zelfs niet vermoedde. Zij werd de onmisbare dienares van een aantal takken van wetenschap, kunst en nijverheid. Zij leert de physioloog hoe de mensen loopen, de vogels vliegen; den astronoom levert zij met volkomen nauwkeurigheid afbeeldingen van de verschijnselen aan den hemel en doet hem andere ontdekken; den geneeskundige helpt zij ziekteverschijnselen te bestudeeren; den rechtsgeleerde verschaft zij onweerlegbare bewijzen voor strafbare handelingen; den politiedienaar middelen om misdadigers op te sporen. Vervalschingen van levensmiddelen brengt zij aan het licht (…) Het photographisch oog kan zien wat het lichamelijk oog niet ziet. Het eerste wordt niet moede als het laatste. Het eerste daarentegen ziet hoe langer hoe meer, steeds nauwkeuriger.”

Von Kolkow benadrukt het functionele karakter van de fotografie. Zijn woordkeus en ideeën wijzen vooruit naar opvattingen van de aanhangers van de Nieuwe Fotografie zo'n veertig jaar later. Dat 'zakelijke' fotografie al in de negentiende eeuw op weloverwogen wijze werd beoefend, is naar aanleiding van oeuvres van industriële fotografen als Pieter Oosterhuis, Jacobus van Gorkom en Julius Perger al eerder gesteld. De opvattingen en het oeuvre van Von Kolkow sluiten aan bij deze traditie van 'Oude Zakelijkheid'. Ter begeleiding van bovengenoemde lezing richtte Von Kolkow in het verenigingsgebouw van het Natuurkundig Genootschap, het Concerthuis, een internationale fototentoonstelling in. Deze expositie illustreerde het exposé van Von Kolkow en was slechts toegankelijk voor een select publiek, bestaande uit de leden van het Groninger Natuurkundig Genootschap, het Genootschap Pictura, de Maatschappij der Nijverheid en mensen werkzaam in het onderwijs. Tot de tweeëndertig deelnemende fotografen, afkomstig uit Engeland, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, behoorden voor Nederland Richard Kameke, Professor J.C. Kapteyn, P. Noordhoff, M. Berghuis, G.P. Smith en Scholtens & Zoon. Als samensteller heeft Von Kolkow ook willen laten zien hoe snel de fotografie zich in de loop van dertig jaar had weten te ontwikkelen. Ter vergelijking had hij een aantal foto's van dertig jaar terug opgenomen. Het verslag in de Nieuwe Groninger Courant meldt daarover: „Toen waren zij eene wezenlijke overwinning van 't menschelijk vernunft; bij de thans bereikte hoogte maken zij een bijna lachwekkend effect.” De expositie was een succes. De duur ervan werd enige dagen verlengd en nu mochten niet-genodigden tegen betaling van vijfentwintig cent naar binnen.

Von Kolkows werkgebied beperkte zich niet strikt tot de fotografie. In 1883 bijvoorbeeld schreef hij het gemeentebestuur om hen te attenderen op „een middel (…) tot verbetering van de waterverversching in de bad- en zweminrichting”. In 1907 stuurde hij Burgemeester en Wethouders prospectussen voor de levering van brandweermaterialen en op drieënzeventigjarige leeftijd was hij bemiddelaar voor de N.V. voor Wetenschappelijke Cinematografie, die van 19 tot 26 september 1912 een reeks voorstellingen in Groningen organiseerde. Von Kolkow had een jaar eerder zelf al bij het Groninger Natuurkundig Genootschap een poging ondernomen om, blijkens bestuursnotulen van 9 oktober 1911, „voorstellingen op wetenschappelijk gebied door middel van een kinematograaf” te organiseren in het verenigingsgebouw. Ondanks de sympathie voor zijn voorstel bij het bestuur is het uiteindelijk nooit zover gekomen. Waarschijnlijk was men bang voor brandgevaar en vreesde men de concurrentie van reguliere bioscopen.

Zijn bekendheid heeft Von Kolkow niet mogen baten toen hij in 1912 andere huisvesting zocht voor zijn zaak. De nieuwe eigenaar van het pand waarin zijn winkel gevestigd was, wilde in zijn pand geen bedrijf hebben. Het gemeentebestuur verklaarde zich niet ontvankelijk voor Von Kolkows schriftelijk verzoek van 11 december om te zorgen voor een tijdelijke opslagruimte voor de inventaris, zodat hij verder kon zoeken naar een „modern naar de eischen des tijds passende inrichting”. Die brief maakt ook duidelijk dat hij de zaak onder firma wilde overdragen, maar een naam van een eventuele gegadigde noemde hij niet. Waarschijnlijk is hij er niet in geslaagd een opvolger te vinden. Een veilingcatalogus van het Verkooplokaal 'Plantyn' te Groningen uit mei 1913 vermeldt de openbare verkoop van „de instrumenten van een bekend photographisch atelier in Groningen”. Hoewel de naam Von Kolkow niet wordt genoemd, lijkt het aannemelijk dat het hier om zijn inventaris gaat.

Het archief van Von Kolkow is gedeeltelijk bewaard gebleven. Van zijn wetenschappelijke toepassingen - microfoto's en fotolithografie - is niets teruggevonden dat aan hem kan worden toegeschreven. Het Gronings gemeenteraadslid Gerrit Pieter Smith (11 augustus 1868 Groningen - Groningen 20 januari 1933), directeur van een stoomkoffiebranderij en theehandel en tevens amateurfotograaf, schonk in 1921 verscheidene glasnegatieven van stadspoorten en stadsgezichten aan het Museum van Oudheden voor Stad en Lande (het huidige Groninger Museum voor Stad en Lande). Bovendien zijn een aantal negatieven van stadspoorten via fotograaf Piet Kramer (2 februari 1878 Groningen - Groningen 2 maart 1952) terecht gekomen bij het Gronings Gemeentearchief. Kramers negatievencatalogus van rond 1900 vermeldt verschillende locaties die Von Kolkow ook heeft gefotografeerd. De betreffende glasnegatieven in het Gemeentearchief hebben op de rand een dubbele nummering, waarvan één doorgestreept is. Het betreft negatieven waarvan afdrukken van Von Kolkow bekend zijn. Piet Kramer, onder meer specialist op het gebied van architectuurfotografie, had deze blijkbaar overgenomen.

Hoewel Von Kolkow een pionier was op het gebied van de wetenschappelijk toegepaste fotografie en de ontwikkeling van de kleurenfotografie, had hij - mede doordat hij zich nauwelijks in de discussies in de Nederlandse fototijdschriften mengde - een beperkte invloed. Wellicht is dit gedeeltelijk te wijten aan zijn eigen opvatting over de fotografie als dienende, toegepaste kunst. In de discussies rond de eeuwwisseling ging het veeleer om de fotografie als kunstuiting, een onderwerp waarvoor Von Kolkow niet erg moet hebben warmgelopen. Hij was zowel in zijn fotografisch oeuvre als in zijn technische experimenten een exponent van wat men achteraf de 'Oude Zakelijkheid' in de Nederlandse fotografie zou kunnen noemen. Het functionele stond bij hem altijd centraal. Wanneer men Von Kolkows hierboven geciteerde ideeën omtrent de fotografie vergelijkt met die van de 'Nieuwe Fotografie' van rond 1930, is de overeenkomst in geest frappant.

Von Kolkows naam raakte vrij snel in vergetelheid nadat zijn fotografisch bedrijf in 1913 ophield te bestaan. Toch was er juist in zijn laatste levensjaren grote waardering voor de wijze waarop hij zijn vak uitoefende. In 1912 kwam tijdens een commissievergadering ter voorbereiding van het derde eeuwfeest van de Groningse Universiteit de keuze van een fotograaf voor een gedenkboek ter sprake. Professor J.W. Moll pleitte voor Von Kolkow, naar zijn mening „de eenige Groningsche photograaf die voor wetenschappelijke zaken gevoel heeft en zich daarover veel moeite zal getroosten”.

Websites en bronnen:
• https://depthoffield.universiteitleiden.nl/0816f03nl/ - FotoLexicon, 8e jaargang, nr. 16 (september 1991) (nl); Robbert van Venetië; Annet Zondervan.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.