Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 31-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

De gebeurtenissen van 1890 en 1892 hebben diepe indruk gemaakt op de mensen, ook op de kinderen.
Twee personen, die het als kind meegemaakt hebben, hebben op hoge leeftijd hun herinneringen opgeschreven. Wij geven ze hieronder weer.

Freerk Bennema, geboren 1882 te Noordbroek, vertelde:
'Ongeveer half december 1890 deed de winter zijn intrede en hij duurde tot einde maart. Het was verschrikkelijk koud en de sneeuw lag meters hoog bij de weg. Van transport op de weg was geen sprake. Het ijs in de vaarten lag tot de bodem toe. De snikken van Noordbroek hebben in het laatst van april het ijs gebroken. Daar waren een massa paarden en mensen voor nodig. In het dorp is heel wat armoede geleden. Brandstof was er haast niet meer. Kolen waren er toen nog niet, alleen turf en wat hout. De arbeiders haalden alle palen en wat maar brandbaar was in het veld, weg en namen het mee naar huis. Er was geen geld meer onder de arbeiders. De boeren stuurden hun arbeiders naar huis en bekommerden zich er niet over, of de mensen te eten hadden of niet. De arbeiders waren ten einde raad en sarrens moede en door de honger gedreven gingen zij des nachts bij de weg en stalen voedsel voor hun kinderen. Het was in de tijd van de opkomst van het socialisme. Overa! kraakte het en het was Domela Nieuwenhuis, die de kat de bel aanbond. Hij reisde het gehele noorden door om de mensen op te wekken en uit de misere te halen. Ik zie hem nog lopen voor in de stoet, als er gedemonstreerd werd. Hij wekte de mensen op, zich op de weg te begeven en zich niet stilletjes te laten verhongeren in hun huizen. Zij hadden allen recht op een menswaardig bestaan. Maar de arbeiders maakten het soms al te bar, als ze optochten hielden en Domela er niet bij was. Hij hield niet van geweld. Maar ja, hoe gaat het als de mens honger heeft? De boeren werden bang, want er werd bij hen door de ruiten geschoten met oude achterladers. Het duurde dan ook niet lang meer, of er kwamen huzaren in Noord- en Zuidbroek, in Hoogezand, Sappemeer en de Pekela's. Als de arbeiders optochten wilden houden, sloegen de huzaren, op hun paarden gezeten, er door heen. Maar onze arbeiders hielden de kop er voor en gaven niet toe. Het duurde nog een paar weken en toen kregen de boeren van de regering bevel, dat iedere boer twee of drie arbeiders, al naar de grootte van hun bedrijf, in dienst moest nemen, terwijl de gemeente eten en drinken verschafte aan diegenen, die er het slechtst aan toe waren. De huzaren vertrokken weer en de vrede keerde in ons dorpje terug.

Mevrouw J. Muller-van Delden schreef op drieëntachtigjarige leeftijd het volgende.
Ongeveer vijf jaar had ik geleefd in het rustige, agrarische en schone dorp Noordbroek. Ik ging al op de lagere school bij juffrouw Vierkant, toen ineens het anders zo vredige dorp (behalve de brooddronken Muntendammers, die het dorp af en toe op stelten zetten) uit zijn gemoedelijk heid werd opgeschrikt. Het hele dorp was als bij toverslag in rep en roer. Wat was dat toch, dat de bewoners deed opschrikken uit hun dagelijkse bezigheden? Er trokken mensen door het dorp met rode vaandels en de hele arbeidersbevolking volgde, getooid met rode strikken, vlaggen en linten. Het was zondag, want staken was er toen nog niet bij, omdat de arbeidersbevolking niet georganiseerd was. Het was een reuzen optocht zoals ik dat als kind van vijf jaar ervoer. In de zaal van Schröder volgde de éne spreker de andere op. Het was er eivol. Ze hingen zelfs uit de ramen. Thans ben ik drieëntachtig, maar ik weet het nog alsof het gisteren gebeurd is. Hoe de namen van de sprekers waren, weet ik niet meer. Misschien was het Domela Nieuwenhuis of Troelstra.


Mijn moeder was ook nieuwsgierig en ging ook op de weg kijken. Ze ontmoette een vrouw van Siddebuursterveen, ook helemaal versierd met rode linten, die ze zelfs om haar benen had gebonden. Dit ontlokte mijn moeder de vraag: 'Loop ie ook mit rooie strikk'n om bain'n, Aoltje?' 'Joa man, ik dou ook mit. Aalmoal mout'n mitdoun!'

Ik ken alle liederen uit die tijd nog en ik zong ze allemaal mee, zoals:
Acht uur, zo klinkt door alle landen
Acht uur zij onze arbeidstijd…
Ga, ga, Marianne, voer ons aan, verlos de maatschappij
Nu van tirannen en maak ons vrij.
Ik ben uit het ruwe volk geboren
Mijn naam is overal bekend
'k Draag om mijn losgebonden haren
De rode muts der vrijheidsbent…
Dansen wij de carmijoten…

Maar het leven was voor de boeren toen ook niet rooskleurig. Er was geen geld en wij moesten de uiterste zuinigheid betrachten zonder enige weelde. Het koren kostte haast niets, één gulden en een kwartje een mud haver. Ettelijke Oldambtster boeren gingen failliet, al waren zij ook nog zo zuinig. Een anecdote hoorde ik later vertellen: er was een boer, die ernstig ziek lag; zijn zoon Harm waakte bij hem en toen zei de boer: Haarm, poest de keerze moar uut, ik kin in duustern ja wel staar'm'

Maar wat gebeurde er? Er kwamen soldaten met geweren en sabels, infanteristen. Op een dag had lutjeknecht een stijve arm. Mijn moeder zei: "Geert, wat hest doe aan dien aarm?”' Het hoge woord kwam er gauw uit: ”Ik bin gusteroavend noar 'n spreker west en dou kwammen de soldoaten mit geweld binn'n en sluig'n ons mit kolf van heur geweren; ik kreeg ook 'n kedonzel en dou vuil ik in ''t zoepenvat.”

De infanteristen verdwenen en werden opgevolgd door cavaleristen te paard met kolbakken op het hoofd. De cavaleristen konden vlugger van het éne gehucht naar het andere komen.
Op een goede morgen kwam ik als vijfjarig kind uit school. Ik liep op het riepke, niet ver meer van ons huis en daar hoorde ik in de verte achter mij het geklepper van paardenhoefijzers. Ik keek
schichtig achterom en daar kwamen die grote kereis met berenmutsen op, hoog te paard, aanhollen. Ik kreeg het van angst haast op mijn zenuwen en rende zo hard ik kon naar huis. Ik moest het gootje nog nemen, de weg overrennen, onze tuin in. Gelukkig stonden mijn ouders in de tuin en vingen het angstige kind op en zo zag ik, beschermd, de geweldenaren met de vervaarlijke berenmutsen op, voorbij rijden.
Er was een tolhek in het noorden en Zwier Buurke smeet het tolhek dicht. Het verhaal ging, dat
zij er toen achter elkaar overheen sprongen.





Pageviews vandaag: 7.