Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 28-10-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Amsterdam, 31 december 1846 - Hilversum, 18 november 1919) was aanvankelijk een predikant, later socialistische politicus en nog later een sociaal-anarchist en antimilitarist. Hij geldt als een van de pioniers van de socialistische beweging in Nederland. In 1879 was hij oprichter van het tijdschrift Recht voor Allen en in 1881 richtte hij de eerste landelijke socialistische partij van Nederland op, de Sociaal-Democratische Bond (SDB). In 1898 was hij oprichter van het anarchistische blad De Vrije Socialist.

De kracht die van zijn overtuiging uitging, gevoegd bij een onvoorstelbare werkkracht, en bovenal zijn charismatische persoonlijkheid, hebben Domela Nieuwenhuis een unieke plaats bezorgd in de Nederlandse arbeidersbeweging. In Friesland sprak men van 'ús verlosser'. De volledige zelfbeheersing en rust in zijn optreden, ook onder zeer emotionele omstandigheden, de offers die het socialisme en de opofferingen die de propaganda vroegen, zijn uiterlijke verschijning en zijn sobere levenswijze - sedert 1878 was hij geheelonthouder, vegetariër en niet-roker - dit alles droeg sterk bij aan zijn charisma en drukte een stempel op de gehele beweging.

Stamboom

Ferdinand was de zoon van Ferdinand Jacob(us) (Domela) Nieuwenhuis (1808-1869), Evangelisch-Luthers predikant en hoogleraar theologie aan het Luthers Seminarie te Amsterdam, en Henrietta Frances Berry (1810-1857).
10 juli 1859 werd bij Koninklijk Besluit beslist dat de familie Nieuwenhuis zich voortaan Domela Nieuwenhuis mocht noemen.
Ferdinand had tien broers en zussen van wie er vier voor hun derde levensjaar stierven.
Een van zijn broers was kunstverzamelaar A.J. Domela Nieuwenhuis.
Ferdinand Domela Nieuwenhuis huwde viermaal; steeds met een Johanna. Zijn eerste drie vrouwen stierven in het kraambed.
Gehuwd op 24-3-1870 met Johanna Lulofs. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Zij overleed (26-3-1872) in het kraambed.

Gehuwd op 29-10-1874 met Johanna Adriana Verhagen. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren en een zoontje dat jong overleed. Zij overleed (1-8-1877) in het kraambed.
Gehuwd op 21-4-1880 met Johanna Frederica Schingen Hagen. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren, die jong overleed. Zij overleed (27-2-1884).
Gehuwd op 27-5-1891 met Egberta Johanna Godthelp. Uit dit huwelijk werden, behalve 2 kinderen die jong overleden zijn, 1 dochter en 1 zoon geboren, de latere kunstschilder César Domela Nieuwenhuis.

Jeugd

Toen Ferdinand tien jaar jong was, overleed zijn moeder, waarna zijn vader hertrouwde met de welgestelde Marianne Antoinette Meijer (26 augustus 1804 Amsterdam - 23 maart 1886 Amsterdam). Ferdinand groeide op in een warm, welvarend en liberaal luthers gezin. Als kind hield hij van paardrijden, schaken, kerkjespelen, historische boeken en reciteerde hij graag bekende gedichten en versjes uit de Nederlandse literatuur en geschiedenis. In zijn memoires schreef Domela over de aard van zijn familie: 'geen kruiperig karakter, een kritische zin, een geest van tegenspraak en verzet, een zelfstandig oordeel, een zichzelf-zijn'.

Studietijd

Ferdinand studeerde na eindexamen gymnasium in Amsterdam, theologie in Utrecht en Amsterdam. Hij vond de colleges saai maar hield van de verhalen over de Franse Revolutie van professor Marinus des Amorie van der Hoeven en de lessen van kerkhistoricus Willem Moll.

Domela Nieuwenhuis leerde tijdens zijn studie de toen opkomende moderne theologie kennen en bestudeerde de werken van de Groningse school (met onder meer Petrus Hofstede de Groot en Joan F. van Oordt), liberale theologen als Jan Hendrik Scholten, David F. Strauss die een scherpe historisch-filosofische kritiek op het christendom leverde en Friedrich Schleiermacher en ex-predikanten als Allard Pierson en Conrad Busken Huet die publiekelijk afscheid namen van ambt en kerk.

Predikambt

Alhoewel Domela Nieuwenhuis al tijdens zijn theologiestudie twijfelde aan zijn geloof, werd hij dan toch Evangelisch-Luthers predikant in Harlingen (1870/1871), Beverwijk (1871-1875) en Den Haag (1875-1879).

Vredebond

Tijdens zijn predikambt had hij zijn belangstelling voor maatschappelijke problemen ontwikkeld. In Harlingen richtte hij in september 1870 een lokale afdeling van de Vredesbond op, die op meerdere plekken in Nederland werd opgericht vanwege de eerder dat jaar begonnen Frans-Duitse Oorlog. Domela schreef voor deze Vredebond een brochure getiteld Een vraagstuk van internationaal belang (1870). Samen met de Vredesbond bekende hij zich reeds als een overtuigd pacifist, maar nog niet als de antimilitarist die hij later zou worden.

In Harlingen steunde hij, ondanks zijn toen nog afwijzende houding tegenover het socialisme, de arbeidersklasse in haar poging op vreedzame wijze loonsverhoging te krijgen, 'juist omdat de vorm zoo goed is en in tegenstelling van de Internationale die eischen stelt en dreigt met staking', zoals hij begin 1871 aan zijn broer Adriaan schreef.

In 1871 verhuisde hij naar Beverwijk. Naast zijn predikantschap aldaar was hij er actief voor de plaatselijke Vredebond en als redacteur voor het Streekweekblad Kennemerland.

Maart 1872 overleed zijn eerste vrouw Johanna Lulofs in het kraambed van hun tweede kind.

In 1872 schreef hij twee artikelen in De Gids over de vredesbeweging.

Socialisme

Domela Nieuwenhuis raakte steeds geïnteresseerder in het socialisme en communisme. In augustus 1874 vroeg hij aan zijn broer Adriaan, die in Duitsland studeerde, om socialistische lectuur. Een paar jaar later ondernam Domela zelf een reis naar Duitsland om de sociale kwestie te bestuderen.

Van 1875 tot 1879 bekleedde Domela Nieuwenhuis het predikambt in de Lutherse Kerk in Den Haag. Hij kwam als voorganger steeds vaker in conflict met collegapredikanten en gemeenteleden. Zo wilde Domela Nieuwenhuis niet meer op Hemelvaartsdag voorgaan, omdat hij betwijfelde of de hemel wel bestond.

Domela Nieuwenhuis leefde sterk - bijna absoluut - vanuit zijn overtuiging. Die overtuiging kon bij hem van inhoud veranderen, de idee dat men er volledig voor moest staan bleef. Halven en heelen, de titel van een brochure van Domela uit 1875, waarin hij alle halfheid fel veroordeelde, gaf die houding al goed weer. Halfheid, vooral als hij anders verwacht had, schokte hem diep; zo toen hij las dat de door hem bewonderde Multatuli tot concessies bereid was geweest.

In 1876 hield Domela zijn eerste spreekbeurt voor het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV). Na de lezing kwam hij in gesprek met de voorzitter, Willem Ansing, en die wist hem te overtuigen lid te worden. Ook ging hij voor het ANWV-orgaan De Werkmansbode schrijven. Tussen juli 1878 en augustus 1879 verschenen daar anoniem zijn 'Sociale brieven'.

In deze tijd ging Domela om met ANWV-voorzitter B.H. Heldt en met enige katheder-socialisten, onder wie M.J. de Witt Hamer.

In een brief van mei 1877 aan zijn broer maakte hij melding van zijn interesse voor het werk van F. Lassalle, H. Schulze-Delitzsch, Wilhelm Liebknecht en voor Das Kapital van Karl Marx. Hij meende: 'de verwezenlijking der sociaal-demokratische ideeën is naar mijn mening, ook zelfs waar men eenzijdig is, de weg om het geluk der volkeren te brengen of te verbeteren.' Ruim twee jaar voor zijn definitieve afscheid van de kerk vroeg hij zich in diezelfde brief af of zijn activiteit 'zich op den duur zal kunnen verdragen met een kerkelijke positie, ziedaar de vraag waarop de toekomst alleen een antwoord kan geven.'

In november 1878 schreef hij in De Werkmansbode: "Wat mij aangaat en mijn verhouding tot de arbeiderszaak, ik ben socialist, al ben ik niet geheel sociaaldemokraat. Het onderscheid tusschen beiden is meer een vraag van tactiek… Voor mij ligt in het socialisme nog altijd een ideale gedachte, die ik elders tevergeefs zoek ... Het socialisme, de solidariteit van belangen, de gemeenschapsidee die de rechte verhouding tusschen plichten en rechten stelt.'

Recht voor Allen

Door zijn consequentie werd Domela als het ware 'in de arbeidersbeweging geworpen', waaraan hij zich dan ook voor honderd procent gaf. Hij was reeds actief geweest in de vredesbeweging, het Comité ter bespreking der Sociale Kwestie, had 'Sociale brieven' in de Werkmansbode gepubliceerd en was in contact gekomen met socialistische arbeiders als Hendrik Gerhard.
1 April 1879 verscheen Recht voor Allen als weekblad - de eerste socialistische periodiek in Nederland - met Domela als redacteur. Recht voor Allen ontwikkelde zich snel in revolutionair-socialistische richting en wendde zich rechtstreeks - door inhoud en door de wijze van propaganda (colportage) - tot de arbeiders.

Vanaf augustus 1879 publiceert hij ook in de staat- en letterkundige periodiek Oost en West, waarin hij eveneens socialistische kwesties aan de orde stelde.

Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen der zogenaamde 'utopische' socialisten en bij 'sociaal-democratie' stond hem de Duitse partij als exemplarisch voor ogen. Van grote betekenis was de band met de Belgische socialistische beweging, die ver voor lag op die in Nederland. Domela had de aandacht van de Belgische socialistenleider César de Paepe getrokken. De Paepe nodigde Domela uit om in Gent te komen spreken, ook voorzag hij hem van de nodige lectuur, die vooral utopistisch gericht was (E. Cabet, R. Owen, H. de Saint-Simon, Ch. Fourier, P.J. Proudhon en B. Malon).

Afscheid van de kerk

Tegelijkertijd verloor hij geleidelijk zijn geloof in een almachtige god, mede door de dood van zijn vrouwen in het kraambed en het sterven van enkele van zijn kinderen. Maar ook het werk van vrijzinnige theologen, zoals Ernest Renan en David Friedrich Strauss en Multatuli's werk Max Havelaar: of De Koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy uit 1860 was van invloed op het losweken van de kerk. Op 1 september 1879 legde hij daarom zijn ambt neer, waarna hij Mijn afscheid van de Kerk publiceerde. Zijn afscheidspreek had als uitgangspunt: 'Men doet geen nieuwe wijn in oude zakken.' Jezus bleef voor hem altijd 'de man van overtuiging'. Terechtgestelden voor de goede zaak waren immers zijn helden: de Parijse Cummunards van 1871, de Russische revolutionairen, de anarchistische 'martelaren' van Chicago (1887) en de Spaanse anarchist Fr. Ferrer (1909).
Ferdinand verloor zijn geloof in een God en werd eerst pantheïst, daarna atheïst.

Vrijdenkerij

Nieuwenhuis las veel over de vrijheids- en gelijkheidsidealen van de Verlichting en de Franse Revolutie. Hij werd actief in de vrijmetselarij als lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad en bezocht de internationale vrijdenkerscongressen te Brussel (1880) en Amsterdam (1883). Domela kwam wel al snel in botsing met de liberaal denkenden binnen De Dageraad, die het socialisme afwezen. In 1884 bedankte Domela met een aantal geestverwanten toen een tegen het socialisme gerichte resolutie werd aangenomen.

Sociaal Democratische Vereeniging (SDV)
Een week na zijn formele afscheid van de kerk, op 7 september 1879, sprak Domela in Amsterdam voor de Sociaal Democratische Vereeniging (SDV). Deze was in 1878 opgericht door de arbeiders die rond 1870 ook deel hadden uitgemaakt van de Eerste Internationale: de kleermaker H. Gerhard, de smid W. Ansing, de houtzagersknecht K. Ris en anderen. Domela liet zich door Ansing, die al in 1878 contact met hem had opgenomen, in brieven uitleggen hoe arbeiders leefden en werkten en sloot zich aan bij de SDV.

Karl Marx

In 1880 hield Domela zelf een enquête naar de levens- en arbeidsomstandigheden van werklieden. Hij bevond zich toen in de greep van de politieke economie van Marx en misschien nog wel het meest van het empirisch gehalte ervan. Hij correspondeerde met hem en in 1880 begon hij aan een Nederlandse samenvatting van Das Kapital: Kapitaal en Arbeid (Den Haag 1881). Marx, die Nederlands las, sprak er in een van zijn brieven aan Domela zijn tevredenheid over uit, maar gaf in kanttekeningen in het presentexemplaar ook blijk van kritiek.
Domela's boek De normale arbeidsdag. Historisch-ekonomische studie (Den Haag 1887) was voor een belangrijk deel eveneens een (van veel statistieken voorzien) excerpt uit Das Kapital. Ook in zijn latere geschriften schuwde Domela precieze cijfers en empirische gegevens niet, zoals in Een vergeten hoofdstuk. Blanke slaven (Amsterdam 1898), dat hij onder pseudoniem schreef, quasi als supplement bij het gedenkboek Een halve eeuw dat Het Nieuws van den Dag uitgaf ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina.
Domele was echter zeker geen doctrinaire marxist, hij kende de oude Franse socialisten en was beïnvloed door de praktisch ingestelde beweging in Gent (waar hij als dominee al had gesproken).

SDB

Domela werd als secretaris een van de grote voormannen en propagandisten van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), meestal Sociaal Democratische Bond (SDB) genoemd. Het was de eerste landelijke socialistische partij die in 1881, vooral door zijn initiatief en leiding, uit plaatselijke socialistisch-gezinde groepen ontstond.
De opvatting dat de SDB voornamelijk een 'Domela-beweging' zou zijn geweest is door historisch onderzoek inmiddels wat gerelativeerd. De partij telde veel zelfstandige geesten en een grote verscheidenheid van meningen.
In de jaren tachtig groeide de SDB, de 'oude beweging (van socialisme)', mede door vermaard gebleven propagandatochten van Domela Nieuwenhuis door de noordelijke provincies, uit tot de eerste socialistische massabeweging in Nederland; de SDB had sterke aanhang in Amsterdam, Den Haag, in het noorden, o.a. in de Friesche woudstreken, het Bildt, Oost-Groningen en de Veenkoloniën, Twente en veel grote plaatsen buiten de homogeen katholieke streken.
Domela bracht Recht voor Allen in, dat overigens al een paar maanden na de oprichting als orgaan van de sociaal-democratie was gaan fungeren. Het duurde dan ook niet lang of Domela gold als de leider van de SDB, die in verscheidene opzichten een richting gaf die afweek van de buitenlandse zusterpartijen.
Door zijn toedoen stelde de SDB-afdeling Den Haag voor, het uit Duitsland geïmporteerde sociaal-democratische program van Gotha van 1875 uit te breiden met een passage over de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen. W. Drucker oordeelde later in het Gedenkboek ter gelegenheid van den 70sten verjaardag van F. Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1916): 'Feminist (was) Domela Nieuwenhuis niet - toch uit zijn woord en daad (is) het Nederlandse Feminisme geboren.'
Met J.St. Mill wees hij prostitutie af, ook was hij voor monogamie in het huwelijk. Hij had een traditionele opvatting over de rol van de man in het gezin.

Domela was ook degene die het atheïsme in de oude Nederlandse sociaal-democratie inbracht. Zijn Handboek van den vrijdenker (Rotterdam 1922) getuigt van zijn behoefte aan systematische uiteenzetting van deze problematiek. Tegelijk bleef hij zich van christelijke symbolen, beelden en gelijkenissen bedienen. Voor zijn boek Typen. Karakterstudies (Amsterdam 1903) koos hij als voorbeelden figuren uit de Bijbel.

Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was ook de geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme. Domela zelf kwam in 1878 via het vegetarisme tot de geheelonthouding en accepteerde vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten waar hij sprak. Hij behoorde tot degenen die afschaffing van alcoholhoudende drank voorstonden, niet matiging van het gebruik. Volgens Domela waren levenshervorming en maatschappijhervorming onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Maar niet alleen de beginselen en het program van de sociaal-democratie kregen mede door Domela een specifiek Nederlandse vorm, hij was ook de politieke vormgever van de arbeidersbeweging op nationaal niveau.
Verder werden stakingen gesteund, sociale wantoestanden aan de kaak gesteld, en werklozen-comité's, die de straat opgingen, gestimuleerd, hetgeen door de gevestigde orde als zeer bedreigend werd gevoeld. Het palingoproer in Amsterdam (1886) speelde zich echter los van de SDB af.

Algemeen Kies- en Stemrecht

Behalve directe propaganda en agitatie voor het socialisme, en nauw daarmee verbonden, steunde en voerde de SDB strijd voor het algemeen kiesrecht, door middel van petitionnementen en betogingen. Een breed Comité voor Algemeen Stemrecht was, mede door Domela, in 1879 gevormd. In 1882 werd mede op initiatief van Domela de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht (BAKS) opgericht, gemakshalve vaak de Kiesbond genoemd, een beweging waartoe ook de bekende socialist Pieter Jelles Troelstra behoorde en die actie voerde om het kiesrecht uitgebreid te krijgen. De groeiende agitatie van deze beweging, die veel weerklank vond, kwam de SDB zeer ten goede. Op de massale kiesrechtbijeenkomsten traden Domela en andere socialisten op als sprekers.

In die tijd mocht slechts 1/8ste van de volwassen mannen stemmen. In 1883 werd op Prinsjesdag een grote demonstratie voor het algemeen kiesrecht door de Kiesbond gehouden. De demonstranten stonden langs de route van de Koninklijke stoet en lieten op een plek een groot aantal linten met protestleuzen op de koets neerdalen.
Op 15 september 1884 bood Domela Nieuwenhuis samen met andere vertegenwoordigers van de Kiesbond een petitie aan premier Jan Heemskerk. De premier wees de eis voor het algemeen kiesrecht van de petitie af. Onder druk van de kiesrechtenbeweging werd in 1887 het kiesrecht uitgebreid, waardoor ongeveer 1/7de van de volwassen mannen mocht stemmen. Op Prinsjesdag van 1885 werd de grootste demonstratie uit de geschiedenis van de Kiesbond georganiseerd. Weer werd een petitie opgesteld en aan de regering overhandigd.

Domela correspondeerde met Eduard Douwes Dekker tussen 1883 en 1887, ook bezocht hij hem tweemaal in Nieder-Ingelheim.

Rechtsvervolging

Het optreden en het succes van Domela en andere socialisten bij de SDB leidden tot felle bestrijding en rechtsvervolging, al geschiedde het laatste minder volgens een scherp omlijnde strategie dan de socialisten dachten.
Domela werd tot één jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens vermeende majesteitsschennis naar Willem III, vanwege een artikel 'De Koning komt! ' in Recht voor Allen (24-4-1886). Koning Gorilla, een alias voor Willem III, zou volgens dit artikel maar weinig maken van zijn baantje. Ook het opnemen van een tiental blanco bladzijden voorstellende de activiteiten des Konings viel totaal verkeerd.
Alhoewel het auteurschap omstreden was zat Domela Nieuwenhuis in 1887 ruim zeven maanden vast in de gevangenis te Utrecht. Hij kreeg op de verjaardag van prinses Wilhelmina (31 augustus) gratie. Domela's advocaat, de politicus Samuel van Houten, bekend van het Kinderwetje uit 1874, heeft hem tevergeefs proberen te verdedigen. Later bleek dat Domela Nieuwenhuis het artikel inderdaad niet zelf had geschreven.
In talloze brieven staken partijgenoten hem een hart onder de riem. Ook buitenlandse socialistische leiders deden dit, onder wie De Paepe, Friedrich Engels, E. Anseele, Wilhelm Liebknecht, E. Bernstein, K. Kautsky, W. Morris en E. Reclus. In Nederland kwam onder de sociaal bewogenen uit de burgerij - zowel atheïstische liberalen als predikanten - een gratiebeweging op gang, die in een door B.H. Pekelharing, H.C. Muller, P.C.F. Frowein, V.J. Bruinsma en J.A. Nieuwenhuis getekend adres de koning verzocht onderscheid te maken tussen politieke en niet-politieke gevangenen. L.W.C. Keuchenius, de latere minister, noemde in de Tweede Kamer Domela iemand die 'zich van een hoog zedelijkheidsbeginsel bewust is en te goeder trouw de door hem verkondigde dwalingen voorstaat'. Ook H. Goeman Borgesius, S. van Houten, N.G. Pierson en De Witt Hamer, Domela's verdediger bij de rechtszaak, namen het voor hem op, zonder zijn politieke opvattingen te delen.

In die tijd zorgde men ervoor dat politieke gevangenen anders behandeld werden dan niet-politieke gevangenen. Sprak men over verplichte gevangenisarbeid als zakjes plakken, Domela Nieuwenhuis deed het iets betere dozen vouwen. Bij zijn vervroegd ontslag, toen hem na zeven maanden gratie werd verleend, ontving hij een gedragen pak van de directeur als geschenk. Hij nam vervolgens zijn intrek in het Malakkahofje in Den Haag.

Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakte hij een triomfale tournee door het land. In Rotterdam leidde zijn optreden echter tot rellen.

De SDB werd ook getroffen door vijandige reacties uit het volk: Oranjefuries, o.a. op feestdagen van het Koninklijk Huis en na de vrijlating van Domela. Socialisten en hun woningen moesten het daarbij vaak ontgelden. Domela zelf werd enige malen bedreigd.

Er viel hem met zijn vier kinderen door het overlijden van zijn rijke stiefmoeder in 1886 een zodanige erfenis ten deel dat hij er financieel onafhankelijk van werd. Hij zou zijn ambt als dominee nooit meer nodig hebben om in de kost te kunnen voorzien en kocht een villa in Hilversum.

Zitting in Tweede Kamer

Van 1888 tot 1891 zat Domela, gekozen in het Friese district Schoterland, als eerste - en enige - socialist in de Tweede Kamer. Hij zou zijn verkiezing te danken hebben gehad aan steun uit de gereformeerde hoek. Abraham Kuypers zou advies hebben gegeven aan zijn 'kleine luyden', antirevolutionaire kiezers, om op Domela te stemmen aangezien deze althans geen liberaal in het district wilde laten winnen. Deze bewering is echter niet te bewijzen.

Al sinds 1881 had Domela ook in Noord-Nederland propagandatochten gemaakt. Al duurde het een aantal jaren voordat het socialisme ook daar aansloeg.
De Friese Volkspartij (FVP) stelde Nieuwenhuis in 1888 kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen in het Friese kiesdistrict Schoterland. De FVP was een samenwerkingsverband van de Friese afdelingen van de Kiesbond en de SDB. De FVP had ongeveer 5000 leden.
Domela behaalde in de eerste ronde in Schoterland 769 stemmen tegen B.H. Heldt 1062. In Amsterdam en Groningen eindigde hij in de eerste ronde op de derde plaats met respectievelijk 1064 en 726 stemmen. Alleen in Schoterland kwam hij dus in herstemming en won.

Domela Nieuwenhuis behaalde 31,6 % van de stemmen, dit was meer dan de Anti-Revolutionaire kandidaat, en zo drong hij door tot de tweede ronde. Zijn tegenstander was Bernardus Hermanus Heldt, voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond en kandidaat namens de liberale kiesvereniging. De verkiezingen van dat jaar werden beheerst door de tegenstelling van liberalen en (voor het eerst) samenwerkende confessionelen. In het vuur van de strijd ontried het gereformeerde dagblad De Standaard, bij monde van hun voorman Abraham Kuyper, de kiezers in Schoterland om op de liberaal te stemmen en aldus kwam Domela Nieuwenhuis volkomen onverwacht in het parlement.

Tijdens zijn kamerlidmaatschap heeft Domela - in tegenstelling tot wat latere legendevorming wil - grote parlementaire activiteiten ontplooid. Hoewel hij daarbij steeds praktisch en constructief optrad, werd hij als enige sociaal-democraat in de Kamer, ook in het persoonlijke vlak, volstrekt genegeerd. Bij zijn intrede gaf alleen Keuchenius hem een hand.
Van zijn parlementaire werk deed Domela in Recht voor Allen gedetailleerd verslag. Hij kwam op voor de kleinste eisen, waarbij hij zich zorgvuldig documenteerde. Een wetsontwerp tegen gedwongen winkelnering trok de meeste aandacht. Ook deed hij van zich spreken bij de behandeling van de wetsontwerpen over inperking van de arbeidstijden voor vrouwen en kinderen.
Op 14 mei 1888 hield Domela Nieuwenhuis zijn eerste parlementaire toespraak, waarin hij pleitte voor een verbod op gedwongen winkelnering. Gedwongen winkelnering betekent dat werknemers gedwongen worden door hun werkgever om slechts in een specifieke winkel hun benodigde spullen te kopen. De werknemers zouden ontslagen worden als zij weigerden om alleen bij de winkel van hun baas te kopen. De prijzen in deze winkels waren erg hoog. De regering weigerde om iets tegen gedwongen winkelnering te doen.

In 1891 stelde hij zich met tegenzin herkiesbaar. Hij werd niet herkozen en wilde ook niet verder in de tweede kamer, omdat binnen de partij geen consensus was over voortzetting van zijn lidmaatschap
en omdat hij zijn mandaat niet aan de gunst van een politieke tegenstander te danken wilde hebben. De liberale jurist Treub was namelijk wel bereid zijn zetel aan hem af te staan.

Vlak voor de verkiezingen van 1891 schreef Domela Nieuwenhuis de brochure Vier jaren klasse-regering of wat men met algemeen kiesrecht had kunnen gedaan krijgen dat in honderdduizenden exemplaren werd verspreid. In deze brochure gaf hij een lijst van voorstellen die hij had gedaan en die waren afgewezen. Volgens Domela Nieuwenhuis zouden in het geval van algemeen kiesrecht deze voorstellen wel zijn aangenomen. Een paar voorbeelden zijn: verbod op gedwongen winkelnering; invoering van de achturige werkdag; invoering van het minimumloon; arbeidsverbod voor kinderen onder de vijftien jaar; kosteloos onderwijs; oprichting van ziektefondsen en pensioenfondsen; uitkering bij bedrijfsongevallen; verlaging van indirecte belastingen; beëindiging van de Atjeh-oorlog; onafhankelijkheid voor de kolonies; nationalisering van de spoorwegen en de afschaffing van tol op rijkswegen.

Internationale beweging

Domela Nieuwenhuis speelde ook een rol in de internationale beweging, eerst in de socialistische, later in de anarchistische. Hij publiceerde in Franse en Duitse bladen, bezocht de internationale congressen van de Tweede Internationale te Parijs (1889), Brussel (1891), Zürich (1893) en Londen (1896), waar hij regelmatig pleitte voor een algemene werkstaking bij het uitbreken van een oorlog, ook verzette hij zich tegen het uitsluiten van anarchisten. Hij ontmoette de meeste kopstukken van de bewegingen en correspondeerde met velen van hen. Zo kende hij o.a. Friedrich Engels, Wilhelm Liebknecht, August Bebel, César De Paepe, Peter Kropotkin en Louise Michel. In 1886 werd hij uit België uitgewezen, in 1890 uit Duitsland, waar hij in 1905 enkele weken in hechtenis werd genomen. Naast deze internationale activiteiten trad hij niet alleen tot in alle uithoeken van het land op als spreker, hij schreef vertaalde en bewerkte ook zeer veel. Zijn bibliografie omvat ruim 4.500 titels.

Het hoogtij van zijn politieke loopbaan en de periode van zijn grootste invloed lagen tussen 1880 en 1893. Zijn optreden schiep in deze tijd een band tussen de acties van stedelijke ambachtslieden - deels al georganiseerd in vakverenigingen - en de meer spontane acties van de land- en veenarbeiders in het noorden van het land. Juist de ongeschoolden kwamen in de jaren 1889-1890 in beweging. Er waren stakingen in de glas- en aardewerkindustrie in Maastricht, in de textielindustrie van Twente, in de havens van Amsterdam en Rotterdam en in de landbouw en de venen van het Noorden. Domela sprak in 1890 op een massale staking van veenarbeiders in Beets. In die tijd beleefde de SDB het hoogtepunt van zijn bestaan. De partij beschikte, naast de charismatische Domela, over een aantal bekwame en spreekvaardige voormannen.

Recht voor Allen verscheen van 1889 tot 1891 als dagblad. De revolutieverwachtingen waren hoog en de toon in Recht voor Allen - vooral van mederedacteur Cornelis Croll en medewerker S.E.W. Roorda van Eysinga - was vaak zeer fel en heftig. Het niveau van veel, en veelverspreide, propagandabrochures was echter hoog. Domela droeg aan deze lectuur nog bij met o.a. Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in de werkelijkheid (1885) en Vier jaren klasse-regeering, of Wat men met het algemeen kiesrecht had kunnen gedaan krijgen (1890) met oplagen van resp. 50.000 en 100.000 exemplaren.

1894 SDAP versus Socialistenbond

Er ontstonden binnen de SDB twee stromingen: de sociaal-democraten en de vrije socialisten. Deze stromingen kwamen bijvoorbeeld aan het licht tijdens de sigarenmakersstaking te Groningen in 1892. De verhoudingen tussen de socialisten onderling was slecht. De stakers waren in meerderheid vrije socialisten, terwijl de bestuurders van de sigarenmakersbond sociaal-democraat waren.

De SDB, die tegelijkertijd een grote bloei beleefde, raakte in een interne crisis. Na tien jaar strijd en verwachtingen, maar zonder tastbare veroveringen, rees de vraag: hoe verder? Deze spitste zich toe op het dilemma: parlementarisme of revolutie, sociaal-democratie of anarchisme. En de invloed van het anarchisme nam steeds meer toe.
Domela nam lange tijd een aarzelende houding aan. Aanvankelijk wees Domela dit politiek anarchisme af, al stond hij open voor bepaalde filosofisch-maatschappelijke gedachten ervan. Al vroeg ging zijn sympathie uit naar Peter Kropotkin, de Russische sociaal-anarchist van wie hij al in 1886 een brochure vertaalde en later nog verscheidene boeken. Toen Domela nog Kamerlid was kon hij moeilijk instemmen met het Nederlandse anarchisme, dat in 1887 aan invloed begon te winnen. De uitgave van Anarchist. Orgaan van goddeloozen, haveloozen en regeeringsloozen had Domela eind 1887 nog proberen te voorkomen door in Recht voor Allen royaal plaats in te ruimen voor artikelen van anarchisten. Het blad verscheen toch, en toen het in 1890 in moeilijkheden kwam verleende hij zelfs financiële steun.

De historicus Jan Willem Stutje stelt dat Domela Nieuwenhuis in zijn polemieken ook anti-Joodse typeringen hanteerde, vooral in zijn conflict met Pieter Jelles Troelstra, die in tegenstelling tot Domela parlementair gericht was. Troelstra had een zekere aanhang onder de Joodse diamantbewerkers, volgens Stutje gaf dit Domela aanleiding tot anti-Joodse uitingen. Nadat Troelstra zich in 1894 van de Sociaal-Democratische Bond afscheidde, en de breuk dus een feit was geworden, nam dit af en waren er nog slechts incidentele oprispingen.

In het najaar van 1893 werd de knoop doorgehakt en besloot de SDB niet meer aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer deel te nemen. Domela was niet uit op een partijscheuring. Tegenover deze antiparlementaire motie Hoogezand-Sappemeer, die het kerstcongres van de SDB in 1893 met een krappe meerderheid aanvaardde, stond Domela aarzelend. De inhoud had zijn instemming, maar hij vond dat zowel de parlementairen als de antiparlementairen lid konden blijven van de SDB. Tevergeefs probeerde Domela nog de arbeiderspropagandisten ervan te weerhouden de 'herenpartij' te helpen oprichten, maar augustus 1894 stapten de parlementairen, de sociaal-democraten, dan toch uit de bond en werd - tegenover de Bond - de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht door P.J. Troelstra, W.H. Vliegen, J.H. Schaper, W.P.G. Helsdingen e.a.
De SDAP koos bewust voor parlementaire politiek naar het voorbeeld van de Duitse partij, terwijl Domela juist steeds kritischer tegenover de Duitsers kwam te staan, o.a. op de internationale congressen, waar hij de werkstaking tegen de oorlog bepleitte (1891 en 1893) en solidair was met de anarchisten die uitgesloten werden (1893,1896).

Het verschil in opvatting tussen SDAP en de tot Socialistenbond omgedoopte SDB was in het begin nog niet onoverbrugbaar: de SDAP hield een gewelddadige omwenteling voor onvermijdelijk als eenmaal de socialistische arbeiders de parlementaire meerderheid veroverd hadden en de revolutionairen waren niet zonder meer tegen arbeidswetten en andere hervormingen.

Domela Nieuwenhuis voelde zich steeds sterker aangetrokken tot anarchisme en revolutie. Aanvankelijk steunde de SDB hem daarin; het congres van 1892 nam zelfs een resolutie aan "dat voor het proletariaat duurzame verbetering op grondslag van de tegenwoordige maatschappij niet mogelijk is". Het doel werd "revolutie en omverwerping der bestaande maatschappelijke orde met alle wettelijke en onwettelijke middelen". Dat laatste leidde tot het verbieden van de SDB als vereniging.

De vrije socialisten, die na 1894 binnen de SDB bleven, hadden een anarchistische politieke visie. Deze SDB werd in december 1894 verboden, omdat de partij geweld niet afwees. Daarom werd de SDB herdoopt in Socialistenbond.

Het restant van de SDB en ook de Socialistenbond waarvan Domela Nieuwenhuis aanvankelijk nog lid was, kwamen steeds verder van Domela Nieuwenhuis af te staan. Domela Nieuwenhuis verloor het vertrouwen in de parlementaire democratie en schoof steeds meer op in de richting van het anarchisme. Hij vond de doelen van de Socialistenbond niet ver genoeg gaan en in 1898 zegde hij zijn lidmaatschap op.

De SDAP en Domela stonden al snel fel tegenover elkaar, en de aanvallen over en weer konden een zeer persoonlijk karakter dragen. De wederzijdse verbittering groeide door de zaak-Hoogerhuis (vanaf 1895) en later de afloop van de spoorwegstakingen in 1903.

In 1897 publiceerde Domela een verantwoording van zijn bekering: Le Socialisme en Danger (met een voorwoord van Reclus), zijn belangrijkste theoretische werk, dat nooit in het Nederlands verscheen.
Domela behandelt hierin een tweetal thema's: in de eerste plaats wijst hij op het gevaar dat de socialistische idee loopt als de socialisten zich verzoenen met de staat, zoals het oorspronkelijke christendom teloor ging nadat het staatsgodsdienst werd. Hij leidde dit af uit zijn historische analyse van de Duitse sociaaldemocratie.
Voorts gaat hij in op de tegenstelling tussen autoritair staatssocialisme en vrijheidslievend socialisme.
Het belangrijkste deel verscheen nog wel in een Nederlandse vertaling: Autoritair en libertair socialisme (Amsterdam 1897).

Domela drukte zijn stempel op het vrije socialisme in Nederland door als uiterste consequentie van het anarchisme elke vorm van organisatie, bestuur en meerderheidsbesluiten af te wijzen. Er moesten alleen plaatselijke 'vrije groepen' functioneren. Dit veroorzaakte een permanente spanning tussen theoretici als Domela en de losse groepen. Veel leden van deze groepen waren echter lid van organisaties voor belangenbehartiging (Nationaal Arbeids-Secretariaat), voor antimilitarisme (Internationale Anti-Militaristische Vereeniging), voor atheïsme (De Dageraad) en voor geheelonthouding (Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond). Dit leverde voldoende samenhang en duurzaamheid op en zorgde ervoor dat de invloed van Domela nog lang groot bleef.

De vrije socialist

In 1897 besloot Domela Nieuwenhuis de tot Socialistenbond omgedoopte SDB te verlaten. In het nummer van 26-27 maart 1898 van Recht voor Allen verscheen 'Een woord tot afscheid' en hij beëindigde het redacteurschap van Recht voor Allen op het moment, 2 april 1898, dat hij een nieuw blad liet verschijnen: De Vrije Socialist, een anarchistisch orgaan.
Het verschijnen van deze twee keer per week verschijnende krant markeerde de overstap van Domela Nieuwenhuis van het socialisme naar het anarchisme. Om het onderscheid met de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) te benadrukken noemde hij het blad De Vrije Socialist. De sociaaldemocratie (indertijd vaak het Duitse socialisme genoemd, onder andere omdat het het niet al te democratische democratisch centralisme aanhing) was in de ogen van Domela onvrij. Het blad (hoewel een privéuitgave van Domela) groeide uit tot landelijke spreekbuis van de anarchisten in Nederland en had een oplage van enkele duizenden exemplaren.

Wat van de Socialistenbond restte ging in 1900 op in de SDAP.

Domela Nieuwenhuis trad hierna nog één keer publiekelijk op de voorgrond, namelijk als spreker tijdens de slotvergadering na de nederlaag bij de Spoorwegstakingen in 1903. De algemene werkstaking lag geheel in de lijn van Domela's opvattingen, en 'het woelige kwartaal' van 1903 plaatste hem weer in het middelpunt van de aandacht, hoewel hij geen zitting had in het landelijk Comité van Verweer, dat de algemene werkstaking uitriep en - tot verbittering van veel stakers - weer ophief.

SDP/CPN

De ene na de andere Groninger afdeling maakte zich nu los van de Socialistenbond. Vrije socialistische verenigingen werden opgericht. De overgeblevenen in de Socialistenbond noemden zich de Sociaal Democratische Partij (SDP). Deze partij, die na 1918 Communistische Partij in Nederland (CPN) werd genoemd, won snel aan invloed. Het communisme won daar terrein, waar vroeger de vrije socialisten sterk vertegenwoordigd waren. Er ontstonden afdelingen van de CPN in Finsterwolde, Beerta en Winschoten. Het is opvallend dat ook aan het einde van de 20ste eeuw het juist in het Oldambt is, waar nog een communistische partij bestaat. In de gemeente Reiderland is de NCPN in de gemeenteraad vertegenwoordigd.

anarchisme

Het anarchisme was met name in Oost-Groningen een belangrijke politieke stroming. De radicale socialist en anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis had hier veel invloed. Verspreiding van de idee, antimilitarisme en opvoeding stonden centraal in Domela's anarchisme.

Ook binnen de anarchistische beweging ontstond tweespalt. Sociaal-anarchisten stonden tegenover individueel-anarchisten. De sociaal-anarchisten wilden zich vooral plaatselijk organiseren. De individueel-anarchisten waren wars van elke organisatie. De anarchisten hadden in Groningen een losse vorm van organisatie. Hieraan moest, na het vertrek van Tjerk Luitjes, vooral H.E. Kaspers leiding geven (zie ook vrije anarchistische groep).

Domela was sociaal-anarchist en richtte zich steeds tot de arbeiders en hun strijd, maar hij ontwikkelde zich in individualistische richting en was tegen organisatie van anarchisten als die het kader van plaatselijke groepen te boven ging. In zijn ontwikkeling van de SDB tot anti-organisatorisch ingestelde anarchist speelde persoonlijke factoren mee. Hij kon moeilijk samenwerken met personen die een eigen en gelijkwaardige inbreng hadden, ook als het geestverwanten betrof, zoals C. Cornelissen, die mederedacteur van Recht voor Allen was geweest.

Hij accepteerde wel dat anarchisten zich verenigden als vrijdenkers of antimilitaristen en zich aansloten bij het revolutionair-syndicalistische Nationaal Arbeiders Secretariaat (NAS). Hij was actief in de Vrijdenkersvereeniging De Dageraad, in de mede door hem in 1904 opgerichte Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV) en op internationale congressen van vrijdenkers (Rome 1904, Parijs 1905, Brussel 1910, München 1912) en van antimilitaristen (Amsterdam 1904 en 1907). Domela was geenszins geweldloos. Het antimilitarisme van de IAMV - die een Nederlandse organisatie bleef, met De Wapens Neder als orgaan - was direct verbonden met de strijd tegen het kapitaal.

Publicaties

Domela Nieuwenhuis publiceerde veel in De Vrije Socialist, maar bracht ook nog een enkele vertaling en boeken uit. Domela's publicaties getuigden van zijn open geest, die ruimte liet voor andere opvattingen dan de zijne. In zijn op veel punten originele en waardevolle driedelige Geschiedenis van het socialisme (Amsterdam 1901-1902) deed hij recht aan de vele varianten van socialisme, anarchisme en communisme.

In 1903 publiceerde hij een Nederlandse vertaling van de idealistisch-socialistisch roman Utopia (uit 1516) van de humanistische filosoof Thomas More.

In 1910 bracht Domela Nieuwenhuis zijn autobiografie Van Christen tot Anarchist. Gedenkschriften. op de markt, waarin hij net als in het derde deel van De geschiedenis van het socialisme als in (Amsterdam 1910) stelde dat de arbeidersklasse eerst een hoger loon en sociale zekerheid moest veroveren voordat ze geestelijke vrijheid kon eisen.

En in 1922 verscheen postuum nog een werk. Hierin ging Domela Nieuwenhuis in op de relatie tussen atheïsme en politiek: Handboek van den vrijdenker.

Onder Domela's publikaties, vooral na de eeuwwisseling, neemt het biografische genre een bijzondere plaats in. Zijn leven lang was hij geestdriftig over geestverwante voorgangers en tijdgenoten en liet zich door hen inspireren. In zijn idealiserende biografieën stelt hij hen ten voorbeeld aan anderen. Kinderen vernoemde hij naar Karl Marx, naar de militante atheïstische socialiste en latere theosofe Annie Besant en naar Louise Michel, bekend door haar aandeel in de Parijse Commune. Talrijke portretten sierden de muren van zijn werkkamer. Naast het bekende Christusbeeld van B. Thorvaldsen en de bustes van Dante en J.W. von Goethe hingen hier de portretten van B. de Spinoza, L. Feuerbach, G. Babeuf, A. Blanqui, L. Tolstoj, E. Zola, Michel en Kropotkin. Behalve over deze laatste twee schreef Domela biografieën van Maarten Luther, Michel Servet, Jean Marat, Robert Owen en Michael Bakoenin, verder een groot aantal kleine levensschetsen, vaak in de vorm van een inleiding bij een bloemlezing uit het werk van de betrokkenen. Wat zijn eigen leven betrof liet Domela het niet aan biografen over hier een beeld van te geven. In 1910 publiceerde hij zijn memoires Van Christen tot Anarchist, waarin hij echter wat te veel op zijn geheugen afging.

Eerste Wereldoorlog

Toen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog het Europese anarchisme spleet, trad Domela weer even op de politieke voorgrond. De door Domela bewonderde Kropotkin stelde met andere vooraanstaande anarchisten als J. Grave en Chr. Comelissen een manifest op waarin werd opgeroepen met alle kracht de oorlog tegen Duitsland te steunen.
Domela ondernam tegenactie en tekende met E. Malatesta, A. Shapiro, E. Goldmann en A. Berkman een manifest International anarchist manifesto on the war (februari 1915), dat zich onvoorwaardelijk tegen de in hun ogen kapitalistische oorlog uitsprak. In Nederland onderschreef hij met vele geestverwanten het Dienstweigeringsmanifest (kerstmis 1915).
Domela werd - ook fysiek - diep geschokt toen er geen revolutionair verzet onder de arbeiders ontstond en de socialisten steun aan de overheidsbegroting gaven, nodig om de mobilisatie te bekostigen. De oorlog zag hij als een kapitalistische aangelegenheid en hij bleef zijn internationalistische en antimilitaristische opvattingen getrouw.

Russische Revolutie

Domela was en bleef antimilitarist, maar wees beslist niet alle geweld af. De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag hij - na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben - niets meer in het bolsjewisme. Van het autoritaire communisme, dat in 1917 in Rusland aan de macht kwam, verwachtte hij maar weinig. In november 1918 woonde hij nog moeizaam een massavergadering ter herdenking van de Russische Revolutie in de Amsterdamse Diamantbeurs bij, waar het publiek hem spontaan een ovatie bracht.

De laatste jaren van zijn leven waren voor Domela geestelijk, fysiek en financieel moeilijk. Mede door het geld dat de beweging hem gekost had was hij straatarm geworden. Een speciaal fonds hielp hem op kiese wijze aan enige inkomsten.

18 November 1919 overleed de 72-jarige Ferdinand Domela Nieuwenhuis in zijn toenmalige woonplaats Hilversum. Hij was een van de eerste personen in Nederland die kozen voor crematie. Domela's uitvaart door Amsterdam werd een indrukwekkende manifestatie met een rouwstoet door Amsterdam van ongeveer 12.000 mensen. Het communistische blad De Tribune zette boven zijn necrologie: 'Den Makker die de massa's uit doodsche slaafschheid wekte'. Zijn as werd bijgezet op de begraafplaats Westerveld in Driehuis (gemeente Velsen), waar in 1948 ook de as van de in 1887 in het buitenland gecremeerde Eduard Douwes Dekker bijgezet werd.

In 1931 werd zijn standbeeld, gemaakt door J. Polet, in Amsterdam onthuld. In die stad was vanaf 1925 ook het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum gevestigd, beheerd door een gelijknamig fonds, dat Domela - die zijn in 1886 geërfde vermogen goeddeels aan propaganda had uitgegeven - vanaf 1914 geldelijk had ondersteund. Sinds 1999 bevindt het museum zich in Heerenveen.


De gebeurtenissen van 1890 en 1892 hebben diepe indruk gemaakt op de mensen. Twee personen, die het als kind meegemaakt hebben, hebben op hoge leeftijd hun herinneringen opgeschreven. Wij geven ze hieronder weer.

Freerk Bennema, geboren 1882 te Noordbroek, vertelde: 'Ongeveer half december 1890 deed de winter zijn intrede en hij duurde tot einde maart. Het was verschrikkelijk koud en de sneeuw lag meters hoog bij de weg. Van transport op de weg was geen sprake. Het ijs in de vaarten lag tot de bodem toe. De snikken van Noordbroek hebben in het laatst van april het ijs gebroken. Daar waren een massa paarden en mensen voor nodig. In het dorp is heel wat armoede geleden. Brandstof was er haast niet meer. Kolen waren er toen nog niet, alleen turf en wat hout. De arbeiders haalden alle palen en wat maar brandbaar was in het veld, weg en namen het mee naar huis. Er was geen geld meer onder de arbeiders. De boeren stuurden hun arbeiders naar huis en bekommerden zich er niet over, of de mensen te eten hadden of niet. De arbeiders waren ten einde raad en sarrens moede en door de honger gedreven gingen zij des nachts bij de weg en stalen voedsel voor hun kinderen. Het was in de tijd van de opkomst van het socialisme. Overal kraakte het en het was Domela Nieuwenhuis, die de kat de bel aanbond. Hij reisde het gehele noorden door om de mensen op te wekken en uit de misère te halen. Ik zie hem nog lopen voor in de stoet, als er gedemonstreerd werd. Hij wekte de mensen op, zich op de weg te begeven en zich niet stilletjes te laten verhongeren in hun huizen. Zij hadden allen recht op een menswaardig bestaan. Maar de arbeiders maakten het soms al te bar, als ze optochten hielden en Domela er niet bij was. Hij hield niet van geweld. Maar ja, hoe gaat het als de mens honger heeft? De boeren werden bang, want er werd bij hen door de ruiten geschoten met oude achterladers. Het duurde dan ook niet lang meer, of er kwamen huzaren in Noordbroek en Zuidbroek, in Hoogezand, Sappemeer en de Pekela's. Als de arbeiders optochten wilden houden, sloegen de huzaren, op hun paarden gezeten, er door heen. Maar onze arbeiders hielden de kop er voor en gaven niet toe. Het duurde nog een paar weken en toen kregen de boeren van de regering bevel, dat iedere boer twee of drie arbeiders, al naar de grootte van hun bedrijf, in dienst moest nemen, terwijl de gemeente eten en drinken verschafte aan diegenen, die er het slechtst aan toe waren. De huzaren vertrokken weer en de vrede keerde in ons dorpje terug.

Mevrouw J. Muller-van Delden schreef op drieëntachtigjarige leeftijd het volgende.
Ongeveer vijf jaar had ik geleefd in het rustige, agrarische en schone dorp Noordbroek. Ik ging al op de lagere school bij juffrouw Vierkant, toen ineens het anders zo vredige dorp (behalve de brooddronken Muntendammers, die het dorp af en toe op stelten zetten) uit zijn gemoedelijkheid werd opgeschrikt. Het hele dorp was als bij toverslag in rep en roer. Wat was dat toch, dat de bewoners deed opschrikken uit hun dagelijkse bezigheden? Er trokken mensen door het dorp met rode vaandels en de hele arbeidersbevolking volgde, getooid met rode strikken, vlaggen en linten. Het was zondag, want staken was er toen nog niet bij, omdat de arbeidersbevolking niet georganiseerd was. Het was een reuzen optocht zoals ik dat als kind van vijf jaar ervoer. In de zaal van Schröder volgde de éne spreker de andere op. Het was er eivol. Ze hingen zelfs uit de ramen. Thans ben ik drieëntachtig, maar ik weet het nog alsof het gisteren gebeurd is. Hoe de namen van de sprekers waren, weet ik niet meer. Misschien was het Domela Nieuwenhuis of Troelstra.

Mijn moeder was ook nieuwsgierig en ging ook op de weg kijken. Ze ontmoette een vrouw van Siddebuursterveen, ook helemaal versierd met rode linten, die ze zelfs om haar benen had gebonden. Dit ontlokte mijn moeder de vraag: 'Loop ie ook mit rooie strikk'n om bain'n, Aoltje?' 'Joa man, ik dou ook mit. Aalmoal mout'n mitdoun!'

Ik ken alle liederen uit die tijd nog en ik zong ze allemaal mee, zoals:
Acht uur, zo klinkt door alle landen
Acht uur zij onze arbeidstijd…
Ga, ga, Marianne, voer ons aan, verlos de maatschappij
Nu van tirannen en maak ons vrij.
Ik ben uit het ruwe volk geboren
Mijn naam is overal bekend
'k Draag om mijn losgebonden haren
De rode muts der vrijheidsbent…
Dansen wij de carmijoten…

Maar het leven was voor de boeren toen ook niet rooskleurig. Er was geen geld en wij moesten de uiterste zuinigheid betrachten zonder enige weelde. Het koren kostte haast niets, één gulden en een kwartje een mud haver. Ettelijke Oldambtster boeren gingen failliet, al waren zij ook nog zo zuinig. Een anecdote hoorde ik later vertellen: er was een boer, die ernstig ziek lag; zijn zoon Harm waakte bij hem en toen zei de boer: Haarm, poest de keerze moar uut, ik kin in duustern ja wel staar'm'

Maar wat gebeurde er? Er kwamen soldaten met geweren en sabels, infanteristen. Op een dag had lutjeknecht een stijve arm. Mijn moeder zei: "Geert, wat hest doe aan dien aarm?”' Het hoge woord kwam er gauw uit: ”Ik bin gusteroavend noar 'n spreker west en dou kwammen de soldoaten mit geweld binn'n en sluig'n ons mit kolf van heur geweren; ik kreeg ook 'n kedonzel en dou vuil ik in ''t zoepenvat.”

De infanteristen verdwenen en werden opgevolgd door cavaleristen te paard met kolbakken op het hoofd. De cavaleristen konden vlugger van het éne gehucht naar het andere komen.
Op een goede morgen kwam ik als vijfjarig kind uit school. Ik liep op het riepke, niet ver meer van ons huis en daar hoorde ik in de verte achter mij het geklepper van paardenhoefijzers. Ik keek schichtig achterom en daar kwamen die grote kereis met berenmutsen op, hoog te paard, aanhollen. Ik kreeg het van angst haast op mijn zenuwen en rende zo hard ik kon naar huis. Ik moest het gootje nog nemen, de weg overrennen, onze tuin in. Gelukkig stonden mijn ouders in de tuin en vingen het angstige kind op en zo zag ik, beschermd, de geweldenaren met de vervaarlijke berenmutsen op, voorbij rijden.
Er was een tolhek in het noorden en Zwier Buurke smeet het tolhek dicht. Het verhaal ging, dat zij er toen achter elkaar overheen sprongen.

Bronnen:
www.biografischportaal.nl
Revolte en melancholie. Romantiek in Domela's kritiek op de moderniteit. Jan Willem Stutje
Het charisma van Ferdinand Domela Nieuwenhuis . 'Die het best kan lijden, brengt het meest tot stand' - Jan Willem Stutje
socialhistory.org

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 2.