Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-10-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Amsterdam, 31 december 1846 - Hilversum, 18 november 1919) was een Nederlands socialistische politicus en later een sociaal-anarchist en antimilitarist. Domela Nieuwenhuis geldt als een van de oprichters van de socialistische beweging in Nederland. Hij was in 1879 oprichter van het tijdschrift Recht voor Allen. Later, in 1898, was hij oprichter van het blad De Vrije Socialist.

Stamboom

Ferdinand was de zoon van Ferdinand Jacobus Nieuwenhuis (Domela Nieuwenhuis), Evangelisch-Luthers predikant en hoogleraar, en Henrietta Frances Berry.
Hij trouwde 24 maart 1870 met Johanna Lulofs. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.
Na haar overlijden (26-3-1872) gehuwd op 29-10-1874 met Johanna Adriana Verhagen. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.
Na haar overlijden (1-8-1877) gehuwd op 21-4-1880 met Johanna Frederica Schingen Hagen. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren, die jong overleed.
Na haar overlijden (27-2-1884) gehuwd op 27-5-1891 met Egberta Johanna Godthelp. Uit dit huwelijk werden, behalve 2 kinderen die jong overleden zijn, 1 zoon en 1 dochter geboren.

Ferdinand studeerde na eindexamen gymnasium in Amsterdam theologie in Utrecht en Amsterdam.

Hij was Evangelisch-Luthers predikant in Harlingen (1870/1871), Beverwijk (1871-1875) en Den Haag (1875-1879).

Tijdens zijn predikambt had hij zijn belangstelling voor maatschappelijke problemen en het socialisme ontwikkeld. Hij was reeds actief geweest in de Vredesbond, in het Comité ter bespreking der Sociale Kwestie, had 'Sociale brieven' in de Werkmansbode gepubliceerd en was in contact gekomen met socialistische arbeiders als H. Gerhard.

Domela Nieuwenhuis leefde sterk - bijna absoluut - vanuit zijn overtuiging. Die overtuiging kon bij hem van inhoud veranderen, de idee dat men er volledig voor moest staan bleef. Halven en heelen, de titel van een brochure van Domela uit 1875, waarin hij alle halfheid fel veroordeelde, gaf die houding al goed weer.

Op 1 april 1879 verscheen Recht voor Allen als weekblad - de eerste socialistische periodiek in Nederland - met Domela als redacteur.

Geleidelijk aan verloor hij zijn geloof. Op 1 september 1879 legde hij zijn ambt neer, waarna hij Mijn afscheid van de Kerk publiceerde.
Zijn afscheidspreek had als uitgangspunt: 'Men doet geen nieuwe wijn in oude zakken.' Jezus bleef voor hem altijd 'de man van overtuiging'. Halfheid, vooral als hij anders verwacht had, schokte hem diep; zo toen hij las dat de door hem bewonderde Multatuli tot concessies bereid was geweest.

Terechtgestelden voor de goede zaak waren zijn helden: de Parijse Cummunards van 1871, de Russische revolutionairen, de anarchistische 'martelaren' van Chicago (1887) en de Spaanse anarchist Fr. Ferrer (1909).

Door zijn consequentie werd Domela als het ware 'in de arbeidersbeweging geworpen', waaraan hij zich dan ook voor honderd procent gaf. Recht voor Allen ontwikkelde zich snel in revolutionair-socialistische richting en wendde zich rechtstreeks - door inhoud en door de wijze van propaganda (colportage) - tot de arbeiders. Het betekende een breuk - die hij diep moet hebben gevoeld - met het sociale milieu waartoe hij behoorde en een botsing, o.a. in De Dageraad in 1883, met de radicale 'heeren', die het socialisme verwierpen.

De kracht die van zijn overtuiging uitging, gevoegd bij een onvoorstelbare werkkracht, en bovenal zijn charismatische persoonlijkheid, hebben Domela Nieuwenhuis een unieke plaats bezorgd in de Nederlandse arbeidersbeweging. In Friesland sprak men van 'ús verlosser'. De volledige zelfbeheersing en rust in zijn optreden, ook onder zeer emotionele omstandigheden, de offers die het socialisme en de opofferingen die de propaganda vroegen, zijn uiterlijke verschijning en zijn sobere levenswijze - sedert 1878 was hij geheelonthouder, vegetariër en niet-roker - dit alles droeg sterk bij aan zijn charisma en drukte een stempel op de gehele beweging.

Hij werd actief in de vrijdenkersvereniging De Dageraad en bezocht de internationale vrijdenkerscongressen te Brussel (1880) en Amsterdam (1883).

SDB

Hij was de belangrijkste leider van de Sociaal Democratische Bond (SDB), de eerste landelijke socialistische partij. Domela werd dé grote voorman en propagandist van de Sociaal Democratische Bond (SDB), die in 1881, vooral door zijn initiatief en leiding, uit plaatselijke socialistisch-gezinde groepen ontstond. In de jaren tachtig groeide de SDB, de 'oude beweging', mede door vermaard gebleven propagandatochten van Domela Nieuwenhuis door de noordelijke provincies, uit tot de eerste socialistische massabeweging in Nederland; de SDB had sterke aanhang in Amsterdam, Den Haag, in het noorden, o.a. in de Friesche woudstreken, het Bildt, Oost-Groningen en de veenkoloniën, Twente en veel grote plaatsen buiten de homogeen katholieke streken. Behalve directe propaganda en agitatie voor het socialisme, en nauw daarmee verbonden, steunde en voerde de SDB strijd voor het algemeen kiesrecht, door middel van petitionnementen en betogingen. Een breed Comité voor Algemeen Stemrecht was, mede door Domela, in 1879 gevormd. Verder werden stakingen gesteund, sociale wantoestanden aan de kaak gesteld, en werklozen-comité's, die de straat opgingen, gestimuleerd, hetgeen door de gevestigde orde als zeer bedreigend werd gevoeld. Het palingoproer in Amsterdam (1886) speelde zich echter los van de SDB af.
Het optreden en het succes van Domela en de SDB leidden tot felle bestrijding en rechtsvervolging, al geschiedde het laatste minder volgens een scherp omlijnde strategie dan de socialisten dachten. Domela werd tot één jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis, vanwege een artikel 'De Koning komt! ' in Recht voor Allen (24-4-1886), waarvan het auteurschap omstreden is gebleven. Hij zat in 1887 zeven maanden in de gevangenis te Utrecht en kreeg toen gratie. De SDB werd ook getroffen door vijandige reacties uit het volk: Oranjefuries, o.a. op feestdagen van het Koninklijk Huis en na de vrijlating van Domela. Socialisten en hun woningen moesten het daarbij vaak ontgelden. Domela zelf werd enige malen bedreigd.

Van 1888 tot 1891 zat Domela, gekozen in het Friese district Schoterland, als eerste - en enige - socialist in de Tweede Kamer. De stelling dat hij zijn verkiezing te danken had aan Abraham Kuypers advies aan de antirevolutionaire kiezers om op Domela te stemmen aangezien deze althans geen liberaal in het district wilde laten winnen, is niet te bewijzen. Tijdens zijn kamerlidmaatschap heeft Domela - in tegenstelling tot wat latere legendevorming wil - grote parlementaire activiteiten ontplooid. Hoewel hij daarbij steeds praktisch en constructief optrad, werd hij in de Kamer, ook in het persoonlijke vlak, volstrekt genegeerd. Een wetsontwerp tegen gedwongen winkelnering trok de meeste aandacht. In 1891 werd hij niet herkozen en wilde hij ook niet herkozen worden omdat hij zijn mandaat niet aan de gunst van een politieke tegenstander te danken wilde hebben en er bovendien binnen de partij geen consensus was over voortzetting van zijn lidmaatschap.

Domela Nieuwenhuis speelde een rol in de internationale beweging, eerst in de socialistische, later in de anarchistische. Hij publiceerde in Franse en Duitse bladen, bezocht de internationale congressen te Parijs (1889), Brussel (1891), Zürich (1893) en Londen (1896). Hij ontmoette de meeste kopstukken van de bewegingen en correspondeerde met velen van hen. Zo kende hij o.a. F. Engels, W. Liebknecht, A. Bebel, C. de Paepe, P. Kropotkin en L. Michel. In 1886 werd hij uit België uitgewezen, in 1890 uit Duitsland, waar hij in 1905 enkele weken in hechtenis werd genomen.

De opvatting dat de SDB voornamelijk een 'Domela-beweging' zou zijn geweest is door historisch onderzoek zeer gerelativeerd. De partij telde veel zelfstandige geesten en een grote verscheidenheid van meningen. De revolutieverwachtingen waren hoog. De toon in Recht voor Allen - vooral van mederedacteur C. Croll en medewerker S.E.W. Roorda van Eysinga - was vaak zeer fel en heftig. Het niveau van veel, en veelverspreide, propagandabrochures was echter hoog. Domela droeg aan deze lectuur bij met o.a. Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in de werkelijkheid (1885) en Vier jaren klasse-regeering, of Wat men met het algemeen kiesrecht had kunnen gedaan krijgen (1890) met oplagen van resp. 50.000 en 100.000 exemplaren.

Domela Nieuwenhuis was aanvankelijk sterk door Marx beïnvloed. Hij correspondeerde met hem, in 1881 bewerkte hij Das Kapital voor Nederlandse lezers: Kapitaal en arbeid, en in 1887 verwerkte hij het in een boek, De normale arbeidsdag. Historisch-ekonomische studie. Hij was echter geen doctrinaire marxist, kende de oude Franse socialisten en was beïnvloed door de praktisch ingestelde beweging in Gent (waar hij als dominee al had gesproken).

Na 1890 raakte de SDB, die tegelijk een grote bloei beleefde - Recht voor Allen verscheen van 1889 tot 1891 als dagblad - in een interne crisis. Na tien jaar strijd en verwachtingen, maar zonder tastbare veroveringen, rees de vraag: hoe verder? Deze spitste zich toe op het dilemma: revolutie of parlementarisme. Domela nam lange tijd een aarzelende houding aan. In augustus 1894 werd - tegenover de Bond - de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht door P.J. Troelstra, W.H. Vliegen, J.H. Schaper e.a. De SDAP koos bewust voor parlementaire politiek naar het voorbeeld van de Duitse partij, terwijl Domela juist steeds kritischer tegenover de Duitsers kwam te staan, o.a. op de internationale congressen, waar hij de werkstaking tegen de oorlog bepleitte (1891 en 1893) en solidair was met de anarchisten die uitgesloten werden (1893,1896).

In 1897 publiceerde Domela Le Socialisme en Danger, zijn belangrijkste theoretische werk, dat nooit in het Nederlands is verschenen. Domela behandelt hierin een tweetal thema's: in de eerste plaats wijst hij op het gevaar dat de socialistische idee loopt als de socialisten zich verzoenen met de staat, zoals het oorspronkelijke christendom teloor ging nadat het staatsgodsdienst werd. Voorts gaat hij in op de tegenstelling tussen autoritair staatssocialisme en vrijheidslievend socialisme. In 1897 besloot Domela Nieuwenhuis de, in 1894 tot Socialistenbond omgedoopte SDB, die in december 1894 tot verboden vereniging was verklaard, te verlaten en hij beëindigde het redacteurschap van Recht voor Allen op het moment, 2 april 1898, dat hij een nieuw blad liet verschijnen: De Vrije Socialist, een anarchistisch orgaan, dat Domela tot zijn dood redigeerde.

De SDAP en Domela stonden van meet af aan fel tegenover elkaar, en de aanvallen over en weer konden een zeer persoonlijk karakter dragen. De wederzijdse verbittering groeide door de zaak-Hoogerhuis (vanaf 1895) en de afloop van de spoorwegstakingen in 1903. De algemene werkstaking lag geheel in de lijn van Domela's opvattingen, en 'het woelige kwartaal' van 1903 plaatste hem weer in het middelpunt van de aandacht, hoewel hij geen zitting had in het landelijk Comité van Verweer, dat de algemene werkstaking uitriep en - tot verbittering van veel stakers - weer ophief.

Tot omstreeks 1885 stond de SDB nog vooraan in de strijd voor algemeen kiesrecht. Zo werd Domela Nieuwenhuis zelf in 1888 in de Tweede Kamer gekozen. Maar er ontstonden twee stromingen: de sociaal-democraten en de vrije socialisten. Deze stromingen kwamen bijvoorbeeld aan het licht tijdens de sigarenmakersstaking te Groningen in 1892. De verhoudingen tussen de socialisten onderling was slecht. De stakers waren in meerderheid vrije socialisten, terwijl de bestuurders van de sigarenmakersbond sociaal-democraat waren.

SDAP versus Socialistenbond

In 1894 barstte de bom. Het kwam tot een scheuring in de SDB: de sociaal-democraten stapten uit de partij en richtten de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op. De vrije socialisten, die na 1894 binnen de SDB bleven, hadden een anarchistische politieke visie. De SDB werd in december 1894 verboden, omdat de partij geweld niet afwees. Daarom werd de SDB herdoopt in Socialistenbond. Maar Domela Nieuwenhuis verliet in

1897 de Socialistenbond, om zich volledig aan het anarchisme te wijden. Daarna maakte de ene na de andere Groninger afdeling zich los van de Socialistenbond. Vrije socialistische verenigingen werden opgericht.
De overgeblevenen in de Socialistenbond noemden zich de Sociaal Democratische Partij (SDP). Deze partij, die na 1918 Communistische Partij in Nederland (CPN) werd genoemd, won snel aan invloed. Het communisme won daar terrein, waar vroeger de vrije socialisten sterk vertegenwoordigd waren. Er ontstonden afdelingen van de CPN in Finsterwolde, Beerta en Winschoten. Het is opvallend dat ook aan het einde van de 20ste eeuw het juist in het Oldambt is, waar nog een communistische partij bestaat. In de gemeente Reiderland is de NCPN in de gemeenteraad vertegenwoordigd.

anarchisme

Het anarchisme was een belangrijke politieke stroming in met name Oost-Groningen. De radicale socialist en anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis had hier veel invloed. Verspreiding van de idee, antimilitarisme en opvoeding stonden centraal in Domela's anarchisme. Hij schreef De geschiedenis van het socialisme (1901-1902. 3 dl.) en zijn gedenkschriften Van Christen tot Anarchist (1910).

Maar ook binnen de anarchistische beweging ontstond tweespalt. Sociaal-anarchisten stonden tegenover individueel-anarchisten. De sociaal-anarchisten wilden zich vooral plaatselijk organiseren. De individueel-anarchisten waren wars van elke organisatie. De anarchisten hadden in Groningen een losse vorm van organisatie. Hieraan moest, na het vertrek van Tjerk Luitjes, vooral H.E. Kaspers leiding geven (zie ook vrije anarchistische groep).

Domela was sociaal-anarchist en richtte zich steeds tot de arbeiders en hun strijd, maar hij ontwikkelde zich in individualistische richting en was tegen organisatie van anarchisten als die het kader van plaatselijke groepen te boven ging. In zijn ontwikkeling van de SDB tot anti-organisatorisch ingestelde anarchist speelde persoonlijke factoren mee. Hij kon moeilijk samenwerken met personen die een eigen en gelijkwaardige inbreng hadden, ook als het geestverwanten betrof, zoals C. Cornelissen, die mederedacteur van Recht voor Allen was geweest.

Hij accepteerde wel dat anarchisten zich verenigden als vrijdenkers of antimilitaristen en zich aansloten bij het revolutionair-syndicalistische Nationaal Arbeiders Secretariaat (NAS). Hij was actief in De Dageraad, in de mede door hem in 1904 opgerichte Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV) en op internationale congressen van vrijdenkers (Rome 1904, Parijs 1905, Brussel 1910, München 1912) en van antimilitaristen (Amsterdam 1904 en 1907). Domela was geenszins geweldloos. Het antimilitarisme van de IAMV - die een Nederlandse organisatie bleef, met De Wapens Neder als orgaan - was direct verbonden met de strijd tegen het kapitaal.

Domela werd - ook fysiek - diep geschokt toen in 1914 de wereldoorlog uitbrak en er geen revolutionair verzet onder de arbeiders ontstond. De oorlog zag hij als een kapitalistische aangelegenheid en hij bleef zijn internationalistische en antimilitaristische opvattingen getrouw. Van het autoritaire communisme, dat in 1917 in Rusland aan de macht kwam, verwachtte hij weinig.

Domela's uitvaart door Amsterdam werd een indrukwekkende manifestatie. In 1931 werd zijn standbeeld, gemaakt door J. Polet, in Amsterdam onthuld. In die stad was vanaf 1925 ook het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum gevestigd, beheerd door een gelijknamig fonds, dat Domela - die zijn in 1886 geërfde vermogen goeddeels aan propaganda had uitgegeven - vanaf 1914 geldelijk had ondersteund. Sinds 1999 bevindt het museum zich in Heerenveen.


De gebeurtenissen van 1890 en 1892 hebben diepe indruk gemaakt op de mensen, ook op de kinderen.
Twee personen, die het als kind meegemaakt hebben, hebben op hoge leeftijd hun herinneringen opgeschreven. Wij geven ze hieronder weer.

Freerk Bennema, geboren 1882 te Noordbroek, vertelde:
'Ongeveer half december 1890 deed de winter zijn intrede en hij duurde tot einde maart. Het was verschrikkelijk koud en de sneeuw lag meters hoog bij de weg. Van transport op de weg was geen sprake. Het ijs in de vaarten lag tot de bodem toe. De snikken van Noordbroek hebben in het laatst van april het ijs gebroken. Daar waren een massa paarden en mensen voor nodig. In het dorp is heel wat armoede geleden. Brandstof was er haast niet meer. Kolen waren er toen nog niet, alleen turf en wat hout. De arbeiders haalden alle palen en wat maar brandbaar was in het veld, weg en namen het mee naar huis. Er was geen geld meer onder de arbeiders. De boeren stuurden hun arbeiders naar huis en bekommerden zich er niet over, of de mensen te eten hadden of niet. De arbeiders waren ten einde raad en sarrens moede en door de honger gedreven gingen zij des nachts bij de weg en stalen voedsel voor hun kinderen. Het was in de tijd van de opkomst van het socialisme. Overal kraakte het en het was Domela Nieuwenhuis, die de kat de bel aanbond. Hij reisde het gehele noorden door om de mensen op te wekken en uit de misère te halen. Ik zie hem nog lopen voor in de stoet, als er gedemonstreerd werd. Hij wekte de mensen op, zich op de weg te begeven en zich niet stilletjes te laten verhongeren in hun huizen. Zij hadden allen recht op een menswaardig bestaan. Maar de arbeiders maakten het soms al te bar, als ze optochten hielden en Domela er niet bij was. Hij hield niet van geweld. Maar ja, hoe gaat het als de mens honger heeft? De boeren werden bang, want er werd bij hen door de ruiten geschoten met oude achterladers. Het duurde dan ook niet lang meer, of er kwamen huzaren in Noordbroek en Zuidbroek, in Hoogezand, Sappemeer en de Pekela's. Als de arbeiders optochten wilden houden, sloegen de huzaren, op hun paarden gezeten, er door heen. Maar onze arbeiders hielden de kop er voor en gaven niet toe. Het duurde nog een paar weken en toen kregen de boeren van de regering bevel, dat iedere boer twee of drie arbeiders, al naar de grootte van hun bedrijf, in dienst moest nemen, terwijl de gemeente eten en drinken verschafte aan diegenen, die er het slechtst aan toe waren. De huzaren vertrokken weer en de vrede keerde in ons dorpje terug.

Mevrouw J. Muller-van Delden schreef op drieëntachtigjarige leeftijd het volgende.
Ongeveer vijf jaar had ik geleefd in het rustige, agrarische en schone dorp Noordbroek. Ik ging al op de lagere school bij juffrouw Vierkant, toen ineens het anders zo vredige dorp (behalve de brooddronken Muntendammers, die het dorp af en toe op stelten zetten) uit zijn gemoedelijkheid werd opgeschrikt. Het hele dorp was als bij toverslag in rep en roer. Wat was dat toch, dat de bewoners deed opschrikken uit hun dagelijkse bezigheden? Er trokken mensen door het dorp met rode vaandels en de hele arbeidersbevolking volgde, getooid met rode strikken, vlaggen en linten. Het was zondag, want staken was er toen nog niet bij, omdat de arbeidersbevolking niet georganiseerd was. Het was een reuzen optocht zoals ik dat als kind van vijf jaar ervoer. In de zaal van Schröder volgde de éne spreker de andere op. Het was er eivol. Ze hingen zelfs uit de ramen. Thans ben ik drieëntachtig, maar ik weet het nog alsof het gisteren gebeurd is. Hoe de namen van de sprekers waren, weet ik niet meer. Misschien was het Domela Nieuwenhuis of Troelstra.

Mijn moeder was ook nieuwsgierig en ging ook op de weg kijken. Ze ontmoette een vrouw van Siddebuursterveen, ook helemaal versierd met rode linten, die ze zelfs om haar benen had gebonden. Dit ontlokte mijn moeder de vraag: 'Loop ie ook mit rooie strikk'n om bain'n, Aoltje?' 'Joa man, ik dou ook mit. Aalmoal mout'n mitdoun!'

Ik ken alle liederen uit die tijd nog en ik zong ze allemaal mee, zoals:
Acht uur, zo klinkt door alle landen
Acht uur zij onze arbeidstijd…
Ga, ga, Marianne, voer ons aan, verlos de maatschappij
Nu van tirannen en maak ons vrij.
Ik ben uit het ruwe volk geboren
Mijn naam is overal bekend
'k Draag om mijn losgebonden haren
De rode muts der vrijheidsbent…
Dansen wij de carmijoten…

Maar het leven was voor de boeren toen ook niet rooskleurig. Er was geen geld en wij moesten de uiterste zuinigheid betrachten zonder enige weelde. Het koren kostte haast niets, één gulden en een kwartje een mud haver. Ettelijke Oldambtster boeren gingen failliet, al waren zij ook nog zo zuinig. Een anecdote hoorde ik later vertellen: er was een boer, die ernstig ziek lag; zijn zoon Harm waakte bij hem en toen zei de boer: Haarm, poest de keerze moar uut, ik kin in duustern ja wel staar'm'

Maar wat gebeurde er? Er kwamen soldaten met geweren en sabels, infanteristen. Op een dag had lutjeknecht een stijve arm. Mijn moeder zei: "Geert, wat hest doe aan dien aarm?”' Het hoge woord kwam er gauw uit: ”Ik bin gusteroavend noar 'n spreker west en dou kwammen de soldoaten mit geweld binn'n en sluig'n ons mit kolf van heur geweren; ik kreeg ook 'n kedonzel en dou vuil ik in ''t zoepenvat.”

De infanteristen verdwenen en werden opgevolgd door cavaleristen te paard met kolbakken op het hoofd. De cavaleristen konden vlugger van het éne gehucht naar het andere komen.
Op een goede morgen kwam ik als vijfjarig kind uit school. Ik liep op het riepke, niet ver meer van ons huis en daar hoorde ik in de verte achter mij het geklepper van paardenhoefijzers. Ik keek schichtig achterom en daar kwamen die grote kereis met berenmutsen op, hoog te paard, aanhollen. Ik kreeg het van angst haast op mijn zenuwen en rende zo hard ik kon naar huis. Ik moest het gootje nog nemen, de weg overrennen, onze tuin in. Gelukkig stonden mijn ouders in de tuin en vingen het angstige kind op en zo zag ik, beschermd, de geweldenaren met de vervaarlijke berenmutsen op, voorbij rijden.
Er was een tolhek in het noorden en Zwier Buurke smeet het tolhek dicht. Het verhaal ging, dat zij er toen achter elkaar overheen sprongen.

Bronnen:
www.biografischportaal.nl


Pageviews vandaag: 3.