Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 07-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Emmius

Emmius staat voor een geslacht van Oost-Friese afkomst. De stad-Groninger tak der familie Emmius stamt af van Ubbo Emmius. Diens nazaten in de 17de eeuw behoorden tot het Groninger regentenpatriciaat. Ubbo Emmius (Greetsiel 1547 - Groningen 1625) was de eerste rector magnificus van de Academie te Groningen, tegenwoordig de Rijksuniversiteit Groningen.

Ubbo van Emmen, zoals de vernederlandste naam van het patroniem luidt, werd in het Oostfriese Greetsiel geboren als zoon van de lutherse predikant Emme Dijken, in een Lutherse pastorie. Hij studeerde vanaf 1570 theologie in Rostock (aan de Lutherse Universiteit) en kwam na een reis in 1575 door Europa van 1576 tot 1578 onder het gehoor van Calvijns vriend en opvolger Theodorus Beza in Genève. Daar werd Ubbo van Lutheraan overtuigd Calvinist.

Op dertigjarige leeftijd begint Ubbo zijn onderwijscarrière; in 1579 werd hij predikant en rector aan de Latijnse school te Norden, een Oostfries stadje; hij heeft dus blijkbaar zoowel in de godgeleerdheid als in de letteren gestudeerd. Wegens beschuldigingen van „Zwingliaanse inslag" kreeg hij al spoedig zijn ontslag, maar hij weet een soortgelijke benoeming te verwerven in Leer, een stadje onder Calvinistische invloed.

Te Leer maakte Emmius kennis met tal van ballingen uit Groningen en de Ommelanden, die na 1580 voor de vervolging uit hun vaderland waren gevlucht; voor zijn toekomst is dat voor Emmius van beslissende beteekenis geworden. Want toen eindelijk in 1594 Groningen door Maurits was genomen en de nieuwe toestanden waren geregeld, keerden de ballingen terug; zij waren juist de aanzienlijke mannen, die de leiding der zaken in het nieuwe gewest Stad en Lande in handen namen. De nieuwe calvinistische stadsregeering begon ook onmiddellijk met de hervorming van het schoolwezen naar de nieuwe beginselen. Daartoe werd de geleerde en energieke Emmius uit Leer geroepen; in 1595 werd hij door den groningschen raad benoemd tot rector der latijnsche school.

Schip turf
Pas in de negentiende eeuw werden de banden van ras- en taalgemeenschap tussen Groningen en Oostfriesland verbroken; in Ubbo's tijd vormde het één cultuurgebied. Vandaar is zijn benoeming te verklaren tot rector van een uit fusie ontstane - Latijnse school in Groningen, na de verovering van de stad door Maurits en Willem Lodewijk van Nassau in 1594.

In Groningen verdiende Ubbo 500 Emder guldens, vrije woning en een schip turf. In Leer bestond zijn salaris uit 200 Emder guldens en de opbrengst van 6 grazen land. Een opmerkelijke promotie dus.

De twintig jaren, die daarop zijn gevolgd, zijn de beste en ook de vruchtbaarste van Emmius' leven geweest. In korten tijd heeft hij de oude school weer opgevoerd tot haar vroegeren bloei. Zijn wetenschappelijk historisch werk kwam in deze jaren tot volle ontplooiing. Maar hij schreef niet alleen historie, hij maakte ze ook. In Groningen bekleedde hij een invloedrijke plaats in het kerkelijk en politiek leven der stad. Niet alleen had hij grooten invloed in Groningen, maar ook in zijn vaderland Oost-Friesland, waar hij Emden met raad en daad steunde tegen het grafelijk gezag. Aan Emmius is het ook toe te schrijven, dat na lange voorbereiding in 1614 de groningsche academie werd opgericht. Het sprak van den aanvang af van zelf, dat hij een der eerste hoogleeraren zou worden; bij de benoeming der anderen, waaronder leerlingen en vrienden van Emmius waren, werd hij voortdurend geraadpleegd. De nieuwe universiteit is den 23. Augustus 1614 plechtig ingewijd. Emmius werd de eerste hoogleeraar in de grieksche philologie en in de geschiedenis en bovendien de eerste rector magnificus. Het professoraat heeft hij tot zijn dood vervuld.

Uit de Latijnse school is de Groninger universiteit gegroeid waarvan Ubbo in 1614 de eerste rector-magnificus werd. Elf jaar later overleed hij.

Emmius huwde in 1582 te Norden Theda Tiabbern, die hem reeds het volgende jaar ontviel. Hij hertrouwde daar in 1586 met Margareta van Bergen, die hem overleefde.

Ubbo Emmius had met vele geleerden uit zijn tijd gemeen dat hij zich voor buitengemeen veel uiteenlopende zaken interesseerde. Begonnen als theoloog, doceerde hij met gemak oude geschiedenis en Grieks, beoefende de cartografie en was ook in het politieke leven werkzaam, als adviseur der Oostfriese standen.

Modern historicus
Biografen noemen hem de eerste Nederlandse moderne historicus. Vanaf de 15e eeuw leefde in Europa het streven om eigen volk meer gestalte te geven door de achtergronden en doelstellingen van een bepaald volk (zoals het Friese) vorm te geven. Dat kan alleen als een ononderbroken geschiedenis wordt geschreven waarbij zoveel mogelijk glorierijke daden worden vastgelegd.

Bij gebrek aan werkelijk gebeurde glorierijke feiten kan natuurlijk de fantasie een handje helpen, bijvoorbeeld in de vorm van quasi oude kronieken. In Friesland gebeurde zoiets met de kroniek van Ocko Scharlensis, nog verbeterd door Andreas Cornelius. Een latere geleerde, Suffridus Petrus gaf er nog meer een wetenschappelijk schijn aan die inhaakte op het trotse Friese gevoel voor eigenwaarde (nationalisme) en dat politiek in de tijd van de zeven verenigde Nederlanden een argument gaf om zoveel mogelijk zelfstandig te blijven.

Ubbo Emmius prikte dit schone bouwsel zonder enige restrictie feilloos door. Zijn geschiedschrijving werd niet ingegeven door nationalistische of ideologische motieven, maar hij volgde de zgn. kritische methode. Dat leidde regelrecht tot een scherp conflict met de Friese regenten die erg ingenomen waren met de kroniek „Over de oudheid en oorsprong van Friezen" (1590) van Petrus en de andere samensteller Furmerius. Emmius kwam de Friese mythe „to nei"; men weigerde hem daarom vanuit Leeuwarden archiefstukken ter inzage te geven. Emmius had de eer van Friesland gekwetst en ,ende daer tegenst gescreven"m

Veel trok Emmius zich niet aan van dit soort kortzichtigheid. Hij zag verder. Dat moge blijken uit een opstel van een zijner leerlingen die daaraan de stelling toevoegde „Het is beter voor een bestuur over te hellen naar zachtmoedigheid dan naar gestrengheid". Tot welke taferelen en onmenselijke toestanden de Hollandse bestuurlijke gestrengheid heeft geleid, weet ieder historisch geïnteresseerde. Een voorbeeld: een kleine diefstal had al gauw de galg ten gevolge!

„Overziener"
Emmius was als geleerde voluit humanist, maar dan in de betekenis van het woord zoals die toen gold, in de betekenis van voluit wetenschappelijk denken en handelen. Daarbij was Emmius onverdacht orthodox Gereformeerd. Zijn alom geroemde kennis van de Griekse taal en zijn kritische zin heeft er ongetwijfeld toe meegewerkt dat hij werd benoemd tot „overziener" van het werk van de Statenvertalers van het Nieuwe Testament, en de Apocriefen. Aangezien pas op 11 mei 1624 het besluit viel eindelijk eens met de Bijvelvertaling te beginnen en Emmius in december 1625 is overleden, nemen wij aan dat zijn bijdrage achterwege is gebleven. Maar het feit van zijn benoeming markeert zijn positie. Statenvertalers en overzieners werden immers pas na een zeer strenge selectie uit rijkelijk voorhanden materiaal aan beroemde geleerden benoemd!

Emmius is als wetenschappelijk man voornamelijk historicus geweest. Wil men hem in zijn volle wetenschappelijke waarde zien, dan moet men zijn groote friesche geschiedenis ter hand nemen, zijn Historiarum Frisicarum decades, zijn levenswerk, verschenen van 1596 tot 1615; zij zijn herdrukt met eenige kleinere studiën over de friesche geschiedenis in de groote folio, die in 1616 bij Louis Elsevier te Leiden verscheen. In de indeeling in decaden herkent men de navolging van Livius, die het voorbeeld was van alle humanistische geschiedschrijvers. Maar van Livius onderscheidt Emmius zich door zijn scherpe critiek van de bronnen, vooral die der oudste geschiedenis van Friesland. Met vaste hand heeft hij alle fabels uit de friesche historie uitgewied. Door zijn critiek heeft hij veel dierbare vaderlandsche tradities aangetast en opgeruimd, wat hem veel tegenspraak en zelfs vijandschap heeft bezorgd. Maar juist daarom is zijn werk van waarde; hij gaf de eerste wetenschappelijke geschiedenis van Friesland.

Van Emmius' ander werk is te noemen de Historia nostri temporis, een geschiedenis van Oost-Friesland in zijn dagen tot 1610, die eerst te Groningen in 1734 is uitgegeven. Verder: De agro Frisiae inter Amasum et Lavicam flumina deque urbe Groninga in agro eodem; et de iure utriusque cum serie magistratuum praecipuorum (Gron. 1605 herdr. Gron. 1646); Vita Mensonis Altingii (Gron. 1728); Guilielmus Ludovicius comes Nassoviae (Gron. 1621); Opus cronologicum novum (Gron. 1619, 1620); Genealogia universalis (L.B. 1620); Graecia vetus (Gron. 1626; herdr., 1632; later opgenomen in den Thesaurus antiquitatum Graecarum van Gronovius). Bovendien is er nog een zeer groote nalatenschap in handschrift van Emmius voorhanden in de universiteitsbibliotheek te Groningen en het Staatsarchief te Aurich. Emmius is terecht door Möhlmann aldus gekarakteriseerd: 'ein Mann von trefflichen Anlagen, bewunderenswürdigem Fleisse, hoher classischer Bildung, schwärmend für die Verherrlichung seiner Nation, für Freiheitsideen und Wahrheit, insbesondere auch durchdrungen von dem reformirten, seines dafürhaltens dem reinen und ächten Christenthum - aber auch, was bei Schulmännern keine Seltenheit ist, von seinen Meinungen zu sehr eingenommen und deshalb nicht selten eines absprechenden Wesens.'
Een geschilderd portret van 1618 is in de universiteitsbibliotheek te Groningen, twee andere in het museum en nog een in het raadhuis aldaar, van alle zijn de schilders onbekend; gegraveerde portretten zijn er door S. à Lamsweerde en een onbekend kunstenaar.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 4.