Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 06-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Elama

Eigenerfdengeslacht uit Uithuizen dat daar van midden 15de eeuw tot in de eerste helft van de 17de eeuw heeft gewoond.

Reneko (Rinke) Elema (geb. 2 Febr. 1510 op de aloude Elemaheerd te Uithuizen, overl. 1 Juni 1583 in ballingschap te Wolthuysen in Oost-Friesland, begr. in de Gasthuiskerk te Emden naast den predikstoel, zoon van Waalcko Elema en Tjalde) was landbouwer op Elemaheerd, en huwde in 1532 met Bijwe Itens, geb. 1516 en overl. 11 Jan. 1544. Daarna huwde hij 25 Jan. 1545 met Anna Allersma, geb. op Allersmaheerd te Ezinge en dochter van Sirp Allersma, die 10 Maart 1553 overleed. Anna A. overleed 2 Febr. oude stijl of 12 Febr. nieuwe stijl 1592 te Uithuizen en werd aldaar in de kerk begraven. Hij had bij beide vrouwen 20 kinderen, waarvan verscheidene op jeugdigen leeftijd zijn overleden. Abel Eppens noemt er 24, doch zal ongetwijfeld hierbij ook de aangehuwden hebben inbegrepen. Reneko Elema is de schrijver van de familiekroniek Elema, beginnende bij den jare 1496, later door eenigen zijner nakomelingen aangevuld en voortgezet.

Reneko was een vurig aanhanger van de Reformatie in de Ommelanden. In een conflict met de stad Groningen stond hij aan de zijde van de Ommelanden. Als calvinist en aanhanger van de Staatse partij moest hij in 1580 naar Oost-Friesland vluchten, waar hij ook overleed.

ELEMA (Sirp) tho Allersma, geb. 1 Oct. 1560 op Elemaheerd te Uithuizen, overl. 14 Dec. 1625 te Ezinge, zoon van Reneko E. tho Uithuysen, die voorgaat, en Anna Allersma. Op 27 April 1581 werd hij tegelijk met zijn moeder en zuster Tjalde door graaf Rennenberg gevangen genomen en naar het slot te Middelstum gevoerd. Na een gevangenschap van vijf weken werden zij tegen Cornelis Kempis, uitgewisseld en konden zij naar Allersma terugkeeren. Deze gebeurtenis is in Juli 1922 te Ezinge feestelijk herdacht. Hij ging na zijn invrijheidstelling naar Emden, waarschijnlijk in gezelschap van zijn vader. In 1584 werd hij nogmaals gevangen genomen en wel door Abel Itens, rechter te Uithuizen. Hij schijnt echter spoedig weer vrijgelaten te zijn en huwde in 1588 met Johanna Abels, vrouwe tho Lutkesaexum en weduwe van Jacob Halsema aldaar. Zij overleed 12 Juli 1606, oud 53 jaren, waarna hij 1 April 1610 te Leeuwarden huwde met Hillegonda Swalue, dochter van Dr. Otto Swalue en Anna Canters. Hij was overste schepper van Aduarderzijlen, en o.a. in 1622 kerkvoogd te Ezinge, blijkens het opschrift der torenklok aldaar. In 1605 was hij afgevaardigde ter Prov. Synode te Groningen van de classis Eenrum. Ook was hij tegenwoordig bij de afzwering van Filips II.

Borg Allersma

De laatste Duurt Allersma die deze borg bewoonde had geen mannelijke erfgenaam. In een testament in 1588 vermaakte hij de Allersmaheerd aan zijn neef Sirp Elema of Elama, te aanvaarden na de dood van Duurt.
Hij legateerde 50 grazen land van de Allersmaheerd aan zijn neef Sirp Elema, die in het jaar van zijn dood in Lutke Saaxum getrouwd was met weduwe Jantien Abels. Sirp verkreeg vervolgens ook de Allersmaheerd, maar onbekend is wanneer, al moet het vóór de reductie van 1594 geweest zijn. Mogelijk was dit na de dood van zijn moeder in 1592. Hij woonde echter nog in 1598 in Lutke Saaxum. Onder het nieuwe Staatse bewind wist Sirp op te klimmen tot gedeputeerde van de Ommelanden. In 1605 was hij lid van de Provinciale Synode. In 1605 overleed zijn vrouw, waarop hij in 1606 terugkeerde naar de Allersmaheerd. In 1610 trad hij opnieuw in het huwelijk, namelijk met Hillegund Swalve uit Leeuwarden. Hij bezat toen de Allersmaheerd met 104 grazen en de eveneens onder Ezinge gelegen (en door een meier bewoonde) Hummersmaheerd met ongeveer 45 grazen en de Elemaheerd met 50 grazen. Swalve bracht onder andere de zogenoemde Luursemaheerd onder Feerwerd met 70 grazen in. Uit de huwelijksovereenkomst lijkt naar voren te komen dat Allersmaheerd destijds werd verbouwd. Vermoedelijk werd toen aan noordzijde een nieuwe vleugel gebouwd aan het steenhuis. Sirp was vooruitstrevend voor zijn tijd. Zo verrichtte hij agrarische proeven en probeerde hij druiven te kweken op Allersma.

Na de dood van Sirp in 1625, waren zijn kinderen uit zijn tweede huwelijk nog minderjarig. Zijn zoon Duirt Elema trouwde in 1639 met Meeuwertien Fockens. Na zijn huwelijk verkreeg hij in de loop der tijd door het uitkopen van de andere erfgenamen Allersma volledig in eigendom. Hij was onder andere erfschepper van Ezinge en Hardeweer en medegecommitteerde van de admiraliteit tot Harlingen en medegecommitteerde van de Raad der Ommelanden. Hij was het die de heerd rond 1650 liet verbouwen tot een landhuis met singels, een gracht met een ophaalbrug en een duiventil; een heerlijk recht. Aan het achterhuis liet hij aan noordzijde een aanbouw maken van een bouwlaag. Mogelijk liet hij toen ook het 17e-eeuwse dak op het achterhuis plaatsen. Duirt bezat ook twee huizen in de Turftorenstraat in de stad Groningen. Hij was hoofdeling, maar geen jonker. Toch begon men het vanaf die tijd aan te duiden als borg. Duirt trouwde drie maal, maar al zijn negen kinderen overleden jong.

In 1682 overleed Duurt en stierf het geslacht Elema van Allersma in mannelijke lijn uit. Van zijn zuster Catharina Elama (1591-na 1640) stammen de meeste latere Noord-Groninger Elema's af.

Duurt Elema, geb. 4 Oct. 1618 op Allersmaheerd te Ezinge, vandaar dat hij aan zijn naam toevoegde 'tho Allersma', overl. aldaar 1682, zoon van Sirp R. Elema tho Allersma en Hillegunda Swalue, liet zich 22 Jan. 1636 inschrijven als phil. stud. aan de groninger hoogeschool. Op 11 Sept. 1639 trad hij in het huwelijk te Eenrum met Meeuwertien Fockens, dochter van Jacob Fockens (overl. 1652) en Ettien Louwens (overl. 1645). Zij stierf 31 Oct. 1645, waarop hij hertrouwde 18 Juli 1647 in de kerk te Ezinge met Margaretha Nutte, die overleed 13 Maart 1658. Daarna huwde hij 30 Maart 1660 met Abeltje Mellema, wed. Uckema, overl. 1679. In 1640 was hij heer van Allersma geworden, dat hij tot een fraai landhuis met grachten, singels en hoven liet maken. Hij was erfschepper van de Aduarderzijlen, mede-gecommitteerde Raad ter Admiraliteit te Harlingen, Grietman te Ezinge en Hardeweer, in 1647 lid van de Provinciale Rekenkamer van Stad en Lande, welk ambt hij vele jaren vervulde; in 1671 was hij lid van de Gedeputeerde staten. Hij stierf kinderloos.

Daar met hem zijn familietak uitstierf, deden de erfgenamen in de zijlinie hun aanspraken gelden. Allersma ging toen over op zijn achterneef Dr. Reneke Busch, een kleinzoon van Dr. Nicholas du Bois en Cornelia Elema. Zijn portret en dat zijner eerste vrouw bevindt zich in het groningsch museum.


Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 14.