Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 12-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

duivelbanners

Naam voor onttoveringsdeskundigen. Zij verschaffen advies en middelen tegen betoveringen of toverij. Oorspronkelijk katholieke exorcisten. De duivel speelt een belangrijke rol in de Groninger volksoverlevering, in het geloof en het volksgeloof. Hem noemen was hem oproepen, vandaar de vele voorzichtige omschrijvende (Groninger) namen voor Satan, Gods wederzaker, de grote vijand: Ol Jong, Olle Vent, Olle Boas, Olle Zwaarde, (Olle) Bijvoet, Olle Smoel, Olle Smiechel, Olle Deugniet, Olle Pait, Olle Perepoot, Smakhak, Meester Jan, Duker, Heintjepik, enz.

De duivel kent vele verschijningsvormen: mens, demon of dier. Als mens is hij een deftige meneer in het zwart, met een slipjas aan, een wit gezicht, rode ogen en een sikje, maar ook wel een klein grijs kereltje met een rood punthoedje. Te herkennen valt hij dan aan een paarden- of bokkenpoot of -staart. Als demon vertoont hij zich vooral als spookdier, als witte wiend, hommelstommel of zwarte hond (zie spokerij), of als plaagbeest. Diergedaanten die hij aanneemt zijn verder: bok, schaap, kat en paard.

De duivel treedt op als bestraffer van hen die zondigen in religieuze zin of die zich niet aan de (ongeschreven) regels van de gemeenschap hoden (kaartspelen, vloeken, op zondag werken, te gierig zijn, enz.). Altijd is hij op jacht naar zielen, maar men kan ook zelf wel contact met hem zoeken. Wie de duivel op een driesprong een kat in een zak aanbiedt en een contract met zijn eigen bloed ondertekent, biedt hij zeven jaar rijkdom, kennis of macht. Daarna haalt de duivel zijn bondgenoot, als deze hem tenminste geen opdracht weet te geven die hij niet uit kan voeren, een wind vangen bijv. (zie domme duivel-sprookjes). Tot zijn bondgenoten horen de heksen en vrijmetselaars. Nu is hij er niet meer. Hij is verdwenen in de Duivelskolk tussen Noordhorn en Niekerk, of een geestelijke of een duivelbanner heeft hem in zee of een ander water gebannen (kolken). Maar elk jaar komt hij weer een hanentree dichterbij: as je over hom praten, staait e achter deur. Bij Holwierde ligt nog een steen met zijn voetafdruk (duvelsflint).

Duivelbanners worden regelmatig vermeld in de 17de-eeuwse archiefstukken van de Hervormde Kerk, zonder dat de inhoud van hun activiteiten uitvoerig wordt toegelicht. De duivelbanner in Appingedam zou bijv. 'wicken, segenen und andere godtlose grillen' plegen, d.w.z. behalve onttoveren ook belezen (wonderdokters) en waarzeggen. Andere duivelbanners genazen ook paarden. later in de 17de eeuw worden ook spookverdrijvers (spokerij) aangetroffen.
Het letterlijk uitbannen van duivels komt nergens meer ter sprake. De rechters beschouwden ze als bedriegers die 'simpele ende onnosele lieden'verleidden en op hun geld uit waren. In de loop van de 18de eeuw nam de vraag naar hun diensten af. Daarna traden in Groningen voornamelijk reizende duivelbanners op. Ook werden nog duivelbanners in Friesland geraadpleegd, zoals paardendokter De Boer in Zwartveen. In volksverhalen wordt vooral hun macht benadrukt.

Duivelsbanner te Noordbroek
Er was een vergaderplaats van heksen tussen Slochter Meenteweg en Schildwolder Meenteweg, vlakbij het Oude Maer. Een eenzamer plats was niet te vinden. Toen was dat land nog niet onder de molen. Het was laag grasland met riet en russen. Overdag kwam er een enkele maal een eenzame boer om een beetje hooi te halen of om turf te vragen. Daar vergaderden de heksen 's nachte om twaalf uur. Zij vertelden dan alles wat zij beleefd hadden, en gedaan. Was iemand behekst, dan kon alleen een duivelsbanner dat ongedaan maken. Volgens de overlevering woonde er ook zo'n duivelsbanner de kant van Noordbroek op. - (E.J. Huizenga-Onnekes, Grgoninger Volksverhalen)

Voorloop
Een oud vrouwtje heeft de Drostenborg tweemaal zien branden, eerst als voorloop, later werkelijk. Dadelijk nadat zij de voorloop had gezien, vertelde zij het aan de dominee. Die beweerde dat het onzin was. Drie dagen later brandde de drostenborg op.

't Swaarde hondje
Bie Rotilstermeulen aan de Scheemderweg lopt 'n swaart hondje stil achter joe aan.
Mor as ie even omkieken, is 't gain hondje meer; den is 't al 'n hond worren. En vot ter op is 't 'n kolverd.
Eerst lopt e op vaier pootjes, en din op vaier poten, en din allain mor op zien achterpoten, Zien veurpoten legt e op joen scholders.
En zo gait e mit joe, net zo wied as zien recht is. As ie in Noorbrouk kommen, binje deurnat van swait, maar doen, nee, doun dut e je niks.

Glende kerels
De glende kerels ben ik meer dan eens tegen het lijf gelopen, dat de vonken er af stoven. Zij riepen dan: 'houd je ketting recht'.

Stommelstaart
De eerste gewichtige ontmoeting in mijn leven was die met de stommelstaart. Ik heb daarmee kennis gemaakt in mijn geboorteplaats Noordbroek. Ik kreeg hem heel toevallig te zien. In onze buurt woonden een paar mooie wichter, die vrijers hadden en die ik eens op een avond met een paar kameraden wilde beloeren. Wij stonden op een regenbak, zodat wij door het venster konden kijken. Maar die drommelse wichter, die niet voor de poes waren, hadden een doek voor het venster gehangen, zodat al ons koekeloeren niets hielp. Toen wij daar zo met ons drieën op de regenbak stonden, ging de achterdeur open. Mijn kameraden zetten het op een lopen, maar ik, die zo gauw niet van de regenbak kon komen, moest wel op de post blijven. Eindelijk werd alles echter weer stil en toen ik er ook uit wilde knijpen, stond daar de stommelstaart. Hij liep om de regenbak heen en wilde mij er niet aflaten. Wat keek hij mij aan, ogen zo groot als dobbelaier en wat wapperde hij met zijn staart. Maar ik had er de puist aan om tot de morgen op de regenbak te blijven. Ik bedacht mij niet lang, sprong vierkant over hem heen en zette het op een lopen. De stommelstaart is niets anders dan de oude knecht. hij is pikzwart en lijkt net op een hond. had ik maar gezegd: 'ik sta hier op de wilgen, ik loof God en al zijn hilgen', dan was hij dadelijk verdwenen. Maar daar dacht ik niet direct aan.

De nachtmerrie
In mijn jonge jaren heb ik de nachtmerrie meer dan eens gezien. Eens lag ik 's avonds op bed, terwijl moeder voor de spiegel stond en zich de muts opzette. Ik keek van bed af naar de en daar zag ik opeens de nachtmerrie. Hij zat op de tip van de tafel. Hij was zo bruin als een kastanje en likte zich het pootje.
Met een wip zat hij mij op de borst en drukte mij de keel dicht. Ik wilde roepen, maar kon niet. Eindelijk, toen hij mij genoeg had geplaagd, liet hij zich naar beneden rollen als een kaatsebal en verdween onder het bed. 'Moeder, moeder, de nachtmerrie', riep ik. Maar hij was nergens meer te vinden. Hij was al lang door het sleutelgatje gekropen. Moeder zei: 'Die behoef je niet meer te hebben, Wolter. Als je naar bed gaat, zet dan maar schoenen met het achtereind naar bed toe en de nachtmerrie zal je moeten voorbijgaan, want hij moet altijd eerst zijn voeten in je schoenen hebben'.

Heksen
De heksen heb ik vaak zien dansen op een touw dat gespannen was van de Meedemer toren naar die van Westerlee. In mijn jeugd waren er heel veel heksen, maar de Fransen hebben ze verjaagd. Te Noordbroek was ook een vrouw, die ik dikwijls als een dikke kat op een wring heb zien zitten. Het is zo waar als Wopke leeft. Ik ken ook een vrouw die zat onder het zet van een draaibrug. Er is ook een spreekwoord dat zegt: als het regent en de zon schijnt, bakken de heksen pannekoeken onder het zet van de draai.

't Sweerd aan de locht
Op 'n oavend luipen wie mit ons vaiern van Noorbrouk noa Slochter. 't Was net tegen tied, dat de zun ondergong. Hai gong op dei oavend onder zo rood as bloud. De locht noa 't westen tou boven Slochtertoorn was ook haildail rood. Dou zaggen wie dudelk tegen de locht 'n hail groot, donker sweerd. Dou wie in hoes kwammen, hebben wie op slag verteld wat wie zain harren. 'Leuft mor driest', zee grootvoader, 'dat bedudt wat! Dat betaikent nait veul gouds.' 'n Poar moand loater is de grode oorlog oetbroken tussen Duutsland en Frankriek (1870). - (K. ter Laan, Groninger overleveringen)

Duvel in Uterboeren
Zo as 't al zo mennigmoal is gebeurd, zes jongkeerls zitten op zundag te koartspeulen in Uterboeren. Ze speulen mit 'n vremde. 'n Koart vaalt op grond. Ze zain, dat dei vremde 'n peerdepoot het. Ze naaien der oet, moar ain van heur ken nait zo gauw votkommen. Wat was 't wat! Boeten deur heuren ze hom jammeren: 'gnoade, meneer duvel, gnoade', mor dat huilp hom niks. 't Duurde mor 'n kort zetje, dou vernammen ze niks meer. Alain zaggen ze nog 'n dikke kwaalm rook tou schosstein oetkommen.
Zo ain mot tou duvel leren. Ol vent nimt zo'n jongkerel mit en peelt ter mit om en moakt der 'n jonge duvel van.- (E.J. Huizenga-Onnekes)

Geert Krop en de lichte kunst
Mien grootvoader was aarbaider bie 'n boer in Zubrouk. In dei tied was der ook 'n aarbaider op ploatse dei Geert Krop Haitte. Hai kon wat van de lichte kunst.
Op 'n keer wazzen ze mit heur baident aan 't waark. Ze wazzen aan 't aaien. Dou het Geert aide in bain kregen. Ze hemmen om op slee noar huus brocht, mor vrauw wol hom nait in huus hemmen, omdat e 't bain stokken haar. Zai dee deure vast, mor Geert sluig dreimoal mit pedde tegen deure aan. Toun ging deure vanzölf open.
Geert haar ook aaltied 'n magneetje in buutse. Dat was zien toverstokje. As e dat magneetje uut zien veskebuutse huil en as hai din zee:'stoa', din bleven minsen stoan. as e zee: 'vot', din konnen ze weer verder. Hai kon veul meer as 'n gewoon mins en aarbaiders nait mit hom waarken. Mor, 't was gek, zien vrauw was niks baang veur hom. Tuus zat e slim onner plak. Zai was din ook 'n helhoak. - (in 1920 verteld door H. Brouwer)

Rikste van Zubrouk
Vrouger woonde in Zubrouk 'n jonge vrouw, dei Rikste haitte. As der in Stad 'n ongeluk gebeurde, din wos zai 't in Zubrouk.
In dei tied woonden hier, en ook in Muntendam, Veendam, Wildervank, Sapmeer en op 't Hogezand hail wat zeeluu.
As 't störmachtig weer was, din wörren vrauwluu onrusteg en din gingen ze noar Rikste tou en vruigen: 'Zol 't wel goud oaflopen?' En as Rikste zee: ''t Komt wel goud', din sluipen ze rusteg.
Dat minsk is nait old worren. Gain wonder, want sukkend hebben 'n swoar leven. Moar 't mout 'n wonder vrauwspersoon west hebben. - (verteld door H. Brouwer)


Pageviews vandaag: 18.