Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

doopsgezinden

Protestants kerkgenootschap. De naam doopsgezind is afgeleid van de doop die alleen bij volwassenen plaats vindt. In het voetspoor van Wilhelm Reublin, die in 1524 voor het eerst tegen de kinderdoop preekte, voerde zorgvuldige lezing van de bijbel hen tot de overtuiging dat de doop de bezegeling van een innerlijke wedergeboorte en de daarop volgende belijdenis hoort te zijn: om die reden kan de doop alleen aan volwassenen worden bediend.



In Zürich vormde zich sinds 1523 in de kring van de reformator Zwingli een groep hervormingsgezinden rondom Conrad Grebel en Felix Mantz, die een radicale reformatie nastreefde. Zij stelden zich het leven van de eerste nieuw-testamentische gemeente als voorbeeld en doel. Dat Zwingli zich bij zijn hervorming van de steun van de stedelijke overheid verzekerde stuitte bij hen echter op principiële bezwaren.

Aangezien iedereen als kind was gedoopt, had een herdoop plaats, de eerste keer door Grebel in januari 1525; daarom werden de doopsgezinden wederdopers genoemd.

Naar hun opvatting was de op geloof en leer stoelende betering van het leven van grote waarde. Dopersen legden geen eed af: het door hen gegeven woord was ook zonder eed betrouwbaar. Ook droegen zij geen wapens en bekleedden zij geen overheidsdiensten. Ze waren wars van uiterlijke vormen in de kerk en eredienst; het priesterschap van alle gelovigen was onverenigbaar met een kerkelijke hiërarchie. Wel kenden ze uit de gemeente voortgekomen voorgangers, benevens oudsten aan wie het toezicht op een aantal gemeenten was toevertrouwd.

Doopsgezinden leggen de nadruk op het leven: ijverig, vroom, afgezonderd van de wereld; zij pasten de voetwassing toe bij het Avondmaal, mannen de mannen en vrouwen de vrouwen; zij wilden geen eed afleggen en geen soldaat worden; zij leerden, dat ook Judas zalig zou worden door het bloed van het Kruis, want hij had een weldaad aan de mensheid bewezen.

Door de genoemde opvattingen, die tot een afzijdigheid en een sterke verbondenheid met de eigen groep leidden, doorbraken zij de religieuze en burgerlijke eenheid; kerkerlijke en burgerlijke autoriteiten gingen ertoe over hen te vervolgen en te straffen. Ook buiten Zwitserland, waar de doperse overtuiging wortel schoot, werd vervolging en marteldood hun deel. Ten gevolge daarvan bestond na 1550 in Zuid-Duitsland vrijwel geen doopsgezinde beweging meer.

In Noord-Duitsland handhaaften de doopsgezinden zich echter wel. Daar had Melchior Hoffman, een bontwerker uit Zwaben, die van Emden uit predikte en doopte, omstreeks 1530 in de Nederlanden grote invloed, niet in de laatste plaats wegens zijn verwachting van de spoedige wederkomst van Christus en de stichting van het duizendjarig rijk; zijn volgelingen zagen in hem de teruggekomen profeet Elia.

In deze roerige tijd van duurte, overstromingen en veepest kregen ook woeliger naturen aanhang. Zo viel Münster in 1533 in handen van radicale doperse leiders; van hen noemde Jan van Leiden zich profeet en later koning van het in Münster gevestigde nieuw Jeruzalem. Hun aanvankelijke succes oefende een grote aantrekkingskracht op Nederlandse resp. Groningse dopersen uit. In januari 1533 kwamen bij de boerderij van Eppe Peters, 'de Arke', in 't Zandt meer dan duizend mensen bijeen om getuige te zijn van het optreden van Harmen Schoenmaker, die zich eveneens 'profeet' en vervolgens 'God de Vader' noemde.
In maart 1533 deed een legertje Groningse wederdopers een aanval op de Johannieter commanderij bij Warffum; dertig man werden gevangen genomen, een aanvoerder werd onthoofd.

Zachtere krachten kregen nu de overhand. Door Obbe en Dirk Philips en vooral Menno Simons werd de doopsgezinde beweging na 1536 in rustiger banen geleid, al bleven revolutionairen zich tot 1544 roeren.

Leenaert Bouwens, werkend van Emden uit, doopte in de jaren 1551-1582 in de kustprovincieën meer dan 10.000 personen.

Al snel openbaarden zich onder de doopsgezinden vele sromingen, veelal op grond van verschillende opvattingen inzake de gestrengheid van de leer en vooral van het leven. In Groningen waren het de meer liberale en tolerante, ondogmatische Waterlanders naast de gestrenge Vlamingen. De laatsen splitsten zich weer in Jonge en Oude Vlamingen, van wie de Oude Vlamingen de meest stijfzinnigen waren; op hun beurt scheidden de Groninger Oude Vlamingen zich van de Oude Vlamingen af. De Groninger Oude Vlamingen hanteerden rigoureus de ban van gemeenteleden die van de norm afweken en de mijding van gebannen leden en van andersgezinden. Ook ten aanzien van schilderijen en spiegels hanteerden zij de strengste voorschriften van soberheid; zij voerden ook voorafgaande aan de viering van het avondmaal een onderlinge voetwassing uit.

Anders dan in het westen en zuiden des lands en in Friesland, waar de doopsgezinden in de katholieke tijd aan vervolgingen blootstonden en velen van hen de marteldood stierven, werden zij in Groningen betrekkelijk ongemoeid gelaten en waren de jegens hen getroffen maatregelen relatief mild. De bepalingen tegen de doopsgezinden werden niet of nauwelijks uitgevoerd. Onder het bewind van Karel V en (na 1555) Filips II beriep Groningen zich steeds op de oude wetten en privileges teneinde strengere maatregelen te verhoeden. Onder de landadel waren verschillende jonkers, o.a. Christoffel van Ewsum te Rasquert, de doopsgezinden welgezind.

Bij de Reductie van Groningen (1594) werd ook aan de doopsgezinden vrijheid van consciëntie verleend; in het 'Scherpe Plakkaat' van 1601 werd evenwel op straffe van boetes respectievelijk verbanning het uitoefenen van de doopsgezinde godsdienst verboden. Ondanks herhaalde acties van gereformeerde predikanten en kerkenraden werden ook de bepalingen van dit plakkaat niet nageleefd. Alleen als doopsgezinden zich roerden, werd strenger opgetreden: zo werd Uko Walles in 1637 verbannen. In Noordbroek heeft de doopgezinde kerk na de hervormde kerk het oudste verleden. Reeds in 1630 werden er godsdienstoefeningen gehouden. De landbouwer Uko Walles, geboren en wonende te Noordbroek, was de ziel van de gemeente. Hij kreeg over de leer van de doopsgezinden echter strijd met de hervormde predikanten. Het slot was dat hij in 1637 werd verbannen buiten dit gebied en naar Oost-Friesland uitweek. Maar in 1642 waagde hij zich al weer terug in Marsum bij Appingedam.

Allengs vervluchtigde de weerstand van de doopsgezinden. In 1616 kregen zij verlof, bij de aanvaarding van het burgerrecht, in plaats van de eed een belofte af te leggen. In de loop van de 17de eeuw werd hun in verschillende plaatsen in Groningen toegestaan kerken te bouwen, mits deze zich niet aan de openbare weg bevonden en er niet als een kerk uitzagen. Deze plaatsen van samenkomst, tevoren veelal kamers, schuren en zolders, heetten 'vermaningen' naar analogie van de term 'vermaners' van de voorgangers. Aan deze uit de geloofsgenoten voortgekomen leraren werden geleidelijk hogere opleidingseisen gesteld; na 1650 streefde men ook naar bezoldiging.

Tot 1672 bleef er met enige regelmaat strijd, maar de onderlinge verhouding werd nu beter. Ongetwijfeld door de voorbeeldige houding van de doopsgezinden tijdens de oorlogstroebelingen van dat jaar. Zij hebben veel gedaan om het oorlogsleed te verzachten. Of de verhouding goed of minder goed was, hing ook vaak van de betrokken personen af. Ds. Stegnerus b.v., die van 1712 tot 1756 hervormd predikant te Noordbroek was, trad er scherp tegen op, als zijn gemeenteleden de doopsgezinde kerk bezochten.

In 1710-1730 werd aan doopsgezinden, die om hun geloof en het intolerante klimaat in Zwitserland uit dat land waren vertrokken, in en om de stad Groningen en Sappemeer een nieuwe toekomst geboden.

In 1796 werden de doopsgezinden en andere kerkgenootschappen met de gereformeerden gelijkgesteld. In de kringen der doopsgezinden is de invloed van de Verlichting groot geweest. Veel doopsgezinden behoorden tot de patriotten. Ook bij de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen waren veel doopsgezinden betrokken. In de 19de en 20ste eeuw vinden we menige doopsgezinde bij de liberale elite.

In 1811, dus na de gelijkstelling van de godsdiensten en na de uitkering uit de bezittingen van de hervormde kerk, werd in Noordbroek een eigen kerkgebouw opgericht. Een ingemetselde steen vermeldt, dat Schelto Sebes en Fijpko Fijpkes toen kerkvoogden waen en Lz. ten Cate het leraarsambt bekleedde. Deze kerk was gecombineerd met die van Nieuw-Scheemda, waar ook een kerkgebouw stond. De kerk van Nieuw-Scheemda werd in 1921 verkocht en later afgebroken. Sindsdien gingen de leden van Nieuw-Scheemda naar Noordbroek.

Intussen hadden de doopsgezinden in Nederland en ook in Groningen eenheid nagestreefd. Bestonden aanvankelijk nog naast elkaar de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen (mogelijk sinds 1710, zeker sinds 1717) en de Humsterlandsche Siciëteit (i.c. van de gematigder doopsgezinden, in 1759 voor het eerst vermeld), na het tot stand komen van de Algemeene Doopsgezinde Gemeenten in Holland (1811) werden de afzonderlijke sociëteiten in Groningen respectievelijk in 1815 respectievelijk 1829 officieel opgeheven. De in 1826 opgerichte Sociëteit van Doopsgezinde Gemeenten in Groningen en het Konikrijk Hannover omvatte alle doopsgezinden. In de stad Groningen waren twee doopsgezinde gemeenten al eerder verenigd; in plaats van de twee kerkgebouwen aan de Pelsterstraat en de Oude Boteringestraat verrees op de plaats van de oude kerk in 1813-1815 aan de Oude Boteringestraat een nieuwe kerk voor de gezamenlijke doopsgezinden.

In de 18de eeuw en opnieuw na 1870 is het aantal doopsgezinden in Groningen sterk achteruit gegaan. In 1700 was 6 tot 8% van de bevolking van de Ommelanden doopsgezind, met concentraties in het Noordelijk Westerkwartier, 't Zandt, Noordbroek en bovenal in Hoogezand-Sappemeer; het percentage was rond de millenniumwisseling tot minder dan een half gedaald. Bedroeg het aantal vermaningen in de provincie ooit meer dan veertig, nu waren er nog maar elf doopsgezinde kerken in gebruik; te weten die in Eenrum, Groningen, Haren, Middelstum, Noordhorn, Sappemeer, Stadskanaal, Uithuizen, Veendam (i.c. een zaal bij het Aanloophuis), Zeerijp en Zijldijk. De laatset, de oudste, in 1772 gebouwd, heeft nog het karakter van een schuilkerk; die in Groningen heeft dat oorspronkelijke karaketer in haar situering bewaard.

De doopsgezinden van Zuidbroek behoorden behoorden vanouds tot de gemeente Sappemeer. In 1975 werd de doopsgezinde gemeente toegevoegd aan die te Sappemeer. Het kerkgebouw werd overgedragen aan de burgerlijke gemeente.


Pageviews vandaag: 4.