Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

doopsgezinde kerk Noordbroek

De doopsgezinde kerk (ook wel vermaning genoemd) aan Hoofdstraat 80 in de Groningse plaats Noordbroek is het voormalige kerkgebouw van de doopsgezinde gemeente aldaar.

Op 19 april 1811 werd de eerste steen gelegd voor de bouw van de doopsgezinde kerk in Noordbroek.
De kerk zou volgens een rapport van de schoolmeester van Noordbroek Johan Hendrik Smid gesticht zijn "uit de goederen der Hervormden" (bron Boekholt, P.Th.F.M. en J. van der Kooi, Spiegel van Groningen - Over de schoolmeestersrapporten van 1828, blz. 301, Van Gorcum & Comp., Assen, 1996). De kerk kon nog in datzelfde jaar op 8 december worden ingewijd.

Het gebouw is een eenvoudige zaalkerk. De witgepleisterde classicistische entree bevindt zich aan de westzijde aan de weg. Boven de entree is in Romeinse cijfers het bouwjaar van de kerk aangebracht. De kerk is voorzien van spitsboogvensters in verdiepte velden. De kerk wordt gedekt door een schilddak. Het deels nog aanwezige gesmede ijzeren toegangshek is nog origineel.

De kerk wordt sinds 1950 niet meer gebruikt door de doopsgezinden. De doopsgezinde gemeente van Noordbroek werd samengevoegd met die van Sappemeer. Het kerkgebouw werd wel nog een tijdje gebruikt door Vrijzinnig Hervormd en door de Nederlandse hervormde Evangelisatie. Vanaf 1984 werd het even de repetitie ruimte voor het muziekkorps en had nog een soort dorpshuisfunctie. Daarna is het in gebruik geweest als atelier en galerie door de beeldend kunstenaars Hill Metselaar en Pierre Everhartz. Nu is het in gebruik als woonhuis.

Het 'mennonietenkerkje' staat in het dorp vooral bekend door zijn bouwjaar 1811 dat groot boven de entree staat. Het was al kort na de Franse bezetting in 1795, dat er gelijke rechten werden geïntroduceerd voor de diverse minderheden in ons land. Hierdoor kwam er ook meer vrijheid voor andere religies dan de Hervormde staatskerk. De Doperse gemeenteleden die in Noordbroek woonden, kerkten noodgedwongen in een woning maar kregen rond 1800 een geweldige financiële meevaller. Men kreeg recht op een substantieel deel van het bezit van de hervormde kerk van Noordbroek. Een eigen kerkje kon daardoor in 1811 in gebruik worden genomen.

Doopsgezinde pastorie

Naast de kerk bevindt zich de tijdens het predikantschap van Jacob Bodisco in 1842 gebouwde doopsgezinde pastorie. De voormalige doopsgezinde pastorie was het woonhuis van de predikant van de Doopsgezinde Gemeente aldaar en wordt nu gebruikt als burgerwoonhuis.

De bouw van de pastorie werd gefinancierd uit vrijwillige bijdragen van de predikant van de gemeenteleden.

De woning bestaat uit een bouwlaag onder een zadeldak met vier hoekschoorstenen. De voorgevel aan de westzijde is symmetrisch vormgegeven. De entree van de woning is, evenals de entree van het voormalige kerkgebouw, omlijst. Ter weerszijden van de entree bevinden zich twee grote H-vensters. Aan de noordzijde van de woning is een tweede toegangsdeur, voorzien van een stenen stoepje met twee treden, aangebracht. Rechts van deze zijdeur bevinden zich twee H-vensters en links ervan vier H-vensters. Aan de achterzijde van de woning is een aanbouw aangebracht.

Zowel het voormalige kerkgebouw als de voormalige pastorie zijn erkend als rijksmonument. De voormalige pastorie heeft, naar het oordeel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een zeer hoge cultuurhistorische waarde.

Doopsgezinde gemeente Noordbroek-Nieuw Scheemda

De berichtgeving over de geestelijk strijd van de wederdopers in het Oldambt begint met een vermelding in de dooplijst van de oudste Leenart Bouwens. In de periode 1551 - 1578 werden door hem in Hellum achttien personen gedoopt. Het dorp Hellum ligt ongeveer 4 kilometer ten noorden van Noordbroek. Tot welke gemeente(n) deze dopelingen behoorden is niet meer vast te stellen.

De interne strijd over het ideaal van de zuivere gemeente verdeelden de Mennisten in de daarna volgende decennia in verschillende stromingen onder andere in Friezen en Vlamingen en later nog in Oude- en Jonge Friezen, Jonge - en Oude Vlamingen. De meeste gemeenten uit de provincie Groningen behoorden tot de richting der Vlamingen. Pogingen in 1628 en 1632 om de stromingen der Jonge - en Oude Vlamingen te herenigen slaagden wel in Holland, Zeeland en Utrecht. De in de provincie Groningen wonende Oude Vlamingen deden niet mee; Oudste Jan Luies "ut de Marna" was een grote tegenstander van deze hereniging.

Oudste Jan Luies overleed op 21 januari 1637 en werd opgevolgd door Ukko Walles. Onder diens leiding kwam het tot een definitieve scheuring met andere groepen Vlaamse Mennisten in Nederland. Ukko Walles zette de lijn van het denken van Oudste Jan Luies voort en voegde zijn eigen ideeën over Judas daaraan nog toe. Dit te zamen leverde hem vele problemen op met de stadspredikanten, die vreesden voor herhaling van "Munsterse toestanden". Ukko Walles werd op 8 april 1637 verbannen uit de provincie Groningen. Een zwerftocht door Oost-Friesland en Friesland begon. Af en toe kreeg hij met smeekschriften ontheffing van het bannissement en keerde enige tijd terug. Ucco Walles overleed op 15 februari 1653 te Sylmönken in Oost-Friesland.

Binnen de doopsgezinde kerken bestonden dus vele stromingen, waarvan de 'Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen' een strenge variant was. Tot deze stroming hoorde de gemeenschap in Noordbroek en Nieuw-Scheemda.

Voor zover bekend was er rond 1650 al een doopsgezinde gemeente in Noordbroek en Nieuw-Scheemda, toen Scheemder-Hamrik genoemd. Net als andere protestantse bewegingen die niet tot de officiële calvinistische staatskerk behoorden, hadden zij het moeilijk. Ze werden tegengewerkt.

Bij onenigheid over bijbelse zaken werd hun belangrijkste prediker, de in Noordbroek geboren Uko Wallis in 1637 naar Duitsland verbannen. Toen hij in 1642 weer verscheen werd hij direct weer gearresteerd en de grens over gezet. Pas na 1665 werd het calvinistische regime ten aanzien van andere protestantse bewegingen iets milder en werden ze gedoogd, niet gesteund.

Het dorp Nieuw-Scheemda is ontstaan op de dijk van 1597, die de eerste ingepolderde kweldergronden in de Dollard beschermden. De gemeente Noordbroek werd in de periode 1688-1740 Noordbroek of Noordbroek-Nieuw Scheemda genoemd. Waarschijnlijk zijn hier twee doperse gemeenten samengegaan, bestaande uit de oorspronkelijke gemeente Noordbroek met een gedeelte van het Klei-Oldambt. Het tijdstip waarop dit is geschied, is niet geheel duidelijk. De gemeente Noordbroek bouwde in de periode 1687 - 1697 een vermaning in de Moeshorn te Noordbroek. In 1705 kopen de mennonieten gemeente Noordbroek en Nieuw Scheemda een tweede gebouw te Nieuw Scheemda, dat dienst kon doen als vermaning.

In 1716 telde de gemeente 54 broeders en 63 zusters, die verspreid woonden over een groot gebied.

De gemeente Klei-Oldambt is waarschijnlijk de gevolgen van de diverse overstromingen in dit gebied niet meer te boven gekomen. In 1738 werd nog in de notulen van de Societeit der Groninger Oude Vlamingen vermeld : "Klein Oldampt: niemant".

Op regionaal niveau was de gemeente Noordbroek-Nieuw Scheemda lid van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen. In 1762 vond er een reorganisatie binnen deze sociëteit plaats. De sociëteit werd onderverdeeld in zes klasses. De notulen van deze klassikale vergaderingen in het Oldambt zijn gedeeltelijk bewaard gebleven. De Sociëteit der Oude Vlamingen werd in 1815 opgeheven.

In 1811 werd de kerk in Noordbroek ingewijd, in 1840 die in Nieuw-Scheemda.

Predikers waren tot 1840 niet officieel opgeleide leke- of liefdepredikers. Pas na 1840 kwam de mogelijkheid doopsgezinde dominees op te leiden in Amsterdam.

In 1826 nam de gemeente Noordbroek-Nieuw Scheemda deel aan de oprichtingsbesprekingen voor een Sociëteit van Doopsgezinde gemeenten in Groningen. Bij de oprichting werd de gemeente direct lid. Deze Sociëteit werd later Sociëteit van Doopsgezinde gemeenten in Groningen, Drenthe en Oost-Friesland (na 1950 afgekort tot GDS) genoemd.

Met de komst van de eerste bezoldigde leraar, verdwenen de "liefdepredikers". De organisatie werd in de loop der tijd enkelen malen aangepast. In 1871 werd bijvoorbeeld stemrecht verleend aan de vrouwelijk leden.

In 1919 voegde de kerk in Nieuw-Scheemda zich bij Noordbroek. Hun orgel namen ze mee hier naar toe.

Op landelijke niveau werd de gemeente in 1919 lid van Algemene Doopsgezinde Sociëteit te Amsterdam. De bijdrage voor het lidmaatschap bedroeg ƒ 5,--; in 1920 werd besloten op grond van het reglement van de ADS de bijdrage aan ADS te verhogen om bij het stemmingen recht te hebben op twee stemmen .

Het dalend aantal leden na 1915 had tot gevolg, dat in 1924 Mr. Jan Marie Vis, naast het beroep van Noordbroek-Nieuw Scheemda, ook het beroep van de gemeente Mensingeweer, aanvaardde.

In 1945, toen hun laatste dominee, J.M. Vis met emeritaat ging na 38 trouwe dienst, voegde de Noordbroekster gemeente zich bij die van Sappemeer Doordat het aantal leden nog verder was teruggelopen leidde dit op 22 november 1976 tot fusie. Bij de fusie werd afgesproken, dat de gefuseerde gemeente Sappemeer-Noordbroek gedurende 25 jaar het vruchtgebruik verkreeg van het kapitaal van de Doopsgezinde gemeente Noordbroek. Indien de gemeente Noordbroek weer tot leven zou komen, dan moest het kapitaal weer beschikbaar worden gesteld. Deze termijn is in 2001 verstreken zonder heroprichting van de gemeente.

Lijst van Oudsten, vermaners en leraren

Ucke Walles, verkozen uit de gemeente, oudste in 1628, na 8 april 1637 werd hij verbannen uit de provincie Groningen in gevolge het vonnis van Burgemeesteren en Raad van Groningen, overleden in 15 februari 1653 te Sylmönken in Oost-Friesland en begraven te Woldendorp in de provincie Groningen.

Albert Feijes,verkozen uit de gemeente tot vermaner, later tot oudste, overleden in 1651
Harcke Peters,verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden ca. 1697
Hendrik Sijbes, verkozen uit de gemeente tot vermaner, later tot oudste in 1680
Harmen Feijes, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden 8 maart 1709
Jan Jacobs, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden ca. 1722
Sebo Hendriks, verkozen uit de gemeente tot vermaner, later tot oudste , overleden ca. 1732
Albert Hendriks, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden ca. 1757
Albert Jans, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden 17 juli 1768
Hendrik Seebes, verkozen uit de gemeente tot vermaner, later tot oudste, overleden 2 juli 1752
Jan Pieters Roggen, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden na 4 november 1762
Harm Roelfs, geb. 9 mei 1721, verkozen uit de gemeente tot leraar 1753 - 1790, overleden 29 dec. 1791 te Scheemda
Otto Willems, verkozen uit de gemeente tot vermaner, overleden ca.1786

Jan Jans van Calcar uit Sappemeer, verleende assistentie in de periode 1772 - 1782, vertrokken naar Neustadtgödens (Duitsland), overleden op 14 februari 1834 te Heerenveen .

Jacob Harkes, verkozen uit de gemeente ca. 1783, overleden ca. 1791.

Hendrik Bavink, beroepen in 1786, gekomen van (Kampen?) , in 1788 (ontheven van zijn leraarschap wegens wangedrag), vertrokken waarheen is onbekend.
Pieter Harmens de Vries, verkozen in 1789 in de gemeente Drachten (Friesland), beroepen in 1790, gekomen van Drachten, in 1794 vertrokken naar Surhuisterveen (Friesland).
Izaak ten Cate, verkozen in de gemeente Goor (Overijssel), gekomen van Goor, intrededienst 13 december 1795 te Noordbroek, overleden 28 mei 1839 te Noordbroek.
Jacob Bodisco, 1834/'35 proponent, gekomen van Noordzijpe-Oude Sluis, intrededienst 13 september 1840, afscheidsdienst 4 november 1849, vertrokken naar Zutphen, overleden 14 september 1872 te Zutphen.
Herman ten Cate Hoedemaker, 1847 proponent, gekomen van Mensingeweer, intrededienst 28 juli 1850, afscheidsdienst november 1852, vertrokken naar Grouw (Fr.), overleden 10 april 1901 te Steeg (Gld)
Frederik Ignatius Klaassesz, 1851 proponent, gekomen van Tjallebert (Fr.), intrededienst 10 april 1853, afscheidsdienst 19 september 1858, vertrokken naar Warga (Fr.), overleden 10 februari 1866 te Warga. (Fr.)
Jan ten Bruggen Cate, 1858/1859 proponent, intrededienst 7 maart 1859, overleden 2 februari 1871 te Noordbroek.
Pieter Evert Lugt, 1865 proponent, gekomen van Noordeinde van Graft (Noord-Holland), intrededienst 19 november 1871, afscheidsdienst 29 maart 1874, vertrokken naar Ijlst (Fr.), overleden 1 juni 1908 te Amersfoort.
Bernardus ten Bruggen Cate, 1863 proponent, intrededienst 4 oktober 1874, gekomen van Baard (Fr.) , 1 juli 1900 met emeritaat, overleden 27 januari 1904 te Groningen.
Isaac Hulshoff, 1895 proponent, gekomen van Baard, intrededienst 5 mei 1901, afscheidsdienst 24 mei 1903, vertrokken naar Irnsum en Poppingawier (Fr.), overleden 3 augustus 1951 te Zeist.
Jan Hendrik van Giessen jr., 1899 proponent, gekomen van Noordeinde van Graft (Noord-Holland), intrededienst 8 mei 1904, afscheidsdienst 4 november 1906, vertrokken naar Midwolda c.a.

mr. Jan Marie Vis, 1906 proponent, gekomen van 's-Gravenhage, 27 oktober 1907 intrededienst, [eveneens beroepen in Mensingeweer, intrededienst 3 november 1924], 28 oktober 1945 met emeritaat, 20 maart 1956 overleden te Noordbroek.



Pageviews vandaag: 7.