kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 25-03-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Doofstommeninstituut Guyot

Het Henri Daniel Guyot Instituut was het eerste Nederlandse doveninstituut. Het werd in 1790 opgericht op initiatief van de Groningse predikant Henri Daniel Guyot (1753-1828).


Grotere kaart weergeven

Henri Daniel Guyot (1753-1828) was predikant van de Waalse gemeente in Groningen. Hij vond onderwijs voor doven belangrijk. In Frankrijk had hij het werk van abt Charles Michel de l'Epée gezien en daarom richtte hij op 14 april 1790 samen met Willem Hora Siccama, Gerrit van Olst en Hendrik van Calcar in Groningen het eerste instituut voor doven in Nederland op.

In het begin waren er 14 leerlingen. Guyot was zelf leraar voor de klas. De eerste jaren werd in kleine panden lesgegeven, achtereenvolgens aan de Brugstraat, de Oude Ebbingestraat en de Turftorenstraat.

In 1808 moest men door een flinke toename van het aantal leerlingen een groter pand zoeken. In eerste instantie werd een verhuizing naar Haarlem overwogen. Dankzij steun van de provincie en de stad Groningen werd de school aan het westelijke gedeelte van de Ossenmarkt (nu het Guyotplein) gevestigd. De woningen werden omgebouwd tot een internaat voor jongens en meisjes in 1819, 1822 en 1838. Om het instituut te kunnen bekostigen werden afdelingen in het hele land geopend.

In 1791 konden doven verschillende beroepen kiezen. Voor meisjes waren er slechts 4 opleidingen. Jongens hadden meer beroepsmogelijkheden waaronder schoonmaker en borstelmaker. Pas in 1852 werd er voor het eerst ambachtsonderwijs aan doven gegeven zoals timmeren, schrijnwerken en kleermaken.

Guyot werkte tot aan zijn dood voor zijn instituut. Opvolger was zijn zoon Dr. Charles Guyot, die tot 1854 werkte. Daarna had Rembt Tobie tot 1861 de leiding.

Het monopolie op het dovenonderwijs werd in 1840 doorbroken door de komst van een tweede dovenschool, het Instituut voor Doven in Sint-Michielsgestel (in 2003 opgegaan in 'Viataal') in Sint-Michielsgestel, gevolgd door het Rudolf Mees Instituut (tegenwoordig 'Polano') te Rotterdam (1853) en Effatha te Leiden (1888). Daardoor daalde het aantal leerlingen van het Guyot instituut. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw van het Guyot instituut door de Duitsers in beslag genomen.

In 1948 kreeg het Guyot instituut het predicaat 'Koninklijk' van Koningin Wilhelmina.

In de jaren '60 van de 20e eeuw kwamen er beroepsmogelijkheden op het gebied van de administratie en onderneming bij. Vanaf de jaren '80 werd mavo (tegenwoordig vmbo) aangeboden, gevolgd door havo vanaf 1991.

In 1985 verhuisde het instituut naar Haren. Het internaat werd daarbij in gewone woningen in een buitenwijk gevestigd. In 1994 kreeg Guyot het gebouw van de huidige Ammanschool (tegenwoordig 'Signis') van de gemeente Amsterdam. Bijkomend geschenk van de gemeente Amsterdam was de plaatsing van Amsterdammertje op het terrein van Guyot. Rond 1997 werden een aantal oude gebouwen rond het Guyotplein, waaronder het internaat en de school, gesloopt voor de nieuwbouw van de rechtbank. Het borstbeeld van de oprichter uit het gesloopte pand werd teruggeven aan het instituut.

Het doveninstituut is in 2002 opgegaan in de Koninklijke Effatha Guyot Groep (KEGG) en sinds 2009 met Viataal en Sint Marie als Koninklijke Kentalis. Vanaf dat moment heet het Koninklijke Kentalis - Guyotschool voor SO, (V)SO-CMB en VSO.



Gesticht in 1790 te Groningen door Henri Daniël Guyot (1753-1828), Waals predikant aldaar, met enkele notabelen (Hendrik van Calcar, Gerrit van Olst en Willem Hora Siccama) tot onderwijzing van doven en stommen; de eerste school voor speciaal onderwijs in Nederland. Deze oprichting was de afsluiting van een periode waarin Guyot als privé-persoon dove kinderen had onderwezen.

In 1784 had hij op een vakantiereis in Parijs de abt De l'Epée en zijn methode voor doofstommenonderwijs leren kennen. Hij besloot, teruggekeerd in Groningen, zijn voorbeeld te volgen. Hij had hiermee zoveel succes, dat het aantal leerlingen van twee in 1785 uitgroeide tot veertien in 1789. Dit leverde enorme tijds- en geldproblemen op, zodat hij besloot de liefdadigheid van geheel Nederland in te roepen om een instituut op te richten. Inkomsten werden in de eerste plaats verkregen door lidmaatschapsgelden (f 5,25), particuliere giften en legaten. Ook verleenden het Rijk, de provincies en gemeenten en het koninklijk huis subsidies; vermogende ouders betaalden schoolgeld.

Zo werd het instituut een nationale instelling. In 1948 werd de brede maatschappelijke erkenning van het belang van het instituut nogmaals onderstreept door toekenning van het predikaat 'koninklijk' door koningin Wilhelmina. Aanvankelijk was de inrichting in het huis van de directeur gevestigd, later in een huurhuis, totdat in 1808 een eigen huis werd aangekocht aan het beplante deel van de Ossenmarkt. Hier werden de internaten samen met de school gevestigd. In 1890 werd het plein naar de oprichter genoemd. Door het toenemend aantal leerlingen werden in de loop van de jaren huizen en gronden rondom aangekocht om steeds weer aanbouw te kunnen realiseren: nieuwe internaatshuizen, een speciaal kosthuis voor joodse leerlingen, vakscholen (vanaf 1852) en nieuwe schoolgebouwen (1938). In 1985 verhuisde het instituut om praktische redenen naar Haren; het internaat werd in huurhuizen ondergebracht in Groningen.

Guyot zette het dovenonderwijs op met gebruikmaking van gebaren (de Franse methode van De l'Epée). Onder invloed van nieuwere inzichten rondom het spreken (de Duitse methode van Heinicke) wijzigde hij dit tot de zogenoemde 'gemengde of Oudhollandse methode'. Hij leerde de kinderen gebarentaal, lezen en indien mogelijk ook spreken. Verder werden ze onderwezen in godsdienstige zaken, de gebruikelijke schoolvakken en ten slotte ook in een 'handwerk'; wilde immers een ontslagen leerling zich in de maatschappij nuttig kunnen maken, dan moest hij een vak uitoefenen. In 1864 werd de Oudhollandse methode vervangen door de 'zuivere spreekmethode', zowel vanwege een grotere invloed van het Duitse (orale) dovenonderwijs als door de sterke concurrentie van het nieuwe Rotterdamse doveninstituut, dat met zijn nadruk op het spreken veel publiciteit kreeg en veel leerlingen trok. Overigens verdwenen in de praktijk gebaar noch vingerspelling ooit geheel van het instituut.

In 1981 deed het gebaar weer officieel zijn intrede, toen werd overgestapt naar de zienswijze van de 'totale communicatie'; het gesproken Nederlands werd zichtbaar gemaakt met ondersteunende gebaren en andere visuele middelen. In 1996 werd de volgende stap gezet: een principiële keuze voor tweetaligheid; de Nederlandse gebarentaal werd de eerste taal en het Nederlands de tweede. Beide talen zijn gelijkwaardig. De verwerkelijking van deze keuze zal nog de nodige jaren vergen.

[Frese]

Lit.: A.W. Alings, Beschrijving van het Instituut voor Doofstommen te Groningen (Groningen 1890); J.G. Brugmans, De eerste eeuw van het Instituut voor Doofstommen te Groningen (Groningen 1896); M.J.C. Büchli, De zorg voor de doofstomme (Amsterdam 1949); H. Betten, Bevrijdend gebaar: het levensverhaal van Henri Daniël Guyot (Groningen 1984).

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.