kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-03-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Dionysius Godefridus van der Keessel

Dionysius Godefridus van der Keessel (Deventer 1738 - Leiden 1816) was in zijn tijd een bekend rechtsgeleerde en was van 1789 tot 1790 de leermeester van de Erfprins van Oranje, de latere koning Willem I. Willem verleende Van der Keessel later de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Van der Keessel was de zoon van de Nederlandse Hervormde predikant Dionysius van der Keessel (1700-1755) en Johanna Wilhelmina Cabeljauw (†1775).

Na de lagere school begon hij op 21 augustus 1753 aan het Athenaeum Illustre in zijn geboortestad. Op 1 mei 1756 werd hij ingeschreven op de Universiteit van Leiden. Zijn broer Samuel Rudolphus van der Keessel (1737-1799) begon tegelijk met hem een studie aan de Universiteit van Leiden en werd evenals hun vader predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Op 23 oktober 1761 behaalde Van der Keessel zijn doctoraat in de rechten met de verhandeling de “Usucapione partus et fetus rei furtivae” (Leiden 1761). Vervolgens was hij korte tijd advocaat in Den Haag, vanwege de daaraan verbonden privileges.

Hij werd al in 1762 hoogleraar in Groningen voor Romeins en contemporain recht, dat is het oudvaderlandse recht. In het academisch jaar 1768/69 was hij er rector magnificus. In zijn inaugurele oratie beantwoordde hij in bevestigende zin de vraag of het Romeinse recht, voor zover dat niet meer werd toegepast, gedoceerd moest worden, omdat het zijns inziens een praktische leidraad was voor het oplossen van rechtsvragen. Hij sprak zich toen ook uit voor het gebruik van de pijnbank, en was voorstander van de doodstraf. Hij doceerde negen jaren in Groningen en trad tevens op als adviseur van lagere rechters.

Wat het onderwijs in het strafrecht betreft, was hij een vernieuwer. Nadat vele jaren een commentaar uit 1641 van Anthonius Mattaeus was gebruikt, doceerde hij als eerste op systematische wijze het strafrecht als één samenhangend geheel.

Van 1770 tot 1815 was hij hoogleraar in Leiden. Op op 12 april 1771 aanvaardde hij de aanstelling met de oratie “de Legislatorum Belgarum in recipiendo jure Romano prudentia”. Vanaf 12 juni 1790 heeft hij hier ook Nederlandse recht onderwezen, waarvoor hij op 13 september 1799 een extra leerstoel kreeg, die weer verviel in 1808. Driemaal bekleedde hij het rectoraat in Leiden: 1773/74; 1785/86 en 1791/92. Zijn inaugurele redes waren respectievelijk “Amore patriae, in juventute Belgica exitando prudenterque dirigendo”, ”Aequitate judicantium”, "optimo turbatae reipublicae remedio" en de ”Advocato Christiano”.

Op 27 juli 1772 trouwde Van der Keessel met jkv. Catharina Adriana Bodel (1735-1811). Het huwelijk bleef kinderloos.

Hij had als jurist en docent een grote naam, waaraan hij het te danken had dat hij, ondanks vermoede patriottische gezindheid, met F.W. Pestel (1724-1805) en Adriaan Kluit (1735-1807) de latere koning Willem I mocht onderrichten.

Men mag de Leidse hoogleraar H.W. Tydeman (1778-1863) en de Groninger hoogleraar A.W. Duymaer van Twist zijn bekendste leerlingen noemen.

Uit zijn colleges over Hugo de Groots Inleidinge tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid kwamen zijn Theses selectae (1800) voort. Daarin heeft hij bewijsplaatsen toegevoegd aan het werk van De Groot, waarover deze vanwege zijn ballingschap niet kon beschikken. Het is Van der Keessels bekendste werk geworden. Het verscheen in 1855 in het Engels; het werd voor Zuid-Afrikaans gebruik herdrukt in 1868 (met een toegevoegde biografie), 1884 en 1901. Een groot deel van zijn niet uitgegeven werk is in Zuid-Afrika verschenen tussen 1961 en 1981.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.