Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 07-02-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

dialecttoneel

Groningen kende een zeer groot aantal toneelverenigingen met voorstellingen die in de voor-televisietijd een hoogtepunt vormden in de plattelandscultuur en een daarmee vergeleken beperkt aantal (15) rederijkerskamers. De laatste zijn in het leven geroepen om met name boerenkringen de gelegenheid te bieden zich te oefenen in de Nederlandse welsprekendheid. De toneelverenigingen hebben zich daarentegen vooral gericht op dialecttoneel dat voor vermaak moest zorgen.

Het oudste bekende toneelwerk is het in het stad-Gronings geschreven Et en Fret uit 1793. Het betreft eerder een boertig leesdrama dan een echt toneelstuk.

In de eerste helft van de 19de eeuw werden er vooral eenvoudige samenspraken in de 'Groningse tongval' opgevoerd. Zij kenmerkten zich enerzijds door ongecompliceerde humor en anderzijds door een morele boodschap. Dat laatste gaf soms de doorslag om op de bijeenkomsten van de departementen van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen opgevoerd te worden. Zonder zo'n verheven strekking vond het Nut het Gronings te plat. De rederijkers deelden die mening en achtten het voordragen en acteren in het dialect in strijd met de beschaafde ontspanning die zij nastreefden. Nochtans mochten de samenspraken en de daaraan verwante schuitepraatjes zich in een grote populariteit verheugen. In lang niet alle gevallen is de auteur bekend, maar M.P. Laurman (Dialectophilus) en dominee Geert Jans Cool behoren tot de bekendste auteurs in dit genre.

In de tweede helft van de 19de eeuw beïnvloedden ook Oost-Friese auteurs het dialecttoneel. Zo werden de kluchten van Enno Hektor over de boerenknecht Harm in Groningen gespeeld.

Van belang was het initiatief van de rederijkerskamer Praedinius in Winsum. In 1884 schreef ze een prijsvraag voor toneelwerken in het Gronings uit. De Veendammer C. Sinnige won de eerste prijs met Drei Geerten. Twee jaar later schreef hij het populaire Antje van Duren. Daarin staat het thema centraal dat tot na wo-II het toneel zou beheersen: de niet geaccepteerde liefde van de rijke boerenzoon voor zijn minder gefortuneerde uitverkorene, dan wel de passie van de rijke boerendochter voor haar minnaar van eenvoudige komaf. Geen tegenstelling werd op de planken meer gevarieerd dan die van liefde versus geld.

In dezelfde periode kreeg Groningen in de auteur-uitgever J. Bakker haar schrijver van kluchten, een genre dat onverminderd bij het publiek zou aanslaan.

Geert Teis (het duidelijkst via de kraker Dizzepie-dizzepu) en mevrouw De Haas-Okken waren vroeg bekende toneelschrijvers, B.H. de Graaff en G. Kwast na hen; Boer en Rietema droegen hun steentje bij en relatief veel
getrouwde vrouwen: G. Hamstra-Vos, C. Melles-van der Meulen, C. Hoekstra-Kloosterhuis komen op Steenhuis' lijst diverse malen voor. Jan Zijl is een van de meest frequent gespeelde auteurs van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ruim dertig stukken dragen zijn naam. Zijl schreef ook revues, een genre dat midden jaren twintig een uitzonderlijk succes kende in De Lindebörg van H.G. Bleeker (1889-1973).

De zegetocht van de Groninger Beweging in de periode tussen de beide wereldoorlogen vond ook op het toneel zijn weerslag. De verpersoonlijking van de opbloei van de streektaal, Gerard Willem Spitzen (Geert Teis Pzn.), zette zelf de toon. Vooral in De Grond is de sfeer van de Duitse Heimatliteratuur te herkennen. Van zijn stukken beleefde vooral Dizzepie-Dizzepu tal van opvoeringen.
Ongekroonde koning van de klucht werd Jan Zijl. Tot aan het eind van de 20ste eeuw werden zijn krakers, zoals Wel is boas? en Klopsmoa vragt n nij hoesholderske, op de planken gebracht.

Door de toenemende belangstelling voor het repertoire in het Gronings hielden verscheidene schrijvers zich met het toneel bezig. Opvallend was het aandeel van vrouwelijke auteurs. Bijzonder geliefd was het werk van G. Hamstra-Vos en GC. Hoekstra Kloosterhuis. Ook de stukken van E. Leeuwerke-Schansema en G. Melles-van der Meulen
werden veel gespeeld. Daarnaast werden de stukken van Jacob Kremer, K.H. Spijkman, Evert Marema, Jan Faber, H.E, Buurma, Jan Fabricius (Jan Drent) en E. Speelman (i.s.m. Simon van Wattum) vaak meermaals uitgevoerd. Volle zalen trok ook Herman de Boers 't Schip 'De Aalmacht'.

Maar nooit was het applaus groter dan voor Groningens eerste musical De Lindenbörg van H.G. Bleeker. Liedjes als De olle speulman en n Grunneger is aaltied nummer ain werden enorm populair. Later bewerkte Bleeker zijn succesproductie tot het toneelstuk Ernst van de Lindenbörg. Ook De Eelemoaheerd is van zijn hand.

Van de auteurs, die ook vanwege hun proza en/of poëzie bekend waren, schreven Wiert J. Eelsserna (Jan Hendrik Vos), J.H. Riddering, Ger Griever, Jan Bus (Jan Haikens), B.H. Broekema en G. Stel (Germ Elst) met succes voor het toneel.

In het curieuze overzicht van Riddering van alle door Groningers geschreven werken (1941) vormt het Groningstalige toneel de allereerste afdeling, nog vóór proza en poëzie. Een tiental jaren later geeft J.F. Steenhuis (1883-1957), de eerste die zich systematisch met de Groninger letterkunde heeft beziggehouden, in de Groninger Volksalmanak een overzicht van hem bekende stukken. Hij komt tot 375, maar hij haalt deskundigen aan die hem verzekerd hebben dat het er 'nog aanzienlijk meer' zouden zijn. De populariteit en de daaruit afleidbare omvang van het aantal stukken is eenvoudig te illustreren aan een Noord-Groninger schrijver als Benjamin Broekema (1904-1942). In Steenhuis' overzicht uit 1952 staan 40 stukken van hem genoteerd, terwijl er minstens 48 stuks bekend zijn.

Toneelfondsen als De Noordstar van Mulder in Groningen boden de Groninger amateur-toneelspeler voldoende keuze. Tot een waar centrum van de amateurtoneelkunst in de streektaal ontwikkelde zich de Grunneger Sproak. Niet alleen stimuleerde ze auteurs met haar prijsvragen, maar haar toneelafdeling vervulde tot ver na de oorlog min of meer een voorbeeldfunctie. Een acteur als Koos Kerstholt was bekend in de hele provincie.

In de Groninger toneeltraditie betekende wo-II geenszins een breuk. De vooroorlogse stukken bleven in het repertoire en nieuwe werden in dezelfde geest geschreven en op de planken gebracht. Een ernstig stuk in drie bedrijven, gevolgd door een korte klucht: ziedaar de onvervalste Groninger toneelavond. In de pauzes koffie, getapt uit de kraantjespot.

Tegenover het dorpse toneel ontstond in Bleekers overlijdensjaar rond de toneelgroep Waark het streven naar modernere, eigentijdsere voorstellingen. Dat gebeurde eerst via Van Wattums Boerenzoad dut t aaltied, daarna via een reeks van vertalingen van werk van Bertolt Brecht (door Harm Jan Tuin) en weer later een reeks van projecten in samenwerking met Gré van der Veen. Zij schreef oorspronkelijk of vertaalde, hetzij internationaal werk hetzij

Nederlandstalig, met name van de hand van Gert Fokkens.

Maar wat lang stand hield, dreigde op den duur toch vast te lopen. Een wereld in verandering leek aan het dialecttoneel voorbij te gaan. Het was de directeur van de Groninger Stadsschouwburg Ton Post die in 1973 de knuppel in het hoenderhok gooide. Hij bracht de Groningstalige theaterproductie Waark van Simon van
Wattum. Modern, geëngageerd toneel, zoals er tot dusver niet eerder in de streektaal was gespeeld. Het initiatief leidde tot het ontstaan van de toneelgroep Waark die vrijwel jaarlijks verrassende producties zou brengen. Zij bezocht daarmee zowel dorpshuizen als theaters. Na Waark volgden, in de regie van Anne Marie Prins, stukken van Bertolt Brecht. Harm Jan Tuin was de vertaler/bewerker. Later werd met verschillende regisseurs gewerkt, onder wie Roelof Pieters en Harm-Ydo Hilberdink. Behalve stukken uit het wereldrepertoire, vaak in vertaling van Gré van der Veen, werden ook nieuwe Groninger werken gespeeld. Ficus en Vitroazie en de monoloog De Kramsvogel van Gré van der Veen, Scholten Zienent van Gert Fokkens en Verjoardag van Bouke Oldenhof waren
daarvan spraakmakende voorbeelden.
Waark vond navolging: ook de Grunneger Sproak vernieuwde het repertoire.

Nochtans bleven vele toneelverenigingen, ook die van de Grunneger Verainens buiten de provincie, wars van al te veel verandering. Meer in het traditionele spoor bleef een toneelschrijver als Gerard Lunshof. Ook de (vertaalde) stukken van de Drentse auteur Bart Veenstra ademen een vergelijkbare sfeer. In vele dorpen, waar import-Groningers kwamen te wonen, werd de toneelcultuur aangepast aan de veranderde omstandigheden. Betraden de amateur-acteurs in het ene jaar het podium van het dorpshuis in een Nederlandstalig stuk, in het jaar daarop was het de beurt aan toneel in het Gronings. Soms ging de flexibiliteit zo ver, dat de teksten van de rollen eenvoudig werden aangepast aan de tongval van de acteurs: dialecttoneel, voorzover dat mogelijk was.

Bronnen:
Taal in Stad en Land - GRONINGS - Siemon Reker (www.dbnl.org)

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 14.