Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 14-01-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

defensie

Verdediging van het land, altijd als een van de belangrijkste taken beschouwd van het staatshoofd ook wel de landsheer genoemd, de bezitter van de territoriale soevereiniteit.

Ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1594-1795) berustte - op basis van de “Unie van Utrecht - het oppergezag bij de Staten-Generaal en de gewestelijke Staten. De Raad van State was het uitvoerend orgaan (zoals nu de minister van Defensie).
De Raad van State was oorspronkelijk gedacht als het centrale regeringsorgaan van de geünieerde provinciën, maar nam spoedig een aan de Staten-Generaal ondergeschikte functie in. De Raad had de zorg voor de het verdedigingsapparaat te land (leger, vestingen en magazijnen), voornamelijk in logistieke zin. In perioden van grote stadhouderlijke macht was de raad ook sterk betrokken bij operationele aangelegenheden. De Raad van State had tevens een belangrijke taak in het financiële beleid; hij maakte de begroting op die ter goedkeuring aan de Staten-Generaal en provinciale Staten werd voorgelegd. De raad had daarenboven een uitvoerende taak bij het bestuur van gebieden die op de vijand waren veroverd (de zgn. Generaliteitslanden: Staats-Brabant, Staats-Vlaanderen, Maastricht en de Landen van Overmaze, Wedde en Westerwoldingerland), in het bijzonder de financiële aangelegenheden.

De stadhouder was als kapitein- generaal de bevelhebber en tevens verantwoordelijk voor de benoeming van officieren. Het beheer van de vloot was opgedragen aan vijf admiraliteitscolleges in Amsterdam, Rotterdam, Vlissingen, Hoorn en Dokkum.

De betaling van het leger verliep grotendeels via de gewestelijke Staten. De troepen stonden namelijk 'ter repartitie' van de afzonderlijke gewesten: elk gewest onderhield bepaalde troepen. De werving van soldaten geschiedde door solliciteurs-militair.

Stad en Lande had zo de zorg voor het Regiment Oranje Stad en Lande. Het gewest Stad en Lande is oorlogsterrein geweest in de Tachtigjarige Oorlog, vooral in de jaren 1568-1594, en in de jaren 1666-1672 door de invallen van Bernhard van Galen.

Vóór de Bataafs-Franse tijd werden troepen gelegerd in Bourtange, Delfzijl, Groningen en Langakkerschans. In 1795 werd het gewest ingenomen door de Franse troepen en bezet tot eind 1813.

Ter verdediging werd vaak gebruikgemaakt van inundatie en van schansen en vestingen.

Nog in 1813 organiseerde de latere koning Willem I het leger bij het Reglement van Algemene Volkswapening, Landstorm en Landmilitie. Het leger, toen nationale militie geheten, werd gevormd uit vrijwilligers en, wanneer deze onvoldoende aanwezig waren, uit lotelingen. Wie ingeloot werd, kon zich overigens ook laten vervangen (tegen betaling) door een plaatsvervanger. In oorlogstijd kon het leger aangevuld worden door de schutterijen. In 1922 werd de dienstplicht ingevoerd in plaats van het systeem van de militie. Deze dienstplicht is gehandhaafd tot 1996.

Na 1814 waren er kazernes in Delfzijl en Groningen. Hier zijn in de loop der jaren verschillende regimenten infanterie en vestingartillerie gelegerd geweest. Na de drooglegging van de Lauwerszee in 1969 werd in het aldus gevormde Marnegebied ook een kazerne gevestigd.


Pageviews vandaag: 6.