Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 09-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

De Venen

In oude tijden was de bovengrond van het gebied ten westen en zuiden van de dorpen Noordbroek en Zuidbroek van geheel andere samenstelling dan nu. Het was grotendeels bedekt met een laag veengrond; de namen Noordbroeksterveen en Zuidbroeksterveen herinneren er nog aan. Ten zuiden van Zuidbroek was alles bedekt met veen, onafzienbaar.

Hoe die veengronden er uit zagen, kunnen wij een beetje aanvoelen als wij nog een restantje daarvan vinden op de achterafplekjes bij de Botjeswijk of bij de Rimpe. Maar echte veengronden in oerstaat, die zich vele kilometers uitstrekten en waar van afwatering geen sprake was, kennen wij niet meer. Dan zijn wij op beschrijvingen aangewezen: 'Bij een nattige weersgesteldheid leveren slechts de heidebelten enige vastheid op onder de voeten. Die heidebelten ontstaan door het asterven van de daarop groeiende heideplanten. Men vindt ze alleen in de buitenste gordel van het hoogveen. Verder naar het midden groeit wollegras en veenbies en nog verder veenmos. Aan de buitenkant vindt men nog enige steun op de heidebelten, maar verderop wordt het gevaarlijk. Onmerkbaar zakt men naar beneden. menig mens en dier hebben daar hun dood gevonden. Alleen slangen en adders hebben geen last en wolven en honden kunnen het redden.'

Die grote uitgestrekte veengronden waren waardeloos, totdat de omstandigheden rijp waren voor ontginning. En dat was omstreeks 1600. In 1594 vond hier de overgang plaats naar de Hervorming. De kloostergoederen werden verdeeld. De venen van Kropswolde tot Zuidbroek kwamen aan de stad. De kerken gingen over naar de Hervorming en behielden hun bezittingen. Wat Zuidbroek betreft, tot haar bezittingen werden gerekend de venen, die zich ver naar het zuiden uitstrekten. De stad legde kanalen aan en de kerk werkte mee.

In 1608 verkocht het kerspel Zuidbroek drieënvijftig akkers veenland aan de Stad. Dit is het latere Boven-Wildervank. De kerk verkocht blijkbaar eerst haar verste bezittingen.

De Rimpe

Na 1637 werd in het groot begonnen met het afgraven van het veen ten zuiden van Zuidbroek. Aan de oostzijde kon de turf worden afgevoerd door het Munterdammerdiep, aan de westzijde door het Tripscompagniediep. Ongeveer midden tussen die beide diepen liet men onvergraven een strook grond liggen vanaf de tegenwoordige Boerenwijk tot aan de zandhoogten onder Muntendam, het zogenaamde Röttenveen. Die strook ligt nog als een dijk tussen de lagere afgegraven landen. Zij heet de Rimpe. Oorspronkelijk had die dijk tweeërlei bestemming: scheiding tussen eigenaren en waterkering. Tot plusminus 1920 is het een gemeenschappelijke weide geweest voor de bewoners Achter de Wal.

In 1647 was het kerspel bereid de dichterbij gelegen venen van de hand te doen, waar later Veendam en Wildervank zijn gebouwd. Op 16 juni van dat jaar werd ten overstaan van Henricus Siso, pastoor te Zuidbroek, Ayto Aeykens en Herman Sticker, kerkvoogden, een contract opgemaakt met Adriaan geerts Paap en zijn huisvrouw Grietien Adrians. Namens het kerspel traden op de volmacht, de eigenerfden en de ingezetenen. Aan het contract ontlenen wij:

'Verpacht en overgedragen worden al zodanige venen liggende boven Muntendam, zo veel of zo weinig, groot of klein, als het kerspel daar enigszins zal kunnen verdedigen.

Adriaan Geerts Paap zal in genoemde venen een diep moeten graven, dat boven dertig voeten breed moet zijn en op de boden eenentwintig. hetzelve moet van behoorlijke wallen en een goede wagenweg worden voorzien. het diep moet jaarlijks met vijftig voeten worden verlengd, op straffe van honderd daalder. Dit diep moet ongeveer recht zuidwaarts lopen. Zijwaarts moeten behoorlijke wijken gegraven worden, ieder breed zestien voeten. Deze wijken moeten zover van elkaar gegraven worden als het kerspel zal aanwijzen.

Paap moet de venen in behoorlijke heerden en plaatsen verdelen, waarvan pachters genieten zullen aan elke kant van het diep tien roeden vrij veen en aan de wijken vier roeden, zonder daarvoor iets aan het kerspel te betalen. Al hetgeen verder boven die vrije roeden aan het diep en de wijk gegraven mocht worden, daarvan zal het kerspel genieten van de zwarte turf de vierde en van de griemank de zesde. verder zullen alle verlaten die in het diep moeten worden gelegd, ten laste van de pachters komen, zonder dat het kerspel daarvoor enige kosten zal hebben te dragen.

Aangaande de uitgegraven of uitgemoerde venen, deze zullen de pachters tot bruikbaar land maken en dit acht vrije jaren een huur geven van een Carolus gulden per deimt. Na verloop van deze acht jaren mag de huur worden verhoogd gelijk aan andere veengronden tot genoegen van pachters. De pachters en hun erfgenamen zullen het eerste recht hebben om genoemde landen te huren. de Pachter zal geen venen of plaatsen buiten toestemming van het kerspel verhandelen. Van hetgeen verhandeld wordt zal het kerspel genieten de twintigste penning, zowel van de behuizing als van de huisplaatsen.

Bovendien moet Paap of zijn nakomelingen aan het kerspel jaarlijks betalen de som van honderd daler, waarvan het eerste jaar huur zal worden betaald op 1 mei 1648.

Paap verkrijgt geen rechen over de venen ten westen van het diep, voor zover het veen buiten de bedongen vrije roeden betreft. Dit veen mag het kerspel verhuren of verhandelen en de turf zal zonder enige belemmering over de vrije roeden vervoerd mogen worden.

Het kerspel behoudt een uitvaart langs het diep zonder daarvoor enige verlaatsgelden of andere ongelden te betalen.

Daarenboven zal Paap gehouden zijn uit het voorgeschreven diep nog een ander diep te graven naar aanwijzing van het kerspel en wel ten oosten van het voren omschreven diep van gelijke breedte en diepte als het vorige en daarin behoorlijke wijken en verlaten maken op aanwijzing van het kerspel.

Paap moet van vorengenoemde beide diepen alle lasten die daarop gelegd mogen worden, alleen dragen.

indien onverhoopt kwesties of geschillen mochten ontstaan, zullen deze worden beslist door het zijlvest van Termunterzijl.'

Later werd dit contract nog bekrachtigd door alle kerspellieden. Het werd ondertekend door honderd en zeventig personen. Zevenenzestig hiervan konden niet schrijven en tekenden met een schop, een kruisje, een oor, een drievoet of iets anders. Toen kon Adriaan Geerts Paap, ofwel Adriaan Geerts Wildervank zijn gang gaan. En een massa veenarbeiders streken er neer.

Wat de veengronden tussen Muntendam en het Winschoterdiep betreft. Het kerspel Zuidbroek heeft die in heerden aan verveners-landbouwers uitgegeven.

Nu was de zandrug waarop de dorpen Noordbroek en Zuidbroek gebouwd waren al eeuwenlang bewoond. de bewoners van de zandrug zullen het veen dat ten westen van hun huizen lag, naar behoefte afgegraven en gebruikt hebben voor brandstof. Ook kan men aannemen, dat hier en daar, op geschikte plekken in het veen, nederzettingen kwamen. Het eerste doel was dan om een stuk land te krijgen voor de verbouw van vruchten. Dit waren de zogenaamde veenbouwten.

Elk groef het veen op zijn heerd af op eigen manier. Dit bracht het bezwaar mee, dat het op verschillende heerden heel ongelijk gebeurde. De een besteedde meer zorg aan de toekomstige teelgrond dan de ander. Meer zorg aan het egaliseren, aan het vermengen met veen en aan de afwatering.

De Groninger Veenkoloniën

Naar het westen liepen de heerden op in het veen. Hoever? Daarover had men zich in het begin geen zorgen gemaakt. Toen de venen echter waarde kregen, ontstond er strijd over de grens van elks rechten. Waar begonnen de rechten van de Stad?

In het voorjaar van 1640 rokken ongeveer vijftig boeren onder aanvoering van Sebo Hunninga en Doedo Edzens naar de Groninger Venen, staken hopen turf in brand en namen de verveners hun gereedschap af. De bewoners van Sappemeer wendden zich tot Burgemeesters en raad van Groningen. In 1642 kwam er een nieuwe uitbarsting. De ontevreden Noordbroeksters en Zuidbroeksters vernielden een sluis en staken een dijk door, zodat het Sappe-meer weer vol water liep. Er ontstond grote schade. De toestand werd onhoudbaar en het geschil werd voorgelegd aan de Staten-Generaal. Uit die tijd is er nog een tekening aanwezig in het stadsarchief. Hierop heeft de tekenaar een echte lijn getrokken, waar dan een greppel gegraven moest worden om de grens aan te geven. De tekening is van 1648. In 1649 deden de Staten-generaal uitspraak.

'Tot finale en permanente limietscheiding tussen de Stad en de eigenerfden van Noordbroek, Zuidbroek en Muntendam zal altijd gehouden worden vooreerst de weg in het hoge veen ten oosten van de landen van het Oosterdiep of Jouwerswijk (de later Zwarteweg); verder zal uit de oostelijke sloot van deze weg noordwaarts tot aan de Drosten Zijpe een kielspit (greppel) gegraven worden; vandaar noordwestwaarts naar de Slochter Zijpe tot aan de scheiding tussen Jacob Eppes'en Jonker Rengers'heerd.

Een gelijk kielspit zal ten zuiden van het Winschoterdiep gegraven worden vanaf de genoemde oostelijke sloot in zuidelijke richting tot aan de eerste zwet van de Muntendammer Akkers.'


De vastgestelde grens werd met eiken palen aangegeven. toen wisten de partijen waar zij aan toe waren. ook de eigenerfden van Noordbroek en Zuidbroek. Vier jaar na de uitspraak van de Staten-Generaal werd de Jouwerswijk verlengd naar Noordbroek (het Noordbroeksterdiep). Ook werd de Langewijk verlengd in oostelijke richting. De verlenging werd Compagniesn Hoofddiep genoemd (het Spitsbergerdiep). elk onderdeel groef vervolgens zijn wijken naar behoefte en naar gelang van de mogelijkheden. Vandaar dat de verkaveling in dit gebied lange tijd onregelmatig was.

Het kerspel verkocht wel afzonderlijk het veen en gaf ook wel de ondergrond mee in erfpacht. Vele en veelsoortige contracten werden opgemaakt. Hieronder volgen enkele opmerkelijke:
  • 1682. Pastor en kerkvoogden van Zuidbroek verkopen aan Gerhard de Mepsche en Otto ten Ham: 1) De Zuidbroekster kerkevenen te Zuidbroek en Uiterburen in verscheidene heerden gelegen, groot 16 akkeren, 2) de pastorie-, vicarie- en prebendevenen tegenover de kerk aldaar, 3) de kosterijheerd aldaar.

  • 1693. De kerkvoogden van Zuidbroek vrkopen aan Cornelis Reinders en Geert Hillebrants te Sappemeer hetrecht van de vierde turf met de ondergrond (volgens compagnierecht) van een stuk Zuidbroekster kerkeveen in de uitstrek van de plaats bij Udo Edzes in gebruik, zijnde de eerste doorstrekkende plaats in Muntendam.

  • In 1746 verlenen de participanten van de Kostverloren- en Spitsbergencompagnie aan de kerkvoogden van Zuidbroek het recht van vrije in- en uitvaart door de Langewijksterpijp ten behoeve van de 14 akkeren veen en ondergrond.
Onder de kopers treffen wij aan: burgemeesters, raadsleden en ambtenaren van de stad Groningen, kooplieden uit Bentheim en Westfalen, ambtenaen van het gerecht te Zuidbroek. Bij de ontginners komen wij de namen tegen van: raadsheer Junius, landschrijver Adriaan Wildervanck, commies Emmery, J. Gockinge, S. Gockinga, de koopman Meerten Ubbens, Johan wilhelm Sohn (Sonius), secretaris van de Friese stadhouder, wedman B. Huysing, Bonneke Jurriens, de koopman Jan Jans Benthemer, Dr. B. Benes, Jan Bonnekes, Bonneke Querijns, Johan de Mepsche, rentmeester van de Stadsvenen en de geslachten Boon en Bock.

Over het veengraven tussen de zandrug en het voormalige Sappe-meer is enige eeuwen gedaan. In 1812 was er nog negen deimt veen onder Noordbroek. Er waren nog drie turfgraverijen, waarin dertig tot tweeëndertig man werkten. Verder waren er nog enkele kleine turfgraverijen voor eigen behoefte. In een rapport over die drie turfgraverijen vonden wij het volgende: 'Alles geschiedt bij aanneming, doch die zwaar werkt, verdient plusminus dertig stuivers per dag. Vroeger placht men veel turf naar buiten, als Hamburg en Bremen, af te leveren, doch sedert jaren niets. De arbeiders, waaronder vreemde zijn uit gebrek aan mensen hier, komen in de maand maart en werken tot het eind van augustus.'

In 1811 lag er onder Zuidbroek nog zeven deimt veen. Verder lagen er nog heidevelden in de beide dorpen ter grootte van meer dan vierhonderd deimt.

Nu werd de bovenlaag van heide- en veengrond vaak afgebrand om die geschikt te maken voor het verbouwen van boekweit. Dat bracht gevaar voor brand mee. Daarom stelde de Raad van Noordbroek op 5 maart 1835 de volgende verordening vast: 'Iedere gebruikeer van veen, heide- of ander veld en grond, die voornemes is hetzelve te branden, zal van dit voornemen schriftelijjk kennis moeten geven aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. Het gemeentebestuur kan toestemming verlenen of weigeren. Het branden is altijd verboden: in de nabijheid van huizen, turf, koornlanden en bossen, nader dan op een afstand van tenminste tien Nederlanse roeden van de huizen en turf en van een Nederlandse roede van koornlanden en bossen. De volgende voorwaarden moeten in acht worden genomen: vanaf het in brande steken gedurende de brand tot aan de volkomen af- en uitbranding en uitdoving toe, het perceel bij dag zowel als bij nacht te bewaken; na de uitdoving moet daarvan kennis worden gegeven aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. Alle turfgravers, wijkgravers en alle verdere arbeiders als droogmakers, dijkers, vuurders, veen- veld- en heideakkers zullen het veen, heide- of ander veld en grond niet mogen verlaten voor zij het vuur, door hen tot bereiding van spijs en drank aangelegd, volledig zullen hebben uitgedoofd en vernietigd. Het vuur te bezigen tot het in brand steken van veen, heide- of andere veld en grond, zal derwaarts niet mogen worden overgebracht dan in genoegzaam gesloten en of gedekte potten of bussen.'

Toen de hoge venen uitgeput raakten, ontdekte men ook de waarde van de lage venen. Hier en daar, in dalen, zat dit veen vrij diep. Na uitgraven en drogen was het harder dan boventurf. Het werd in vierkantjes gestoken en heette baggerturf. Er bleven gaten in de grond, de zogenaamde baggerputten. De laagveengraverijen werden ook wel baggelarijen genoemd. In 1827 waren er vijf baggelarijen in Zuidbroek en wel van B. Upmeijer, J.W. Huisman, L.W. Wildervanck, H.D. Mellema en H. Willemsen. Samen hebben zij in dat jaar achtennegentig vierkande roeden veen uitgegraven en ongeveer veertigduizend ton bagger verkocht. Ook werd nog wel voor eigen gebruik gebaggerd, o.a. door Nantko Jans Bosscher ten oosten van de Rimpe, door Abel Hopkes in de Morke ten oosten van het Noordbroeksterdiep, door E.H. Bruggers in de Klapstreek ten zuiden van het land van J.F. Bock, door Eltje Remkes Husman in de Bovenhuisheerd te Uiterburen, door J. Bleker in de Morkesheerd genaamd Zoar, en door Johan Friedrik Bock te Kostverloren, ten westen van H.C. Dallinga en ten oosten van de Nuttelaan.

In een huurcontract van 1856 tussen Reind Klaassen Hagenus en Jan Willems Huisman was bepaald dat de huurder uit het gehuurde land geen turf mocht graven voor de verkoop, maar hij moest wel aan de verhuurder jaarlijks drie stobben bagger leveren tegen betaling van de accijns en de kosten van het graven.

Een gevolg van het veengraven en het aanleggen van het Noordbroeksterdiep was, dat de waterafvoer van Stootshorn moeilijk werd. In 1676 kwamen er klachten van bij het Termunterzijlvest. Aan het resolutieboek van dit zijlvest ontlenen wij het volgende: 'Die van Stootshorn zijn nog niet voorzien van een goede afwatering van hun landen, aangezien de Nutweg nog niet doorgestoken is. De drost, de schepperen en de zijlvesten gelasten de zijlvest Phebo Freriks om die Nutweg ter plaatse van de jurisdictie Oldambt te doen doorsteken. Verder moet hij bevorderen, dat het Zwetmaar of Zijpe in zodanige staat wordt gebracht, dat die van Stootshorn hun afwatering kunnen hebben. Bij tegenstand, hetzij door feitelijkheden, pleidooien of anderszins zal Phebo Freericks de sterke hand worden geboden en gegarandeerd.'

In 1810 waren er nog klachten in Stootshorn: 'Het grootste gedeelte van die landen en velden zijn einden van plaatsen, die afgesneden zijn door het graven van het Noordbroeksterdiep. Toentertijd is aan die landen en velden een nieuwe afwatering gegeven lopende door het dorp. Deze afwatering is verwaarloosd door het slechte ozicht en door het plaatsen van gebouwen na aan hetzelve. Deze afwatering is moeilijk te herstellen.'

Het gemeentebestuur was van oordeel, dat het beter was die landen en velden te doen afwateren door de wateringen van Noordbroeksterhamrik. Tot dat einde waren door Dr. B. Benes en Jan Bonnekes, destijds eigenaren van het grootse deel dier landen, kanalen en sloten gegraven leidende naar de afwatering van Noordbroeksterhamrik. Sedert korte jaren waren die landen gekomen in handen van een menigte van eigenaren en door de ene waren de wateringen gedempt en de andere had ze laten dichtgroeien. De landdrost stelde voor, hierover een conferentie te beleggen met die van Noordbroeksterhamrik.

In 1812 waren de moeilijkheden nog niet opgelost. toen schreef Mr. C.H. Gockinga, als eigenaar en gebruiker van enige landen en dallen ten westen van het dorp, de volgende brief aan het gemeentebestuur: 'De watering door het dorp is te ondiep. De landen en dallen gelegen aan de kant van Sappemeer, zijn geheel verstoken van een geregelde uitwatering, veroorzaakt door het graven van het hoofddiep. Dat gedeelte is toen afgesneden van de boerderijen liggende in het dorp, zijnde het toen niet de moeite waard om een grondpomp onder het diep door te leggen.'
De adjunct-maire S.Sebes ten Doornkaart stelde een onderzoek in en rapporteerde: 'In ogenschouw genomen de landen en dallen ten westen van de Slochter Nutweg tot de Zijpe en verder achter de Luitjensweg tot Sappemeer tot de laan van de baggelarij van de heer C.H. Gockinga; bevonden, dat de afwatering onder het hoofddiep door te kostbaar is; dat bovendien die landen reeds een recht gekregen hebben om uit te wateren in de watering van de Noordbroeksterhamrik, reeds meer dan dertig jaar geleden geregeld door Bonneke Quirijns en Dr. B. Benes. Het geschikste zou zijn: de Noordbroeksterhamriker afwatering door te trekken zuidwaarts tot aan de oude Slochterweg en dan bijlangs die oude weg tot in het baggergat van Geert Jan Hommes.'

In latere archieven werd niets meer gevonden over grote moeilijkheden ten aanzien van de afwatering van Stootshorn. Wel kunnen wij nog iets vertellen over de doorbraak van een veendijk in 1802. Dit was blijkbaar de Rimpe. Hindrik Pieters en Eltje Botjes dienden namens een menigte ingezetenen van Zuidbroek en Muntendam op 5 februari 1802 een verzoek in bij de thesaurier-generaal vn financiën van de BAtaafse Repuliek om ontheffing van betaling van de verponding. Zij hadden veel schade en adviseerden om aan het verzoek te voldoen.


Pageviews vandaag: 10.