Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-07-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

de kerk

De kerk had vele taken. Als wij de oude stukken nagaan is het opvallend dat de kerk zoveel deed. Haar eerste en voornaamste taak was uiteraard het uitdragen van het evangelie, de blijde boodschap van verlossing, zoals die in de Bijbel is geopenbaard. Maar zij had ook een boodschap voor de verschillende terreinen van het leven en daarin gaf zij ook dikwijls het voorbeeld. Zij was het die het eerst begon met het geven van onderwijs aan kinderen, zij trok zich het lot van de armen en verdrukten aan, zij hielp mee om dijken aan te leggen en woeste gronden in vruchtbaar land te veranderen, zij heeft ook veel gedaan voor orde en rechtspraak.

Dit was ook het geval voor de kerspels Noordbroek en Zuidbroek zoals uit het volgende kan blijken.

Aangenomen kan worden dat de kerspels (de kerkdorpen) Noord- en Zuidbroek hier gegroeid zijn sinds de evangelieprediking van Ludger, plm. 800. Omstreeks 1300 had zij al een behoorlijke omvang beriekt, zoals blijkt uit de grootte van de kerken die toen gebouwd zijn. Uit de jaren voor de definitieve overgang naar de Hervorming is weinig bekend. Toch kunnen wij het volgende mededelen.
In het jaar 1571 trachtte het kerspel Zuidbroek een betere onderwiijzer te krijgen. Het wilde de oude Jannes kwijt, omdat hij onnut was om de kinderen te leeren. In zijn plaats werd benoemd de koster van Engelbert.

In 1573 waren in dienst van het kerspel Zuidbroek: twee dijkrechters, belast met de zorg voor de dijken en wegen, een volmacht, die het kerspel naar binnen en naar buiten vertegenwooordigde en een schatbeurder, die de belastingen inde.

In 1584 bevalen Burgemeesters en Raad van Groningen aan de kerkvoogden van Zuidbroek om de ketting voor de Hammerzijl weer in orde te maken. En zij deden het. Het was in de tijd van de geuzen en de ketting aan de sluis was blijkbaar nodig om de geuzen tegen te houden.

Tussen 1568 en 1594 was het de tijd van onzekerheid, of de Hervorming doorgang zou vinden of niet. In 1582 werd te Zuidbroek een nieuwe vicaris aangesteld, heer Claasz, er werd een nieuwe kelk aangeschaft voor de bediening van de mis en de altaren en beelden werden weer geplaatst.

In 1594 vond de definitieve overgang plaats van de stad Groningen naar de Hervorming. Prins Maurits veroverde haar en Willem Lodewijk werd stadhouder. Aan de kerken werd door de Gewestelijke en de Generale Staten opgelegd om de fresco's te doen overwitten en om de altaren, heiligenbeelden, misboeken en priestergewaden te verwijderen. De uitoefening van de Katholieke godsdienst werd verboden en de kerken kwamen ter beschikking van de hervormde eredienst. Wie zich niet achter de leer van de Hervorming wilde stellen werd afgezet. De beroeping van de predikant moest als volgt geschieden: eerst stemde de predikant als die er was, dan de kerkvoogden, ouderlingen en armbezorgers, verder allen die twintig deimt land in gebruik hadden. Het beroepen van een predikant in Noordbroek en Zuidbroek moest ten overstaan van de drost plaatsvinden en onder goedkeuring van Burgemeesters en Raad van Groningen.

Voor zover wij kunnen nagaan, is de overgang in beide dorpen zonder veel strijd verlopen. De overgang geschiedde en bloc. Het blijkt niet dat vele inwoners rooms bleven. Met de pastoors ging het heel gemakkelijk. Die van Noordbroek werd schatbeurder, op verzoek van de leden van de kerk. Zuidbroek heeft aan de oudpastoor Hieronymus Hespens het jaargeld uitbetaald tot 1612. Dit bedroeg twaalf daler. Toen overleed hij en werd hetzelfde jaargeld tot 1636 uitbetaald aan zijn weduwe Ebele, die in de laatste jaren Ebele- Moy genoemd werd. Tot 1612 heeft de pastoor ook nog in de pastorie gewoond. Toen kochten pastoor en voogden van Luie Harmens een klein huisje, staande op het land van Lambertus Saliger. Hier mocht Ebele-Moy haar leven lang wonen.

Het was in de eerste jaren na de overgang moeilijk om overal een dominee te krijgen. Wel deden de grote reformatoren hun best om predikanten op te leiden. Ook gingen vele pastoors over op de nieuwe leer. In 1595 kreeg Noordbroek zijn eerste predikant, en wel Johannes Sprenger van Huizinge bij Middelstum. En Zuidbroek kreeg een jaar later de predikant Hermannus Borgesius.

Het opmaken van akten, wat tegenwoordig het werk is van een notaris, is ook vele jaren uitgeoefend door de kerk. In 1607 verzette de stad zich daartegen, maar de bevolking drong er zo sterk op aan, dat het toegestaan moest worden. Bij resolutie van 30 juni 1608 werd het opmaken van akten toen als volgt geregeld: het moest gebeuren ten overstaan van de predikant en twee kerkvoogden in tegenwoordigheid van getuigen; predikant en kerkvoogden kregen elk een sleutel va de kist met drie sloten; in deze kist werden bewaard het kerspelzegel en het protocol; in het protocol werd een afschrift van de akten opgenomen.

In 1620 gaf de kerk al onderwijs in Uiterburen en in 1635 werd daar een nieuwe school gebouwd

In 1627 had de kerk bemoeiingen met dijken en afwateringen. Er was toen een geschil tussen de kerspelen van Zuidbroek, Meeden en Westerlee en die van Scheemda en Midwolda over de verdeling van het dijk- en zijlschot (de dijk- en sluisbelasting).

De drost, die te Uiterburen woonde, had blijkaar veel belang bij het onderwijs daar. Hij gaf in de jaren 1650 tot 1654 herhaaldelijk last aan de kerk om geld beschikbaar te stellen voor een nieuwe schol te Uiterburen.

In 1659 was Evert Clingius onderwijzer aan de school te Uiterburen en J. Hulsebusch aan die bij het kerkhof.

Na de ontsluiting en afgraving van de venen ten zuiden van Zuidbroek vestigden zich daar veel mensen. Men kon zondags niet blijven gaan naar Zuidbroek. Zodoende werd in 1655 een zelfstandige kerkelijke gemeente gevormd: Veendam - Wildervank.

Ongeveer 1660 was r twist tussen de grote en de kleine schatgevers van Noordbroek en van Noordbroeksterhamrik. Dit waren dus de grote en de kleine belastingbetalers. Het liep hierop uit, dat Noordbroeksterhamrik, Korengarst en Stootshorn samen een kerspel gingen vormen en zich dus afscheidden van Noordbroek. Zij bleven wel te Noordbroek naar de kerk gaan.

Korte tijd na deze troebelen werd met medewerking van Burgemeesters en Raad van Groningen een nieuw reglement opgesteld, dat bewaard is gebleven. Dit is buitengewoon interessant. Het geeft bijzonderheden over de kerspelrekendag (de dag waarop de schatbeurder verantwoording moest afleggen van inkomsten en uitgaven), over schatgevers (belastingbetalers), over verponding (belasting), over de schatbeurder (ontvanger der belastingen), over de zijlvest (bestuurslid van het waterschap), over de volmacht (de vertegenwoordiger van het kerspel), over dijkrigters (belast met het toezicht op dijken en wegen), over zijlschot (sluisbelasting), over gekwalificeerde eigenerfden (de eigenaars krachtens erfrecht, die aan bepaalde eisen voldeden), over waarden (herbergiers), over kluften (onderdelen van het kerspel), over dijkbrief (waterschapsreglement), over breukvallig (in boete vallend wegens overtreding), over meentewerken (de werken aan wegen en dijken, die door de meente, de leden van de kerk, moesten worden verricht), over insinuatie van schatting (mededeling van de aanslag in de belasting), over sommatie (aanmaning), over executie (ophalen van het verschuldigde).
Enkele artikelen uit dit reglement van 1664 geven wij in leesbare vorm weer:
Artikel 1. Er zal alle jaren op Petri ad cathedram in de zuiderschool te Noordbroek en niet in de herbergen, zonder bier te tappen, gehouden worden een kerspelrekendag. Daar mogen verschijnen alle eigenerfden en schatgevers die vijf Caroligulden aan verponding betalen. De schatbeurder geeft rekenschap, hoeveel de verponding heeft opgebracht en wat met het geld gedaan is.
Artikel 7. Na het vaststellen van de rekening moeten de eigenerfden die meer dan vijf gulden aan verponding betalen, een schatbeurder, een zijlvest, een volmacht en dijkrigters kiezen. De meijerlieden mochten meedoen aan hert kiezen van een schatbeurder, als zij minstens vijf gulden verponding betalen.
Artikel 10. Als er enige verpondingen zijlrecht of andere schattingen worden aangezegd of uitgeschreven, zal de schatbeurder dit aan de volmacht maken en verslag uitbrengen, hoeveel schattingen opgelegd moeten worden om de kosten van de voorkomende zwarigheden te dekken.
Artikel 11. De voorgeschreven schattingen worden van de preekstoel gepubliceerd. Na veertien dagen opnieuw publicatie van de preekstoel. Dan moeten de belastingschuldigen binnen tien dagen betalen. Is binnen die termijn niet betaald dan wordt tot executie overgegaan. De kosten daarvan zijn voor de belastingschuldige.
Artikel 13. De schatbeurder moet twee registers bijhouden, een van de provinciale verpondingen en een van het zijlschot en de meentelasten.
Artikel 15. De eigenerfden en alle schatgevers zullen gehouden zijn, jaarlijks hun schattingen, drie weken na Petri, bij de schatbeurder te laten aantekenen, teneinde de schatbeurder jaarlijks een betrouwbaar register kan houden, waarnaar hij de provinciale verpondingen, het zijlschot en de meentelasten kan innen.
Artikel 16. De schatbeurder zal van de ontvnagste genieten van iedere gulden een Brabantse stuiver.
Artikel 17. De zijlvest wordt ook jaarlijks gekozen op Petri door de eigenerfden die jaarlijks vijf Caroli gulden aan verponding van hun eigen land betalen.
Artikel 20. De zijlvest houdt toezicht op alle zaken onder het zijlvest behorende. Hij heeft ook macht om uit te voeren wat door het zijlvest tot dienst en profijt van het ganse land besloten mag worden overeenkomstig de zijlbrief van 1601.
Artikel 21. De zijlvest is vrij van zijlschot voor twintig deimt land en ook van alle zijlwerken.
Artikel 22. De zijlvest zal alle gewichtige zaken die in het zijlvest mochten voorvallen, tijdig aan zijn opdrachtgevers mededelen. Het recht van het kerspel moet hij naar zijn beste vermogen en wetenschap voorstaan en handhaven.
Artikel 23. De volmacht zal op Petri worden gekozen. Hij zal zijn een gekwalificeerde eigenerfde en een van de grootste schatgevers, die de diensten van het kerspel kan doen en in tijd van nood beschikbaar is.
Artikel 24. De volmacht zal opzicht hebben, dat het kerspel tot geen onnodige en onbehoorlijke dingen verplicht wordt, ook met geen onnodige kosten in de herberg wordt bezwaard en hij zal alle tochten van ruiters en voetvolk zoveel mogelijk afweren.
Artikel 25. Daar geen kosten in de herbergen mogen worden gedaan, zal de volmacht steeds, als enig volk tepaard aankomt dat hij niet verder kan krijgen, dat inkwartieren in het kerspel alsmede op de Korengarst, Noordbroeksterhamrik en Stootshorn naar de schatting, verder bij de burgers naar hun kwaliteit, zonder enige vertering ten laste van het kerspel te brengen dan zijn eigen vertering bij het uitschrijven van de vorderingsbiljetten voor de inkwartiering.
Artikel 26. Ieder zal gehouden zijn, de ruiters en soldaten, die hem bij inkwartieringsbiljet van de volmacht zijn toegewezen, te huisvesten of die in herbergen te besteden op zijn kosten en niet ten laste van het kerspel.
Artikel 27. Ook zullen de waarden in zo'n geval geen vergoeding van het kerspel ontvangen.
Artikel 28. Als daar een kleine afdeling te paard of te voet in het kerspel komt en geen inkwartiering vordert of een of twee compagnieën zo laat in de avond, dat er geen gelegenheid meer is om die te huisvesten, dan zal de volmacht bevoegd zijn, daarvoor te kopen wat noodzakelijk is, of hen in de herbergen te besteden, zo dat het kerspel Noordbroek, Korengarst, Noordbroeksterhamrik en Stootshorn het minst bezwaard wordt. Voorts moet hij het aantal krijgslieden in het boek van de waard zetten en alles direct afrekenen wat zij verteerd hebben. Zonder ondertekening van de rekening door de volmacht worden de kosten niet door het kerspel vergoed.
Artiekl 29. De volmacht zal de eigenerfden en de schatgevers niet ter vergadering oproepen in een herberg, maar steeds in de zuiderschool. Als de volmacht enige vertering ten behoeve van de eigenerfden en schatgevers mocht doen, zal hij zelf moeten betalen.
Artikel 31. De volmacht zal naar de bijeenkomsten van het landschap niet gaan als volmacht uit naam van het kerspel en het kerspel kosten in rekening brengen. Als hij bij heren Burgemeesters en Raad van Groningen of bij Drost opgeroepen mocht worden, zal hij mede als volmacht mogen gaan en tot het meeste nut en profijt van het kerspel mogen helpen besluiten.
Artikel 32. Ingeval de volmacht de raad van het kerspel nodig heeft, is hij gehouden de eigenerfden en de gekwalificeerde schatgevers voor een vergadering in de zuiderschool op te roepen, te weten uit iedere kluft twee, om daarmee alle zwarigheden te bespreken. Dan moet hij uitvoeren wat de presenten hebben besloten.
Artikel 33. De volmacht mag aan het kerspel geen kosten in rekening brengen buiten zijn vacatiën. Deze bedragen in het Oldambt een daalder plus elf stuiver voor de voerman en buiten het Oldambt twee daalder plus twaalf stuiver voor de voerman, per dag. Degene wiens beurt het te rijden is, zal wagen en paard aan de volmacht moeten verschaffen of anders op zijn kosten een wagen ter beschikking te stellen. De waenvrachten zullen omgaaan naar de schattingen van de een op de ander.
Artikel 34. De volmacht zal steeds alle schattingen die noodzakelijk uitgeschreven moeten worden, overeenkomstig het nieuwe register vaststellen, behalve de meentelasten en het zijlschot.
Artikel 35. De volmacht is vrij van alle mene werken, van inkwartiering van ruiters en knechten en van kerspels wagenbeurten.
Artikel 36. De volmacht zal zijn ambt wee jaar uitoefenen. Daarna zal een nieuwe keuze worden gedaan bij meerderheid van stemmen. De gekozene moet het ambt zonder enig tegenspreken aannemen en bedienen.
Artikel 37. Geen particuliere eigenerfden of schatgevers zullen enige kosten of vertering in rekening mogen brengen aan het kerspel. Als het mocht gebeuren, dat er zulke grote zwarigheden in het kerspel voorkomen, dat de volmacht het niet alleen aankan, dan zal hij aan de eigenerfden en de kapitale schatgevers verzoeken, dat hem twee Caroli gulden ter beschikking worden gesteld.
Artikel 38. Het kerspel zal altijd twee dijkrigters hebben, waarvan de ene uit het noordereind van het kerspel bij meerderheid van stemmen zal worden gekozen en de andere uit het zuidereind. Deze beide personen zullen niet alleen voor het dijkrecht zorgen, maar moeten ook het wegrecht bedienen.
Artikel 39. De dijkrigters zullen ook zijn eigenerfden of gekwalificeerde personen die vijf Caroli gulden of meer van hun eigen land als verponding betalen.
Artikel 40. De dijkrigters zullen ook hebben het opzicht en de schouwing over de dijken, dammen, wateringen, wegen, stegen, venen, veendijken, pendammen, pompen, tillen, vonders, rikken, ringsloten, weg- en borgsloten en wat daar enigszins bijhoort. Alles overeenkomstig de dijkbrief van 5 augustus 1573 en waar dit verder bij het kerspel is beschreven.
Artikel 41. De dijkrigters zullen ook absolute macht hebben om ieder die zijn breuk niet tijdig betaalt uit te sluiten. Zij zullen de breukvallige houden aan alles wat hij volgens het dijk- en wegrecht schuldig is. Wie zich daar voor het gerecht tegen verzet, daarvan zullen de breuken, krachtens de accoorden, ten scherpste worden ingevorderd.
Artikel 44. De dijkrigters zullen geen kosten of verteringen in rekening mogen brengen, maar zich met twintig gulden moeten behelpen. En met de breuken die zij volgens het dijkrecht mogen genieten.
Artikel 45. De dijkrigters zijn vrij van alle meentewerken die op hun dijkrecht vallen. De dijkrigters vervullen hun ambt gedurende twee jaar. Telkens zal de oudste afgaan en de jongste blijven.

Artikel 46. De dijkrigters zullen ook alle meentewerken van het kerspel door de schatgevers laten bearbeiden overeenkomstig het nieuwe register. Maar als er grote werken mochten voorvallen, zullen zij de gezamenlijke burgers een of twee dagen, naar behoefte, te hulp mogen nemen.
Artikel 47. Als de dijkrigters enig meentewerk hebben laten aanzeggen aan de schatgevers of ingezetenen en iemand mocht daar niet aan voldoen, dan zullen zij het werk op kosten van de nalatigen uitbesteden. En de daarvoor betaalde vergoedingen zullen binnen zes dagen, zonder enige vorm van proces, door de kerspeldienaar worden opgehaald. Met nog bovendien twaalf stuiver breuk voor elk verzuim.
Artikel 48. Elk jaar zal een ieuwe dijkrigter op Petri verkozen worden.
Artiel 49. De kerspeldienaar zal door de zijlvest, de volmacht en de dijkrigters gekozen worden, zoals heden gebruikelijk is geweest. Hij zal genogen nemen met zij tractement op sraffe van ontslag en verbeurte van zijn jaargeld. Hij zal ook niet meer voor de insinuatie van schattingen genieten dan een stuiver, voor de sommatie drie stuiver en voor de executie zes stuiver. Het jaargeld van zijn bediening zal worden vastgesteld door de gezamenlijke eigenerfden en de gekwalificeerde schatgevers.
Acht jaar later, in 1672, moest het kerspelreglement alweer veranderd worden. Dit gebeurde weer met medewerking van de drost en onder goedkeuring van burgemeesters en Raad van de stad Groningen. De veranderingen kwamen op het volgende neer:
'Als de schatbeurder rekening aflegt, moet ieder zich nuchteren, stil, eerbaar en vreedzaam gedragen; de overtreder zal als een oproerige door het kerspel gestraft worden; het kiesrecht van de eigenerfden wordt verruimd tot allen die een gulden of meer schatting betalen.'
Op kerspelrekendag 22 februari 1672 werd het nieuwe reglement te Noordbroek ondertekend door de drost Wolter Sijgers en verder door de volgende gegoede eigenerfden en meijers: Joan Löslingh, Hinr. Redeker, Remko Sijpkens, Sijpko Eppens, Hayo Rempkens, Doede Edzens, Johan Clasen, Richt Jakobs, Jurrien, E. Bonnes, Wijbe Sebens, Frerik Phebes, Louwert Egberts, Tjabbe Gebels, Remko HArmens, Richt Roelofs, Melle GErrits, Gerrit JAkobs, Pieter Jans, Aijelke Reints, Pieter Cornelis, Frerik Gebels, Jan Tammes en Egbert Jans. Hiervan konden zes niet schrijven. Die tekenden met hun huismerk.

Uit het kerspelreglement blijkt wel, hoe veelzijdig de taak van kerspels was. Dit blijkt ook uit de volgende praktijkgevallen:
In 1685 stelden de kerspelen Noordbroek en Noordbroeksterhamrik samen een veldwachter aan, die roroede of schrik werd genoemd. Hij werd benoemd door predikand en kerkvoogden ten overstaan van de drost. Het geld voor zijn salaris werd opgebracht door alle ingezetenen door middel van de schatbeurder of collector. Die droeg het af aan de drost en deze betaalde het salaris uit aan de roroede. De schatbeurder stond in dienst van beide kerspels.

In het jaar 1694 riep de drost van de beide Oldambten de volmacht van de omliggende kerspels bij elkaar voor een vergadering te Zuidbroek. Het kerspel Finsterwolde moest hulp hebben voor het herstellen van de dijken.

In 1700 liet het kerspel Noordbroek een klok gieten voor het torentje in de zuiderschool.

In 1714 liet het kerspel Zuidbroek een nieuwe school bouwen bij het kerkhof.

In 1742 betaalde het kerspel Zuidbroek een extra bedrag uit aan de Muntendammer en Uiterbuurster meesters voor het leren van arme kinderen.

In 1747 had het kerspel Noordbroek bemoeiing met waterstaatszaken. Het ging toen over het opschonen van het Buiten Nieuwediep tot 't Waar. En in 1772 ging het over afwatering van de landen ten westen van de Slochterweg.

Met de Franse tijd begon de afbraak van de kerk en van het kerkewerk. Dit werd geleidelijk overgenomen door de burgerlijke gemeente, waarbij zich wel eens botsingen voordeden ten aanzien van de bevoegdheden.

Op 6 december 1808 kreeg de roroede van Zuidbroek opdracht van het gemeentebestuur om te gaan naar de school bij het kerkhof. Daar waren de kerspelvolmacht en de kerkspellieden vergaderd. De roroede moest hun opdragen om zich te onthouden van alles waardoor het gezag en de autoriteit van het gemeentebestuur enigszins zou kunnen worden gekrenkt of ondermijnd. In het bijzonder mochten zij geen besluiten nemen over de rekening van het gewezen zogenaamde comité revolutionair. Verder mocht de volmacht de kerspellieden niet meer bijeen roepen, tenzij hem dit gelast of toegestaan werd door het gemeentebestuur.

In hetzelfde jaar 1808 maakte het gemeentebestuur van Zuidbroek bekend dat de wetten, publicaties enz. voortaan in de eerste plaats zouden worden aangeslagen aan het huis der gemeente. Dus de kerk werd naar de achtergrond gedrongen.

Onder huis der gemeente werd verstaan het café S.S. Müller, waar de gemeenteraad vregaderde. Elke bekendmaking zou nog worden voorafgegaan door kloktrekking. Van de klokken van het kerspel wilde men dus nog wel gebruik maken.

In 1809 verkocht het kerspel Zuidbroek de diaconiegoederen om de armen voldoende te kunnen ondersteunen. Het behield alleen enkele arbeiderswoningen, die gebezigd werden voor huisvesting van de ondersteunden. Er werd bovendien nog achttienhonderd en vijftig gulden gecollecteerd in de kerk. In het eerste halfjaar van 1809 werden zeshonderd en vijftig achtponds roggebroden uitgedeeld aan de armen van Zuidbroek en Muntendam.

Toen het wetboek van Napoleon in 1809 werd ingevoerd had de kerk niet meer het recht om zelfstandig huwelijken te voltrekken. Er moest eerst een burgerlijk huwelijk worden voltrokken voor de kerk tot inzegening mocht overgaan.

Op 29 april 1809 kregen de predikant en de onderwijzers bericht van het gemeentebestuur van Zuidbroek, dat zij niets meer mochten afkondigen zonder voorafgaande toestemming van dat bestuur.

In het begin 1811 moesten de kerken hun protocollen en zegels inleveren. Hun bevoegdheid om akten op te maken had afgedaan. Te Noordbroek werd alles bij Dominee van der Tuuk weggehaald door de secretaris van de gemeente en de bode.

Dit geschiedde in opdracht van de maire, die weer zijn bevelen ontvangen had van de onder-prefect.

De kerk deed in die moeilijke jaren echter nog wat zij doen kon. In 1811 liet de kerk van Noordbroek een nieuwe zuiderschool bouwen met een woning voor de organist.

In 1812 was er een groot nadelig saldo in de diaconale kas van Zuidbroek. Hiertoe behoorde toen ook nog Muntendam. Er moest onmiddellijk drieduizend gulden zijn om in de eerste nood te voorzien. De kerk kon niet meer en zij legde de zaak voor aan de Municipale Raad, de Gemeenteraad. Er werd veel over gesproken in de raadsvergadering. Die besloot tenslotte om een beroep te doen op de kerkeraad voor het collecteren aan de huizen van de ingezetenen. Mocht die huis-aan-huis-collecte niet voldoende opbrengen, dan zou een belasting worden opgelegd, toen opslag genoemd.

Tijdens de inlijving bij Frankrijk moesten de onderwijzers benoemd worden door de maire en de Municipale Raad. Na de bevrijding kwam dat recht weer aan de vanouds gerechtigden, dus de kerk. Zo kwamen op 11 september 1817 de stemgerechtigden van Noordbroek bijeen in het koor van de kerk om een onderwijzer te benoemen. En als onderwijzer aan de zuiderschool en organist in de hervormde kerk werd benoemd Johannes Smit.

In 1841 werd te Zuidbroek de kerkespraak afgeschaft. Verkopingen, jaarmarkten en gegevens over belasting werden voortaan niet meer in de kerk afgekondigd. het gevolg was dat de rijks- en de gemeente ontvanger het veel drukker kregen met het verzenden van aanmaningen.

Hoe taak en bevoegdheid van kerk en burgerlijke gemeente door elkaar liepen, blijkt onder meer uit het volgende. Op 22 april 1852 vroegen de kerkvoogden aan het gemeentebestuur van Noordbroek advies over vergroting van de zuiderschool en het aanbrengen van een of twee afscheidingen in die school. Het gemeentebestuur vroeg advies aan de onderwijzer L. Niemeijer en aan de schoolopziener. De schoolopziener adviseerde: de verdeling in drieën is wel doelmatig, mits door de hoofdonderwijzer in plaats van een ondermeester van de derde en een van de vierde rang, twee van de derde rang worden gehouden en mits de hoogste klasse, waarmee de hoofdonderwijzer zich het meest bezig houdt, in het middelste der schoolvertrekken wordt geplaatst. het gemeentebestuur besloot om aan heren kerkvoogden te verzoeken de school in drieën te verdelen, als meester Niemeijer twee ondermeesters wilde houden van de derde rang.

In 1859 raakte de kerk van Noordbroek het onderhoud van de kerspelwegen kwijt. De gemeente had er niet veel zin in om die over te nemen, maar moest het uiteindelijk wel.Zij kreeg toen ook de opbrengst van de tol op de Eideweg, voor zover die in het verleden ten goede kwam aan de kerk.


1866 is het jaar waarin het gemeentebestuur van Zuidbroek het onderwijs overnam van de kerk. Toen kocht zij het schoolgebouw te Uiterburen en besloot zij een school te bouwen aan het Winschoterdiep ter vervanging van de kerkschool bij het kerkhof.
In 1861 werd de bouw van een nieuwe school te Stootshorn nog verzorgd door de kerkvoogden van de hervormde gemeente. Ook de vernieuwing van deze school in 1876 geschiedde nog door de kerk. Het duurde tot 1903 voordat de gemeente Noordbroek de zorg voor het onderwijs overnam. In dat jaar nam zij over de zuiderschool, de noorderschool en de school te Stootshorn, alle drie scholen met onderwijzerswoningen. En de kerk gaf er nog vijfentwintigduizend gulden bij toe.

Direct na de eeuwwisseling kwam ook de overdracht van het armhuis te Noordbroek aan de orde. De kerk wilde het graag kwijt en de gemeente had er niet veel zin in vanwege de hoge kosten. In 1904 ging de overdracht door. En daarmee was de kerk haar laatste bijtaak kwijt.
Bronnen:

• Vooralsnog is voor dit artikel als basis genomen het boek 'Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren', 1973, door H. Antonides.


Pageviews vandaag: 3.