Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 05-01-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

confessionele partijen

Onder een confessionele partij verstaat men een politieke partij die zich baseert op een confessie (= schuldbelijdenis), een bepaalde godsdienstige geloofsleer. De belangrijkste confessionele partijen begin 20ste eeuw toen waren o.a. de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Christelijk-Historische Unie (CHU) en katholieke partij, vanaf 1926 de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) geheten en sinds 1945 de Katholieke Volkspartij (KVP).

Tot het einde van WO-I waren de confessionele partijen nauwelijks zichtbaar in de Provinciale Staten van Groningen. Mede door het beperkte censuskiesrecht vormden de confessionele kiezers in de verschillende kiesdistricten vaak een minderheid, waardoor hun stem in de provinciale politiek nauwelijks werd gehoord. Ook bij de afvaardiging van de Groninger leden van de Tweede Kamer kwamen zij er niet aan te pas. Na de invoering in 1917 van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en algemeen kiesrecht (eerst voor mannen, later ook voor vrouwen) kwam aan de confessionele achterstelling een einde.

De ARP werd in het interbellum de tweede partij van de provincie, achter de DSAP. Met meer dan 20% van de stemmen was zij vrijwel altijd goed voor tien Statenzetels. Haar electorale aanhang was vooral te vinden onder de orthodox-gereformeerde bevolking van het Noordelijk Westerkwartier en het weidegebied rond Bedum. De ARP maakte deel uit van de gereformeerde zuil, die scholen, 'jongelingenverenigingen' en andere geestverwante organisaties omvatte.

Tijdens de economische crisis in de jaren '30 ondervond de partij concurrentie van de sociaal meer vooruitstrevende Christelijk-Democratische Unie (CDU). Haar leider H. van Houten was in 1933 in de Tweede Kamer gekomen en twee jaar later in de Groninger Staten. De CDU ging in 1946 op in de PvdA.

De CHU, die de steun genoot van hervormde kiezers, behaalde door de bank genomen vier zetels in de Staten (gemiddeld 8,5%). De Unie trok relatief veel stemmen in de streek noord-oostelijk van Appingedam. Het stemmenpercentage van de RKSP en haar voorloper schommelde rond de 5%. Haar electorale zwaartepunt lag in de katholieke enclave Kloosterburen.

Samen hadden de drie confessionele partijen ruim een derde van de Groninger kiezers achter zich, met uitschieters naar boven. Na WO-II wisten zij zich geruime tijd op dit niveau te handhaven. Alleen de ARP viel wat terug als gevolg van de concurrentie van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV).

De neergang die het drietal landelijk als gevolg van deconfessionalisering en ontzuiling doormaakte, werd in Groningen bij de Statenverkiezingen van 1970 goed zichtbaar: voor het eerst zakten ARP, CHU en KVP gezamenlijk onder de 30% van de stemmen. Bij de volgende Statenverkiezingen deden zij mee onder de naam Christen Democratisch Appèl (CDA). In 1980 ging het drietal onder deze naam in één partij samen. De eenwording maakte geen einde aan de electorale achteruitgang: in 1999 behaalde het CDA ruim 19%.

Aan het provinciebestuur leverden de anti-revolutionairen en christelijk-historischen een belangrijke bijdrage. De ARP had sinds 1919 en de CHU vanaf 1931 ononderbroken zitting in het college van Gedeputeerde Staten. In 1974, het jaar dat zij samen met de KVP als CDA uitkwamen, was er voor hen geen plaats in het linkse meerderheidscollege. In 1978 leverde het CDA zijn eerste gedeputeerden. Bij de onderhandelingen in 1982 stond de partij weer buitenspel, maar vanaf 1987 is het CDA weer in het dagelijks bestuur van de provincie vertegenwoordigd.


Pageviews vandaag: 9.