Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 21-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

buurschap

In oude tijden was de samenleving meer ingesteld op onderlinge hulp dan tegenwoordig. Die onderlinge hulp kwam vooral tot uiting bij de moeilijkste omstandigheden: ziekte, bevalling of dood, maar ook bij brand of voor nachtwacht. De hulp was op vrijwilligheid gegrond, maar voor de goede werking was enige organisatie nodig. Zo werden vanaf de 17de eeuw gilden, ook wel buurten, buurschappen of kluften genoemd, gevormd om sociale zorg te organiseren en te verstrekken. De dorpen werden onderverdeeld in wijken of kluften en in elke kluft was een gilde.

Burgemeesters en raad van Groningen maakten in 1655 voor het eerst een regeling op deze burenhulp. De kluften of de gilden zelf hadden de zorg voor de toepassing ervan.

In Noordbroek waren tien gilden, waaronder de Pijpkergilde, van Zuidbroek zijn bekend de Noordergilde, Middengilde (Uiterburen), de Oude Dijkstergilde, de Molengilde (omgeving Galgeweg), de Kerkengilde, de Diepstergilde en de Tussenloegstergilde.

Het bestuur werd gevormd door twee ouderlieden, ook wel door een olderman en een jongerman, bijgestaan door een gildedienaar. Die werden gekozen door de gezamenlijke broeders van de gilde. Men mocht niet weigeren. De ouderlieden zorgden er voor, dat ieder der buren zijn plicht deed en bij nalatigheid de boete betaalde. De gildedienaar moest de gildebroeders in kennis stellen van hun plichten en genoot daarvoor een bodegeld van bijvoorbeeld tien cent per huisgezin per jaar.

In 1810 was er te Noordbroek behoefte aan meer gelijkheid bij verschillende gilden. Om die te verkrijgen verzocht het gemeentebestuur aan de kwartierdrost om de volgende algemene regeling goed te keuren.
'Als er een kranke in de kluft is, zullen de ouderlieden gehouden zijn maatregelen te nemen, dat er gewaakt wordt bij de zieke of andere diensten worden gedaan. De naast-aanwonende is verplicht de eerste dienst waar te nemen en zo vervolgens met zonneomgang. Wie het laatst dienst gedaan heeft, moet aan de volgende de dienst aanzeggen.
In iedere kluft zal een gildedienaar zijn, die de orders van de ouderlieden moet aanzeggen.
Als iemand binnen de kluft komt te overlijden, moeten de naaste naburen zover aanzeggen als nodig is om het lijk af te leggen en de kist te halen. Verder moeten zij zorgen dat de morgen na het overlijden de grote klok een uur luidt voor een oude dode en een half uur voor een jonge dode. Het uur voor een oude dode is van negen tot tien en voor een jonge dode van negen uur tot half tien. Als iemand in eigen persoon de diensten niet kan verrichten, moet hij voor een plaatsvervanger zorgen.
Op de dag van de begrafenis zal uit ieder huis in de kluft een bekwaam persoon tegen elf uur aan het sterfhuis moeten zijn om dienst te doen.
De ouderman wijst aan wie de klok moeten luiden. Dan gaat de ouderman in het sterfhuis met de aankondiging, dat de tijd daar is, dat het lijk uitgehaald moet worden. De naaste naburen dragen het lijk uit huis en zetten dit op de barre of op de wagen. het volgen gebeurt in paren: eerst de vrienden en familie, dan de genodigden, daarna de ouderlieden van de kluft en de kluftelieden. Als er geen manspersoon in huis is, moet een meerderjarig vrouwspersoon volgen.
Het luiden van de klok neemt een begin en een einde op plusminus vijfenzeventig roeden afstand van de begraafplaats. De kluftlieden moeten na de begrafenis weer in bovenvermelde orde naar hun kluft terugkeren, behalve de barredragers.
Of een dode naar het kerkhof gedragen zal worden of vervoerd op een wagen, hangt af van de tijdsomstandigheden, ter beoordeling van de ouderlieden.
Een gehuwde vrouw in barensnood mag tot haar dienst nemen degene die zij wil uit de kluft. Zij hoeft voor haar keuze geen redenen op te geven.
Op het niet-nakomen van de burenplichten staan boeten, die worden opgehaald door de gildedienaar en voor een derde deel uitgekeerd worden aan de kluftsvrouwen ter vertering.
Als de kluftsbieren (kluftsfeesten) gehouden worden, brengen de ouderlieden dit ter kennis van de kluftslieden. De ouderlieden zorgen er ook voor, dat de kluftsbieren met alle bescheidenheid en vriendelijkheid worden gehouden, zonder dat de een de ander spijt- of schimpredenen mag toevoegen of tegen God en zijn naaste mag vloeken.'

Schutterij


Welke taak de schutterij van Noordbroek en van Zuidbroek in de eerste tijd van haar bestaan had is niet helemaal duidelijk. Haar voornaamste functie zal zijn geweest het dorp schutten, beschermen tegen vijanden. In 1563 stelden Burgemeesters en Raad van Groningen reeds artikelen vast betreffende de schutters van Zuidbroek. Tegen de Franse tijd noemden de plaatselijke schutters zich exercitiegenootschappen.Een wet van 1809 bepaalde: 'Het is de plicht van elke ingezetene om de veiligheid van de plaats zijner woning, wanneer de nood zulks vordert, te helpen verdedigen. Er zullen vaste schutterijen worden opgericht uit ingezetenen van achttien tot vijftig jaar. Alleen zij die in de schutterijen zijn ingeschreven, zijn bevoegd tot het verkrijgen van ambten en andere voordelen in de maatschappij en tot het dragen van wapenen.'

Burenhulp bij brand

In het begin van de negentiende eeuw begonnen de kleine gemeenten brandspuiten aan te schaffen. Noordbroek kreeg er een in 1823. De brandspuit moest bediend worden. De raad stelde daarvoor een regeling vast, waaraan wij het volgende ontlenen.
'Niemand der mannelijke ingezeten van achttien tot zestig jaar mag zich onttrekken aan enige bediening bij de brandspuit, uitgezonderd:
1. de leden van de schutterij;
2. de ingezetenen die woonachtig zijn in de gehuchten Korengast, Noordbroeksterhamrik en de beide Venen;
3. de predikanten en schoolmeesters.
Wie bezwaar heeft om dienst te doen, kan er af door jaarlijks een gulden en vijftig cent te betalen aan de kas.
De mannelijke hoofden van gezichten boven de zestig jaar en de vrouwelijke gezinshoofden, de predikanten en de schoolmeesters moeten een contributie betalen tussen tien en vijftig cent naar gelang hun vermogen.
Er zullen zijn twee brandmeesters, die elk voorzien zijn van een stok ter lengte van twee ellen. Deze stok moet zwart geverfd zijn met witte slangen teneinde alzo behoorlijk gekend, gerespecteerd en gehoorzaamd te worden.
Onder de brandmeesters zullen staan vier kwartier- of sectiemeesters, die ieder voorzien zullen zijn van een stok er lengte van een of vijf palmen, rood geverfd en getekend met de nummers 1, 2, 3 of 4.
Als iemand benoemd is tot brand- of kwartiermeester, kan hij zich uitkopen voor twintig gulden.
Wie niet deelneemt aan de oefeningen verbeurt boete. Dit is voor een brandmeester 70 cent, voor een kwartiermeester 50 cent en voor werklieden 30 cent.
Wie het eerst brand ontdekt, is verplicht overluid 'brand'te roepen en de naaste buren daarvan dadelijk te verwittigen.
De nachtwachten zijn verplicht de gehele plaats door 'brand' te roepen, met bijvoeging van de plaats waar die is ontstaan.
Bij het ontstaan van brand zal zulks mede door het kleppen der klokken aan de ingezetenen worden bekend gemaakt.
De brandmeesters, kwartiermeesters en werklieden zullen op het eerste gerucht van brand, hetzij door het luiden van de klok, het roeren der trom of anderszins, zich moeten begeven naar de spuit.
Bij nalatigheid zijn de volgende boeten verschuldigd:
brandmeesters bij dag f1.40, bij nacht f2.40
kwartiermeesters bij dag 1.00, bij nacht 1.50
werklieden bij dag .60, bij nacht 1.00
Wie het eerst met zijn paard bij het brandspuithuisje is voor het vervoer van de spuit, krijgt een premie van zes gulden.
Ieder huisgezin is verplicht om ten allen tijde in gereedheid en bij de hand te hebben een wateremmer voorzien van het nummer der behuizing.
De twintig naaste naburen aan beide zijden van de brand zijn verplicht, wanneer in de nabijheid geen gracht of diep aanwezig is, hun grootste tobbe voor hun huis te plaatsen en te zorgen, dat die gestadig vol water is.
De huizen en andere gebouwen die belenden aan het brandende huis, voornamelijk die het meest aan de brand zijn blootgesteld, zal men zoveel mogelijk trachten te bewaren door ze met natte zeilen, dorskleden, enzovoort te dekken.
Als er des nachts brand ontstaat moeten de huisgezinnen die aan de straat of de weg wonen, een lamp of kaars laten branden voor het raam, teneinde er licht zij.
In de grachten, kanalen en andere wateren moeten in de winter behoorlijk bijten aanwezig zijn, die dagelijks open gehouden moeten worden. Dit moet geschieden door de ingezetenen, ieder voor zoveel hem aangaat of op aanwijs van het bestuur.'
Aan een verordening van Noordbroek de dato 8 november 1873 ontlenen wij het volgende:

'Het doel van de burgervereniging is om bij brand de geredde goederen te bewaren. Alle mannelijke gegoede ingezetenen kunnen door Burgemeester en Wethouders tot lid van de burgervereniging wordedn benoemd.
De burgervereniging begeeft zich op het eerste gerucht van brand met spoed naar de plaats van het onheil, voorzien van een onderscheidingsteken bestaande in een rode staf voor de hoofdman en onderhoofdman en van een witte staf met zwarte slangen voor de andere leden.'

Twintigste eeuw

In het begin van de twintigste eeuw raakten de gilden in verval. Dit blijkt ook wel uit het gildeboek van de Kerkengilde te Zuidbroek. Wij geven hieronder een uittreksel uit de notulen van de vergadering van de gildebroeders, die gehouden werd op 7 januari 1905.
'Het eerste punt is: het betalen van boete wegens het niet-bezoeken van de jaarlijkse vergadering. Volgens het reglement staat daar een boete op van vijf cent. Een zieke is vrijgesteld. Met 29 stem tegen 1 wordt uitgemaakt, dat een dove de vergadering ook moet bezoeken, want doofheid is een gebrek waar het lichaam zich vrij om kan bewegen en kan niet als ziekte worden beschouwd.
Nog komt aan de orde het aanstellen van vaste dragers. Moet de vergoeding zijn 25 of 75 cent? Voor 75 cent moesten zij gekleed zijn en met hoge hoed op.
Aan het eind van de vergadering geeft Zeeman nog een beschouwing. Gaat het nu niet plechtiger toe dan voorheen? Hoe vaak zag men vroeger nog, dat de overledene op een smerige boerenwagen naar zijn laatste rustplaats gebracht werd, gevolgd door familie en personeel in hun werkkleding. toen de lijkwagenvereniging door bemiddeling van de beter gegoeden onder bereik kwam van de minder gegoeden, kon men allengs opmerken, dat het personeel zich al spoedig in een ander kleed stak. De plechtigheid wordt er door verhoogd. Is deze eerste schrede nog lang niet wat het wezen moet, laat ons nu voetje voor voetje zien vooruit te komen en dan laten zien, dat het gildewezen nog wel wat ten uitvoer kan brengen, al is het ook van oude stempel.'

Uit de notulen van 29 december 1905 blijkt het volgende.
'In de avond van 6 juni is overleden de gildebroeder R. Westman. Om vijf uur vervoegden zich ten huize van de ouderman twee familieleden van de overledene met de boodschap dat Westman was overleden en dat hij nu ontkleed moest worden. Zij vroegen inlichting wie de naaste buren waren, waarop de ouderman na inzage van het ledenboek tot de overtuiging kwam, dat de heren Schaap en Abbring de opvolgende nummers hadden. Die moesten zich volgens hun plicht met deze taak belasten. Maar die lagen al te bed en nu vroegen zij hoe het moest. Omdat de ouderman het niet kon oplossen, gingen zij samen naar de wijkmeester. Toen werd besloten om te proberen, de buren nog uit rust te krijgen. Die poging is niet verwezenlijkt, hetzij dat de beide bestuursleden geen gewag genoeg hebben gemaakt, hetzij dat de betrokken personen te zwaar in vaste slaap gezonken waren. Hierop werd besloten om te proberen Robertus en Ruchtie wakker te maken, wat gelukte. Die hebben de dienst waargenomen, waarvoor aan elk vijftig cent betaald moest worden. Door de vergadering werd besloten, dat altijd de naaste buurman zonder omwegen zijn plicht moest doen, zoals altijd op de oude voet is geschied.'

In de vergadering van december 1907 stelde de gildeboer Ds. F. Tammes voor, de andere gilden op te wekken om een deftiger aanzien te geven aan de begrafenissen door een vast stel dienaars te benoemen.

In de vergadering van 30 december 1912 werd de vraag gesteld, of de gildebroeders verplicht waren om de overledene op een draagbaar naar het kerkhof te brengen.
met algemene stemmen werd besloten dat de leden van deze gilde dergelijke diensten niet behoefden te doen.

In 1916 is de Kerkengilde een stille dood gestorven.

De Diepstergilde heeft het uigehouden tot 1960. Dat kwam omdat zij eigenares was van vierenveertig graven op de Oude Begraafplaats. Die waren haar in 1863 geschonken door Mevrouw de wedduwe Bos-Mellema op voorwaarde dat de leden van de Diepster gilde er gratis gebruik van konden maken. Onder deze gilde vielen de bewoners van de percelen vanaf het tolhek onder Krommerakken langs het Winschoterdiep tot en met het Kraaibos. In 1960 hebben de laatste ouderman H. Kroeze en de laatste wijkmeester C. Lubberts de graven overgedragen aan de gemeente.


Eerste pageview van vandaag: 1