Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 06-12-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

bronstijd

Gedurende de Bronstijd (ca. 3000-800 v.Chr., in Nederland van omstreeks 1900 tot ca. 800 v.Chr.) werd brons op steeds grotere schaal gebruikt voor het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen en sieraden. De kennis voor het bewerken van metalen, inclusief brons ontstond in het Midden-Oosten. Daar werd brons sinds ca. 3000 v.Chr. gebruikt. Deze kennis heeft zich langzaamaan verspreid door Europa.

Omdat koper en tin, de grondstoffen voor brons, niet in Nederland voorkomen, moesten deze materialen van elders ingevoerd worden. Vuursteen en steen bleven daarnaast in gebruik. In vergelijking met andere gebieden in Europa speelden onze streken in de Bronstijd een ondergeschikte rol. De zandgebieden waren slechts dunbevolkt en de kustgebieden waren nog niet bewoonbaar. De bevolking voorzag in haar levensbehoeften door kleinschalige landbouw en veeteelt.

Vondsten uit de vroegste fase van de Bronstijd zijn in Groningen schaars. Gezien de meer talrijke vondsten uit de voorgaande en volgende perioden mag echter worden aangenomen dat ook in deze periode de Groningse
zandgronden bewoond waren. Tot de vondsten uit deze tijd horen de prachtige vuurstenen dolken, importstukken uit Scandinavië, die op verschillende plaatsen in het Westerkwartier en Westerwolde zijn gevonden. Nederzettingen of graven uit deze periode zijn nog niet met zekerheid aangetroffen.
Het is mogelijk dat enkele van de grafheuvels in Harenermolen, Wessinghuizen en Onstwedderholte ook in deze periode in gebruik waren. Bij onderzoek van één van de grafheuvels bij Onstwedderholte werd zogenaamd wikkeldraadaardewerk uit de vroege Bronstijd gevonden.

De in het Neolithicum ontstane traditie graven te bedekken met een heuvel werd in de Bronstijd voortgezet. Grafheuvels zijn van vier Groninger plaatsen bekend: Wessinghuizen, Onstwedderholte, Harenermolen en Marum.
De meerderheid van deze grafheuvels was in gebruik in de midden-Bronstijd (1800-1900 v.Chr), hoewel enkele in oorsprong ouder zijn. De heuvels werden soms omgeven door een greppel of een palenkrans. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de heuvels bij Wessinghuizen en Onstwedderholte. Bestaande grafheuvels werden vaak meerdere keren gebruikt als begraafplaats. Bij hergebruik werd de heuvel soms opgehoogd en/ of voorzien van een nieuwe omringende structuur. Zo werd de grafheuvel te Harenermolen, na de eerste aanleg in de nieuwe Steentijd, gedurende de Bronstijd twee keer opgehoogd. In deze grafheuvels werd de overledene gewoonlijk bijgezet in een kist gemaakt van een uitgeholde boomstam. Soms treft men in de graven grafgiften als sieraden en wapens aan. In Groningen zijn dergelijke bijgaven echter niet gevonden.

Met het aanbreken van de late Bronstijd (1100-800 v.Chr.) verscheen een aantal nieuwe elementen. De verandering in de manier van begraven is het meest opvallend. Van het begraven van de overledene stapte men over op crematie. De gecremeerde resten werden bijgezet in de zogenaamde urnenvelden.

Het tweede nieuwe verschijnsel uit deze periode zijn de zogenaamde Celtic fields of raatakkers: uitgebreide akkercomplexen waarbij elke afzonderlijke akker van de aangrenzende gescheiden was door een lage aarden wal. Door latere ontginningen zijn ze meestal niet meer zichtbaar in het huidige landschap. Op luchtfoto's zijn ze echter in pas geploegde akkers nog duidelijk herkenbaar.
De nederzettingen lagen temidden van deze akkers, hoewel die uit de late Bronstijd nog niet in Groningen zijn aangetroffen.

Urnenvelden en Celtic fields zijn in Groningen alleen aangetroffen in Westerwolde en op de Hondsrug. De enige uitzondering is een urnenveld bij Zuidbroek.

De zandgronden van het Westerkwartier lijken in deze periode nauwelijks meer bewoond te zijn geweest. Dit
is te verklaren door de oprukkende veengroei die steeds meer land voor gebruik ongeschikt maakte. De uitbreiding van het veen werd veroorzaakt door een zeespiegelstijging. Aanvankelijk verliep de uitbreiding nog zeer geleidelijk, maar vanaf de midden-Bronstijd verliep deze aanzienlijk sneller. Dit had tot gevolg dat van het bewoonbare gedeelte van het Westerkwartier in de midden-Bronstijd, in de Romeinse tijd nog maar eenderde over was. Een stille getuige hiervan is een grafheuvel bij Drachtstercompagnie (Friesland) die al enkele eeuwen na aanleg (1400 v.Chr.) door veen overgroeid raakte.
Westerwolde en de Hondsrug werden in de late Bronstijd nog wel volop bewoond, getuige de vele urnenvelden en Celtic fields. Deze concentreerden zich echter wel, samen met de nederzettingen, op de hogere zandgronden.

Het veen lijkt een bijzondere plaats te hebben ingenomen in de belevingswereld van de mens in de prehistorie. Dit blijkt uit tal van vondsten uit het veen die waarschijnlijk als offer daar zijn gedeponeerd. De oudste van dergelijke vondsten dateren al uit de nieuwe steentijd. De meerderheid stamt echter uit de Brons- en IJzertijd. Met name in Westerwolde zijn vele voorwerpen als bronzen bijlen, zwaarden en sieraden in het veen gevonden.
Ook elders in Groningen zijn dergelijke vondsten gedaan, zoals bij Onnen waar een prachtig zwaard uit de late Bronstijd werd gevonden (zwaard van Onnen) of een verzameling bronzen voorwerpen gevonden bij Onstwedder Holte (bronsdepot van de Onstwedder Holte). Twee bijzondere categorieën veenvondsten zijn veenlijken en
veenwegen.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Eerste pageview van vandaag: 1