Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 21-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

brandweer

Heel vroeger was er geen brandweer. Als er brand was, moest iedereen zelf maar zien dat hij op tijd vluchtte. Om de brand te blussen, mocht je blij zijn met de hulp van je buren. In 1827 besloot koning Willem I dat alle gemeenten brandspuiten en andere blusmiddelen moesten aanschaffen. De burgemeester kreeg het opperbevel bij brand. Rond die tijden ontstonden ook de vrijwillige brandweerverenigingen, die werden betaald door rijkere inwoners.

Rond 1300 waren de meeste huizen nog van hout. Zo kon dus een brand overspringen van het ene naar het andere huis, waardoor vaak hele dorpen verwoest werden. Ook hadden de meesten huizen geen schoorsteen maar een gat in het dak.

In 1521 werd een stap in de goede richting gezet door keizer Karel V; hij besloot in dat jaar dat alleen huizen van steen gebouwd mochten worden. Toen de steden en dorpen groter werden, zagen de mensen in dat het belangrijk was het bestrijden van brand beter te organiseren. Er kwamen wakers en andere mensen die als er brand was te hulp konden komen.

Er bestond nog niet veel materiaal om brand te bestrijden. Er werden leren emmers gebruikt die met water werden gevuld bij een sloot. Een lange rij mensen gaf de emmers aan elkaar door en de laatste gooide het water op het vuur.

De eerste brandspuiten verschenen aan het begin van de 17e eeuw. Ze zijn vergelijkbaar met een injectiespuit. Je moest de mond van de brandspuit in water dompelen en vervolgens de hendel naar achter trekken. De brandspuit vulden zich dan met water en kon vervolgens op het vuur worden leeg gespoten. '

In het begin van de negentiende eeuw begonnen de kleine gemeenten brandspuiten aan te schaffen. Noordbroek kreeg er een in 1823. De brandspuit moest bediend worden. De raad stelde daarvoor een regeling vast, waaraan wij het volgende ontlenen.
'Niemand der mannelijke ingezeten van achttien tot zestig jaar mag zich onttrekken aan enige bediening bij de brandspuit, uitgezonderd:
1. de leden van de schutterij;
2. de ingezetenen die woonachtig zijn in de gehuchten Korengast, Noordbroeksterhamrik en de beide Venen;
3. de predikanten en schoolmeesters.
Wie bezwaar heeft om dienst te doen, kan er af door jaarlijks een gulden en vijftig cent te betalen aan de kas.
De mannelijke hoofden van gezichten boven de zestig jaar en de vrouwelijke gezinshoofden, de predikanten en de schoolmeesters moeten een contributie betalen tussen tien en vijftig cent naar gelang hun vermogen.
Er zullen zijn twee brandmeesters, die elk voorzien zijn van een stok ter lengte van twee ellen. Deze stok moet zwart geverfd zijn met witte slangen teneinde alzo behoorlijk gekend, gerespecteerd en gehoorzaamd te worden.
Onder de brandmeesters zullen staan vier kwartier- of sectiemeesters, die ieder voorzien zullen zijn van een stok er lengte van een of vijf palmen, rood geverfd en getekend met de nummers 1, 2, 3 of 4.
Als iemand benoemd is tot brand- of kwartiermeester, kan hij zich uitkopen voor twintig gulden.
Wie niet deelneemt aan de oefeningen verbeurt boete. Dit is voor een brandmeester 70 cent, voor een kwartiermeester 50 cent en voor werklieden 30 cent.
Wie het eerst brand ontdekt, is verplicht overluid 'brand'te roepen en de naaste buren daarvan dadelijk te verwittigen.
De nachtwachten zijn verplicht de gehele plaats door 'brand' te roepen, met bijvoeging van de plaats waar die is ontstaan.
Bij het ontstaan van brand zal zulks mede door het kleppen der klokken aan de ingezetenen worden bekend gemaakt.
De brandmeesters, kwartiermeesters en werklieden zullen op het eerste gerucht van brand, hetzij door het luiden van de klok, het roeren der trom of anderszins, zich moeten begeven naar de spuit.
Bij nalatigheid zijn de volgende boeten verschuldigd:
brandmeesters bij dag f1.40, bij nacht f2.40
kwartiermeesters bij dag 1.00, bij nacht 1.50
werklieden bij dag .60, bij nacht 1.00
Wie het eerst met zijn paard bij het brandspuithuisje is voor het vervoer van de spuit, krijgt een premie van zes gulden.
Ieder huisgezin is verplicht om ten allen tijde in gereedheid en bij de hand te hebben een wateremmer voorzien van het nummer der behuizing.
De twintig naaste naburen aan beide zijden van de brand zijn verplicht, wanneer in de nabijheid geen gracht of diep aanwezig is, hun grootste tobbe voor hun huis te plaatsen en te zorgen, dat die gestadig vol water is.
De huizen en andere gebouwen die belenden aan het brandende huis, voornamelijk die het meest aan de brand zijn blootgesteld, zal men zoveel mogelijk trachten te bewaren door ze met natte zeilen, dorskleden, enzovoort te dekken.
Als er des nachts brand ontstaat moeten de huisgezinnen die aan de straat of de weg wonen, een lamp of kaars laten branden voor het raam, teneinde er licht zij.
In de grachten, kanalen en andere wateren moeten in de winter behoorlijk bijten aanwezig zijn, die dagelijks open gehouden moeten worden. Dit moet geschieden door de ingezetenen, ieder voor zoveel hem aangaat of op aanwijs van het bestuur.'


Aan een verordening van Noordbroek de dato 8 november 1873 ontlenen wij het volgende:
'De huizen en gebouwen, de schoorstenen, stookplaatsen en dergelijke moeten in steen worden opgetrokken.
De huizen en gebouwen zullen met leien of pannen worden gedekt, of met ijzeren, stenen of dergelijke voorwerpen. Zij mogen niet met heiden vorsten worden voorzien.
Bij gehele of gedeeltelijke vernieuwing moeten wanden van hout of riet worden vervangen door wanden van steen.
Het doel van de burgervereniging is om bij brand de geredde goederen te bewaren. Alle mannelijke gegoede ingezetenen kunnen door Burgemeester en Wethouders tot lid van de burgervereniging wordedn benoemd.
De burgervereniging begeeft zich op het eerste gerucht van brand met spoed naar de plaats van het onheil, voorzien van een onderscheidingsteken bestaande in een rode staf voor de hoofdman en onderhoofdman en van een witte staf met zwarte slangen voor de andere leden.


Pageviews vandaag: 8.