Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 11-11-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

bosaanleg

In Groningen vanaf eind jaren '80 gekoppeld aan de situatie in de landbouw. Door graanoverschotten werd een Europees beleid ontwikkeld gericht op het verminderen van de productie door braaklegging (zie ook Blauwe Stad).Ook zocht men een oplossing in bosaanleg, waarmee werd geprobeerd de Nederlandse zelfvoorzieningsgraad aan hout te verhogen (Bosbeleidsplan 1993).

Begin jaren '90 bestond de mogelijkheid tijdelijk bos aan te leggen (Set Aside Regeling). De grond behield daarbij de bestemming 'landbouw'; er werden vooral boomsoorten geplant met een korte omlooptijd, zoals wilg, populier en fijnspar. Deze soorten worden na twintig resp. veertig jaar gekapt, waarna de grond weer als landbouwgrond kan worden ingericht. In totaal is ca. 800 ha tijdelijk bos in Groningen geplant, vooral in het veenkoloniale deel.

Met de steeds groter wordende maatschappelijke aandacht voor het platteland en de groeiende weerzin tegen tijdelijke productiebossen, werd in 1993 de Regeling Stimulering Bosaanleg op Landbouwgronden (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) ingevoerd. Deze regeling maakt het mogelijk om naast tijdelijk, ook blijvend bos op landbouwgronden aan te leggen. Daarmee ontstond de mogelijkheid natuurontwikkeling, recreatie
en verbetering van woon- en werkomgeving te koppelen aan bosaanleg. In Groningen is tot 1998 ca. 500 ha blijvend bos aangelegd.

Na een grote belangstelling in de eerste jaren van de regeling is de belangstelling ervoor eind jaren '90 duidelijk geringer, omdat de grondprijzen sterk stegen.

Zie ook: Bosontwikkelingszones Groningen (1996 - wur.nl)
De Martinitoren niet meer kunnen zien: tien jaar geleden het grote schrikbeeld van landbouwen milieuorganisaties in Groningen. Europese fondsen zouden boeren verleiden tot versnipperde aanleg van populierenakkertjes in het wijdse Groningse landschap: de landbouwstructuur kapot, zonder meerwaarde voor de gemeenschap. Via de ruimtelijke ordening bond men de strijd aan tegen tijdelijk bos. Daarbij vond men de provincie aan zijn zijde. Niet dat alle bos fout was: als het maar blijvend was, multifunctioneel, in grotere complexen, op de goede plaats. Vorig jaar sloten provincie, rijk en FACE een samenwerkingsovereenkomst. Ze spraken af gezamenlijk te zorgen voor concentratie van particuliere bosaanleg in daarvoor bestemde zones.

Bosarm?
Groningen is hard op weg het imago van bosarme provincie van zich af te schudden. Met name in Oost-Groningen komt er veel bos bij. Vanaf de zeventiger jaren zijn er al honderden hectaren blijvend bos aangelegd in de Herinrichting Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën. Regelmatig zijn als alternatief voor de verslechterende situatie in de landbouw ambitieuze bebossingsplannen gelanceerd. Voor de uitvoering ontbraken echter het maatschappelijk draagvlak en de instrumenten. Tien jaar geleden veranderde dat. Eerst kwam er een EZ-premie van f 3.000 voor snelgroeiend bos, als vergoeding voor de periode zonder opbrengsten. Voor landbouwbedrijven zette dit nog geen zoden aan de dijk. Maar dat veranderde in 1988. De set-aside regeling introduceerde een aanzienlijke inkomenscompensatie voor het braakleggen en bebossen van bouwland. Dat bleek met name interessant voor noodlijdende akkerbouwbedrijven in Noord-Nederland. In Groningen en Drenthe werd 1.100 ha setaside bos aangelegd. Doordat meestal ook de EZ-premie werd aangevraagd, was vrijwel alle set-aside bos tijdelijk.

Bos in zicht
De tijdelijke bossen waren, anders dan de blijvende bossen in de herinrichting, geen resultaat van maatschappelijke belangenafweging. Het idee dat overal bosjes zouden ontstaan, ook in van oudsher vrijwel boomloze gebieden, riep weerstand op. De landbouworganisaties vreesden voor onkruid, schaduwwerking, planologische schaduwwerking, werkloosheid en afbrokkeling van de landbouwstructuur. De milieubeweging plaatste tijdelijk bos in het zelfde rijtje als de smeerpijp en olieboringen op het wad. Voor de provincie Groningen, met name voor de betrokken gedeputeerde, dhr. Beukema, was de wildgroei in tijdelijk bos een gruwel. De set-aside regeling bood echter geen mogelijkheid om regulerend op te treden. Dat kon wel via de ruimtelijke ordening. De provinciale nota "Bos in zicht" uit 1988 gaf op kaart aan waar aanleg van tijdelijk bos aanvaardbaar was, waar uitgesloten, en waar nader af te wegen. Dit gaf een aanzienlijk inperking voor tijdelijk bos.

Blijvend bos
De bezwaren van de provincie waren overigens niet gericht tegen alle bosaanleg, integendeel: grote blijvende multifunctionele boscomplexen werden juist verwelkomd als nieuw perspectief voor streken als de Veenkoloniën. Niet louter voor de inkomens in de landbouw, maar vooral voor de leefbaarheid en recreatieve ontwikkeling van de regio. Een visie die door het rijk werd gedeeld en uitgewerkt in de Bosvisie Noord Nederland (1991). De set-aside regeling bood daarvoor geen mogelijkheden: hij beperkte zich tot snelgroeiend bos met een beperkt aantal boomsoorten. Blijvend bos werd pas gestimuleerd met de introductie van de SBL-regeling (Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden) in 1993. Meer boomsoorten werden mogelijk. Doordat de EZ-regeling doorliep tot 1994 werden tot dan ook onder de SBL-regeling voornamelijk snelgroeiende soorten geplant. Onderdeel van de SBL-regeling is een kaart met gebieden die zijn uitgesloten van een bijdrage. Dat zijn gebieden met landschappelijke openheid of met weidevogels, ganzen of zwanen. De kaart is een uitkomst voor de belangrijkste conflictgebieden, zoals het Oldambt.

Streekplan: bosontwikkelingszones
In het streekplan van 1994 heeft de provincie de beleidslijn - beperken verspreide produktiebeplantingen en bevorderen blijvend bos met maatschappelijke meerwaarde - verder uitgewerkt. Op de plankaart zijn bosontwikkelingszones aangegeven. Dáár wil de provincie de geconcentreerde aanleg van blijvende bossen met een meervoudige functie (bosbouw, recreatie, natuur) bevorderen. Gemeenten is gevraagd hieraan mee te werken door het geven van de bestemming bos.
De zones beslaan ca. 25.000 ha. Ze liggen vrijwel geheel in Oost Groningen, vooral in de Veenkoloniën:
* Vanwege de leefbaarheid ligt de zone zoveel mogelijk bij de belangrijkste bevolkingsconcentraties (Winschoten, Veendam, Sappemeer, Stadskanaal, Ter Apel, Delfzijl, Appingedam).
* Vanwege de behoefte aan een samenhangende recreatief-toeristische structuur verbindt de zone trekpleisters als Nieuwe- en Oude Schans, Bourtange, klooster Ter Apel en Ennemaborg. Er is ook een verbinding met de Hondsrug in Drenthe en het Emsgebied in Duitsland.
* Vanwege de milieutechnische voordelen van bos sluit de zone aan bij de ecologische hoofdstructuur en een waterwingebied.
* De Dollard-inbraak en delen van de Veenkoloniën zijn buiten de zone gehouden. Dit vanwege de optimale landbouwstructuur, de kansen voor inplaatsing van melkveehouderij en landschappelijke openheid.

Vooralsnog zijn de mogelijkheden voor bosaanleg op landbouwgronden buiten de ontwikkelingszones en aan randen van de te behouden grootschalige open gebieden zeer beperkt. De mogelijkheden zullen onderwerp zijn van een streekplan-uitwerking in 1996. Ook de ruimte voor houtteelt (tijdelijk produktiebos met de bestemming landbouw) wordt heroverwogen. Deze uitwerking zal in de plaats komen van de nota "Bos in Zicht" uit 1988.


Pageviews vandaag: 10.