Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 08-11-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

borg

Een borg (ook: börg) is oorspronkelijk de Groningse variant van een steenhuis of burcht, oftewel een versterkt 'huis'. Sinds de 17de eeuw wordt borg in meer algemene zin gebruikt voor buitenplaatsen, meestal bewoond door de Ommelander adel of Groninger regentengeslachten.

Een huis zonder adellijke rechten wordt soms ook een borg genoemd, als deze een fraaie uitstraling heeft. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de veenborgen in de veenkoloniën, maar hiernaast zijn er vele gebouwen in de provincie Groningen die, soms ook als spotnaam, de toevoeging 'borg' dragen.

De oudste vorm van de borg is het steenhuis, een vierkant of - meestal - rechthoekig gebouw met dikke muren van kloostersteen. De provincie Groningen kende in de Middeleeuwen geen landsheer. Er was geen centraal gezag. Het bestuur, en dan met name de rechtspraak, werd op lokaal niveau door de bewoners zelf vormgegeven. Oorspronkelijk bestond er een systeem waarbij de rechtersfunctie rouleerde over de eigenaren van de verschillende boerderijen (heerden). Sommige boeren wisten zich binnen dat systeem op te werken en gingen hun boerderij versterken. Daaruit ontstonden de eerste steenhuizen (vergelijkbaar met de Friese stinsen). Een dergelijke behuizing, in oorsprong een versterkte boerderij, verschafte een zekere veiligheid aan de bewoners en omwonenden.

Aan het einde van de Middeleeuwen ontstonden bewoonbare gebouwencomplexen, aan de oude steenhuizen vastgebouwd. Toen de beschermende functie van deze steenhuizen verloren ging doordat eventuele aanvallers konden beschikken over verbeterde vormen van geschut, werd vanaf de 15e eeuw overgegaan tot het uitbouwen van het steenhuis naar luxueus ingerichte buitenverblijven, vaak door het aanbouwen van vleugels. Soms werden deze ook door volledige nieuwbouw vervangen. Goede voorbeelden hiervan zijn de laatste borgen die gesloopt werden, het Huis te Lellens (1897) en Dijksterhuis te Pieterburen (1903). Hier was het oorspronkelijke steenhuis nog als herkenbaar onderdeel van de bebouwing aanwezig. Met name in de 17e en 18e eeuw nam dit een grote vlucht.

In de 17e en 18e eeuw nam het aantal borgen af doordat de adellijke families de gewoonte hadden om veel met elkaar te trouwen. Er kwam mede daardoor weinig adel bij. Borgheren kochten soms meerdere borgen om daarmee de rechten te verkrijgen die bij een borg behoorden. De borg zelf bleef niet zelden leegstaan bij gebrek aan bewoner en verviel langzaam, totdat deze uiteindelijk werd gesloopt of verbouwd tot boerderij. Echter, ook de niet-adellijke Groninger regentengeslachten kochten soms borgen om deze als buitenhuis te gebruiken.

Rechten
Hoewel een borg zelf oorspronkelijk geen bestuurlijke functie vervulde, verwierven de borgen zich in de loop van de tijd wel een bepaalde status. Oorspronkelijk was het eigendom van land de bepalende factor in het rotatiesysteem van rechters (hoe groter het bezit, hoe vaker men aan de beurt was). Het bezit van een steenhuis, later een borg, was een uiting van bezit. Dat bezit was oorspronkelijk persoonlijk, maar werd meer en meer gekoppeld aan de borg. De eigenaar van de borg verbond zijn persoonlijke rechten aan zijn zakelijke recht op de borg. Werd de borg verkocht dan werden de oorspronkelijk persoonlijke rechten mee verkocht. De bezitter van de borg ontwikkelde zich zo van herenboer tot jonker.
Vanwege de koppeling tussen huis en bepaalde rechten wordt de benaming borg in Groningen soms gereserveerd voor huizen waaraan rechten waren verbonden. Echte borgen zijn in Groningen volgens die definitie alleen te vinden in Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier. In de andere gebieden van Groningen (Gorecht, Oldambt, Reiderland en Westerwolde) had de stad in de loop van de tijd alle rechten verworven. In die gebieden staan wel borgen, maar daaraan waren geen rechten verbonden.

In de Franse tijd verloren de eigenaren van de borgen veel van hun rechten, waardoor hun inkomsten sterk terugliepen. In de 19e eeuw waren er dan ook vele borgen waarvan de eigenaar het onderhoud niet langer kon betalen. Deze borgen werden vaak op afbraak verkocht. Begin 20e eeuw werd de borg Dijksterhuis als laatste gesloopt. Sindsdien zijn de resterende borgen op de monumentenlijst geplaatst.

Van de borg als buitenplaats (17de-18de eeuw) bleven als goede voorbeelden bewaard Menkema (Uithuizen) en Fraeylema (Slochteren). Van bescheidener allure zijn Allersma (Ezinge), Ennema (Midwolda), Piloursema (Den Ham), Rensuma (Uithuizermeeden) en. Verhildersum (Leens). Enigszins buiten dit kader valt het Huis te Wedde, dat in de 16de eeuw het aanzien van een kasteeltje had gekregen. In een dergelijke richting wijst ook de sterk
verlaagde, ronde geschutstoren (15de eeuw), het enige dat van Ewsum (Middelstum) overbleef.

Onder de borgen worden ook huizen gerekend die geen middeleeuws verleden kennen: de Coendersborg (Nuis), Ekenstein (Tjamsweer), Rusthoven (Wirdum) en Nienoord (Leek). Evenals de 'echte' borgen waren zij door tuinen omringd: van de baroktuin (Menkema) tot de 19de-eeuwse Engelse landschapstuin (Ekenstein). In het geval van de Ennemaborg, Nienoord en de Coendersborg kan men zelfs van heuse landgoederen spreken.

Veenborgen en tichelborgen

Een geheel ander genre 'borgen' vertegenwoordigen de zogenaamde veenborgen, meest buitenhuizen van Groninger regentenfamilies of verveners in de Veenkoloniën (17de-18de eeuw). Bewaarde voorbeelden zijn Welgelegen (Borgercompagnie) en het bescheiden Vaartwijk (Westerbroek).
De Groninger Veenkoloniën zorgden voor een grote rijkdom bij veenbazen en andere eigenaren. Zij lieten vanaf de 17e eeuw grote buitenverblijven bouwen, die bekendstaan als veenborgen (bijvoorbeeld Welgelegen), maar waaraan doorgaans geen rechten waren verbonden. Ook daarvan werden de meeste later gesloopt. Daarnaast werden in die tijd ook tichelborgen gebouwd, waarnaast zich een tichelwerk (steenbakkerij) bevond, zoals De Brake, Rusthoven en Vliethoven. Een ander voorbeeld van een borg zonder rechten is Ekenstein, dat gebouwd werd in opdracht van een Groninger burgemeester.

Borgstee

De plek waar een afgebroken borg heeft gestaan is vaak nog goed herkenbaar in het terrein. De gracht is vaak nog aanwezig. Zo'n plek wordt borgstee of borgstede genoemd. In enkele dorpen wordt zo'n plek gekoesterd en tot monument verklaard.

In mei 2007 werd bekend dat archeologen in Uithuizen de restanten van een borg uit de 13e eeuw hadden gevonden. De grachtengordel en een deel van het fundament zijn nog intact. Mogelijk is dit de Takumaborg waarnaar de archeologen op zoek waren.

Zie ook Groninger Borgen Stichting.


Pageviews vandaag: 5.