Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Beleg van Delfzijl

Toen Napoleon het op 19 oktober 1813 moest afleggen tegen de verbonden volken, was men nog niet van de ellende af. Napoleon gaf zich nog niet gewonnen en zijn veteranen konden zich niet indenken dat het mogelijk was dat hun zegevierende keizer geen keizer meer was. Een van die enthousiaste veteranen was de commandant van de vesting Delfzijl. Hij heette Maufray en had het bevel over veertienhonderd man. Pas op 23 mei 1814 viel Delfzijl als laatste Franse bolwerk in ons land.

Ten tijde van de Republiek was Delfzijl een vesting met zes bolwerken. De dekking aan de havenkant was een muur, waarin de Waterpoort. Op 19 januari 1795 kwamen de eerste Fransen in Delfzijl; in 1799 is de grote kazerne gebouwd. Baron Chassé en Cort Heiligers dienden er als kapitein.

Napoleon achtte Delfzijl van het grootste belang; er konden veertig oorlogsschepen op de rede liggen. Hij gaf bevel tot het aanleggen van nieuwe werken tegen Engeland. In 1813 lag in Delfzijl een Franse bezetting van 1400 man, onder bevel van kolonel Maufray.

De vesting werd op 14 november 1813 ingesloten door Pruisen, Kozakken en de Nederlandse landstorm.
Pruisische troepen gingen over tot de belegering van Delfzijl en wierpen aan de landzijde versterkingen op. Aan de zeekant sloten Engelse schepen de toegang af. en de fanatieke Maufray beet door uitvallen van zich af.

In opdracht van de Prins van Oranje werd de bevolking opgeroepen om mee te helpen in de strijd tegen de vijanden. Aanvankelijk waren er vrijwilligers genoeg. Zo ook in Noordbroek en Zuidbroek. Op 29 november stelden zich achtentwintig mannen uit Noordbroek beschikbaar en uit Zuidbroek vijfentwintig. Meerdere ingezetenen van Zuidbroek stelden vrijwillig een vuurwapen beschikbaar: statengeweren met bajonetten, buksen en jachtgeweren en twaalf pieken werden gemaakt door stelmaker J.A. Atzema.

Op 3 december 1813 schreef de commandant van de Hollandse landweer aan de burgemeester van Zuidbroek het volgende:
'Verzoeke UEd. om hier een kleermaker te zenden om voor de manschappen van uw commune capotten te laten aanmeten. De communen Nieuwolda heeft reeds dezelve gezonden en de heer Prefect en de heer Wichers hebben gisteren aan een mijner sergeanten gezegd, alsdat, ik maar aan de heren maires moest schrijven om de capotten voor hun volk te laten maken. Dus verzoek ik u mits deze om aan mijn verzoek te voldoen uithoofde dat het volk hier verkleumt van de koude.
Gepasseerde zaterdag hebben wij weer een visite van de Fransen gehad. Zij hebben ons van twee kanten aangevallen, ten westen van Farnsum en van de dijkkant. Ik commandeerde aan de kant van Farnsum en wij zijn tot onder de bomen van Farmsum geweest en hebben het Franse vuur daar doen zwijgen.
Ons verlies is zeer gering geweest. De Pruisen hebben hen ook weer verdreven. Wij hebben een paard dood en vier geblesseerd. Een van de mijnen is licht gewond aan twee vingers. Thans zien wij geen Fransen meer. Zij komen wel tot de afgebrande molen, maar verder niet. Ik twijfel niet, of het bombardement zal zeer spoedig een aanvang nemen. De Engelsen hebben reeds geprobeerd of zij Delfzijl konden beschieten.'

op 14 december waren er niet voldoende vrijwilligers meer beschikbaar. Het was ook niet zulk aangenaam werk om in de winter Delfzijl te belegeren en de fanatieke aanvallen vand e Fransen af te slaan. Er werd toen een lijst opgemaakt van alle mannen van achttien tot vijftig jaar. Zij trokken een nummer en moesten beurtelings drie dagen dienst doen. Een week later werd dit van bovenaf georganiseerd. Bij het Reglement van Algemene Volksbewapening werd de landstorm ingesteld.

Inmiddels streed Napoleon nog door in Frankrijk tegen de verbonden volken. In angstige spanning volgde de wereld de stuiptrekkingen van het genie. Allerlei berichten en geruchten deden de ronde. In die situatie wilde de nieuwe overheid hier op de hoogte blijven van wat er werkelijk gebeurde. En op 7 februari 1814 vroeg de commissaris aan de burgemeester van Noordbroek om drie cavaleristen beschikbaar te stellen voor het overbrengen van berichten. Zij moesten genomen worden uit de landstorm en van goed gedrag zijn. Eltje W. Huisman, Homme E. Buuring en Gert I. Schepel stelden zich beschikbaar. Zij presenteerden zich op 10 februari des morgens 11 uur te Winschoten, behoorlijk opgezeten en gewapend.

Op 14 februari rapporteerde de commandant van de landstorm bij Delfzijl, dat P.I. Bos afwezig was en G.I. Timmer gewond. De burgemeester van Noordbroek gaf aan Bos de opdracht om zich weer te melden bij de commandant en hij stuurde een ander voor Timmer.

Op 23 maart werd oud linnen en pluksel gevraagd voor het hospitaal te Groningen. Daaraan was groot gebrek.

Op 10 april stortte het rijk van Napoleon in elkaar, maar het duurde nog tot 23 mei voordat Maufroy het geloven wilde. De Fransen gaven zich pas over toen het voor hen vaststond dat Napoleon afstand van de troon had gedaan (23 mei 1814). Hij wist nog te bedingen, dat hij eervol mocht vertrekken en de kanonnen en andere wapenen mocht meenemen. En zo vertrok hij op 24 mei naar het zuiden met zeventig officieren en duizend soldaten, te voet naar Frankrijk. Die stoet is toen ook door Noordbroek en Zuidbroek getrokken.

Delfzijl was de laatste Nederlandse plaats die door de Fransen verlaten werd; op 24 mei werd de stad plechtig in bezit genomen door G.W. van Imhoff, de Gouverneur van Groningen.
Twee dagen na het vertrek van de Franse bezetting gingen E.E. Edzes en anderen van Noordbroek land ploegenbij Delfzijl om de landbouwers daar weer op streek te brengen.

Bij de strijd om Delfzijl iser geen Noordbroekster gesneuveld, wel een verminkt namelijk Geert Fokkes Noordhof.

De vesting is in 1867 ontmanteld.


Eerste pageview van vandaag: 1