Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

beklemrecht

Beklemming is het gebruik van het land van een ander met de bevoegdheid daarop een huis, schuur en beplanting te hebben. Deze waren dan eigendom van de gebruiker, de meier. Voor het gebruik van de grond betaalde hij jaarlijks een huursom, canon, en in geval van vererving, huwelijk, doop van de kinderen of overdracht van het beklemrecht eveneens een bedrag (bijv. een extra jaarsom), geschenk geheten. De meier beklemde, door op het het door hem gehuurde land een huis te bouwen, de grond onder dat huis.

Sinds de 18de eeuw zijn beklemmingen meestal 'vast en altoosdurend', dus onveranderlijk en onopzegbaar. beklemming kwam vrijwel uitsluitend in de provincie Groningen voor.

Uko Walles en het beklemrecht
De bekende Uko Walles woonde als beklemde meijer op een boerderij van Jonkheer Lucas van Lissabon. De boerderij stond onder Noordbroeksterhamrik.
Nu waren in 1642 de pachtjaren om en volgens de regeling van het beklemrecht moest de eigenaar aan de beklemde meijer vergoeden de waarde van het op de grond gebouwde huis en van de aangebrachte verbeteringen. Daarover ontstond geschil en niet met Uko Walles zelf, want die was door zijn verbanning afwezig, maar met zijn vrouw Tjaktje Ulferts en zijn beide zoons Writzer en Harmen.
Tjaktje eiste vergoeding voor het huis, een stenen voetpas, geplaatste wringen, geplante heggen en bomen en verder de kosten van het graven van sloten en een gracht en de helft van de ingezaaide vruchten. Dit nam Van Lissabon niet. Er werden vier scheidsmannen benoemd. Hun uitspraak accepteerde Tjaktje niet. Van Lissabon wendde zich toen tot de rechter, de drost Valcke te Zuidbroek. En deze gaf opdracht aan Tjaktje om de boerderij met landerijen te ontruimen per 1 mei 1642.
Maar Tjaktje deed het niet. De wedman, de deurwaarder van het gerecht, moest er aan te pas komen. Op 3 mei ging hij naar het land van Uko Walles om het vee er uit te jagen. Toen hij de wring wilde openen, beletten de zoons van Walles dit en zijn zwager Sebo Bontkes. Toen ging de wedman naar de boerderij, maar Tjaktje weigerde te vertrekken, daarbij gesteund door Egge Walles, haar zwager. De wedman kon niets beginnen. Toen ging de drost er zelf heen met de landschrijver. Ook zonder resultaat. Tjaktje zou zich wel beroepen op Burgemeesters en Raad van Groningen. Die stelden haar echter niet in het gelijk en de drost moest er wel weer heen, samen met vier dienders en een aantal helpers. De bwoners van de boerderij zagen hen aankomen en trokken zich terug. De drost liet de meubels uit het huis zetten, het vuur in de haard doven en het vee uit het land jagen.
Nu was er in die tijd grote spanning tussen de kerspels en de stad Groningen. En de familie Walles kreeg hhulp onder anderen van Sebo Huninga van Midwolda en Doede Edzes van Noordbroek. De drost had het Oldambster landrecht geschonden! Met de steun van anderen achter zich, had zoon Writzer het vuur in de haard weer aangestoken, een bed in de kamer geplaatst en de boerderij weer betrokken. Ook de dieren liepen weer in de weide. Dit duurde tot augustus en het koren werd rijp.
Van Lissabon wilde het inhalen, maar hij kon er niet bijkomen: de wring was vastgezet met een groot slot. De diender van de drost, Carel Boldewijns, wist de sleutel te krijgen van een zuster van Tjaktje. Maar nauwelijks had Boldewijns de wring geopend en zich verwijderd of Harm Ukes begon het koren weg te halen. Hij mende het door Noordbroek naar een schuur van Cornelis Engelberts. Op 30 augustus kreeg de drost een berisping van Burgemeesters en Raad van Groningen. Hij moest die zaak bij de kop pakken en de wring maar afzagen of uit de grond gooien.
Op 31 augustus ging de diender Boldewijns weer op stap. Hij spijkerde de wring dicht met ijzeren krammen, zodat de familie Walles niet langer kon inhalen. Maar de diender was nog maar nauwelijks uit de voeten toen de knechten van Walles, Geert Jacobs en Marten Crodde, de krammen met een koevoet openbraken en de zaak voortzetten. De drost nam krassere maatregelen. Alle dienders van de omliggende dorpen met hun plaatsvervangers werden opgeroepen. En acht man sterk gingen zij naar de boerderij. De knechten Geert Jacobs en Marten Crodde gingen er vandoor. Zij vluchtten naar de herberg van Arent Jans Guldenarm. Inmiddels hadden zij om hulp geroepen en van allr kanten kwamen de Noordbroeksters opzetten met vorken, stokken en kettingen. Geert Jacobs ronselde Boldewijns af met een kodde, een stok. De menigte werd woedend. Totdat Doede Edzes kwam en de mensen kalmeerde.
De strijd duurde tot 1644. Toen werd Uko Walles weer verbannen. En hij overleed in 1653 in Oost-Friesland.


Eerste pageview van vandaag: 1