Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 02-10-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

begraven

Met de komst van het christendom werd de voorheen gangbare lijkverbranding verboden. De gewoonte ontstond om overledenen in en rond kerken in gewijde grond te begraven. Met de voeten oostwaarts wachtten de doden op de Jongste Dag. In het bijzonder geestelijken en vooraanstaanden kregen in het godshuis hun graf. Ondanks groeiend verzet hiertegen, ook vanuit de officiële kerk, bleef men lang begraven in de kerk.

Rijken werden vaak 's avonds bij fakkellicht begraven (bijv. Rudolf de Mepsche in 1754 in de Martinikerk te Groningen).

Met de revolutie van 1795 kwam een verbod op begraven in de kerk, dat echter in 1813 weer werd opgeheven. Koning Willem I verbood het opnieuw in 1827.
Vanaf het begin van de 19de eeuw werden derhalve buiten de steden en dorpen begraafplaatsen aangelegd. In de stad Groningen stammen de Noorder- en Zuiderbegraafplaats uit 1827.

In 1869 kwam de Wet op de lijkbezorging, waarin zaken met betrekking tot dood en begraven werden geregeld.
Veel kleine dorpen in Groningen kregen in het begin van de 2oste eeuw een begraafplaats, soms gekoppeld aan het oude kerkhof (Zuurdijk, Meeden), soms buiten het dorp (Huizinge, Eenum). Joden hadden altijd al begraafplaatsen buiten de bebouwing.

In de Middeleeuwen werden doden eerst in een laken begraven, later in een doodskist. Aanzienlijken kochten een sarcofaag, een stenen doodskist die meerdere keren gebruikt kon worden. De meeste doden werden eertijds zonder grafteken begraven en lagen niet lang in hun 'rotting' of 'vertering', zoals een graf ook wel heette. Na verloop van tijd werd er geruimd en werden de beenderen in een knekelhuis of in een gezamenlijk graf bewaard.

Bij het huwelijk kreeg men al een doodskleed (hennekleed) en planken voor de doodskist.

Tot in de 20ste eeuw werd de begrafenis door de buurtschap uitgevoerd. Het afleggen, leedaanzeggen, klokluiden, vervoer en begraven, evenals het bezorgen van het begrafenismaal was noaberplicht (burenplicht), vastgelegd in
kluftwetten. De dode werd met de voeten naar voren het sterfhuis uitgedragen. Onder klokgelui ging men naar het kerkhof. Nadat men driemaal, met de zon mee, om het kerkhof was gelopen, vond de teraardebestelling plaats. De vrouwen waren gehuld in een zwart regenspraid (doodssprei). In het kraambed overleden vrouwen werden onderhands gedragen; zij kregen ook een wit doek op de kist. Na de begrafenis was er voor genodigden in het sterfhuis een begrafenismaal, utigst of leedbier genoemd. Voor de kluftburen die geholpen hadden, was er een kluftsbier.

Tegenwoordig verzorgen begrafenisverenigingen of -ondernemingen de uitvaart en is voor velen cremeren een alternatief. In Nederland vond de eerste crernatie in 1914 plaats; het Groninger crematorium dateert uit 1960.

Zie ook grafcultuur, rouwgebruiken.


Eerste pageview van vandaag: 1