Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 20-08-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Bataafs-Franse Tijd

De Bataafs-Franse Tijd (1795-1813), onder te verdelen in: 1795-1806, Bataafse Republiek (het laatste jaar onder raadpensionaris Schimmelpenninck); 1806-1810, Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon; 1810-1813, inlijving bij Frankrijk. De Bataafs-Franse tijd valt grotendeels samen met de Napoleontische tijd (1799-1815) en vormt een moeizame, verwarrende en economisch rampzalige periode in onze geschiedenis.

In Frankrijk zijn in 1789 de revolutionaire beginselen tot uitbarsting gekomen. Onder de leus vrijheid, gelijkheid, en broederschap werd de Bastille, de Parijse gevangenis, veroverd. Er bevonden zich zeven gevangenen in, waarvan gene om politieke redenen. Vijf jaar later was er een schrikbewind in Frankrijk waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Veertig gevangenissen in Parijs zaten tot de nok toe vol. Iedereen waarvan werd verondersteld dat hij andere gedachten had werd opgesloten.
En de guillotine werkte zonder ophouden. In april 1794 zaten 7541 mannen en vrouwen gevangen in Parijs. In de eerste zeven maanden van dat jaar werden 2400 mensen onthoofd, vastgebonden op een plank. De afgekapte hoofden vielen in een mand met zaagsel. Niemand voelde zich veilig. Totdat men terugdeinste voor zoveel consequentie. Toen was men bereid met minder toepassing van de beginselen genoegen te nemen, als er maar orde kwam. Jaren van aarzeling, wanorde, honger en ellende volgden en uiteindelijk kwam in 1799 Napoleon. eerst als consul en vijf jaar later als keizer. Hij liet zich daartoe benoemen door de senaat die werd bekrachtigd bij volksstemming.. Zo kon hij ten allen tijde tegen het Franse volk zeggen: 'Ik ben door u aangewezen om te regeren en om u te redden van de chaos en de ondergang.' Dat maakte hem sterk, in zijn eigen overtuiging en in die van het volk. En hij kon zich handhaven zolang hij overwon op de slagvelden. Maar in oktober 1812 kreeg hij de eerste tik van Rusland en in oktober 1813 de genadeslag bij Leipzig.

In ons land werden in 1795 de Franse soldaten met gejuich ingehaald door de patriotten. De prinsgezinden van de Spiegel en Bentinck werden gerarresteerd, maar tot de valbijl kwam het niet. Het was al in de tijd van de aarzeling.

Toch waren de ideeën nog niet overal gekoeld. Op vele plaatsen werd nog een vrijheidsboom opgericht, versierd met linten en een hoed in de top en met allerlei opschriften in verband met de vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zo'n vrijheidsboom heeft er ook te Zuidbroek gestaan bij het begin van de Kerkstraat, tussen hotel Buining en de wagenmakerij van Atzema. Ook werd te Zuidbroek een comité révolutionaire opgericht, waarvan een tijdlang een zekere A. Ogterop secretaris van is geweest, die later ook senator genoemd werd van het eerste gemeentebestuur.
En wie hebben die vrijheidsboom hier opgezet en wie hebben dat comité révolutinaire opgericht? Kasteelheren waren hier niet. Van uitbuiting van de gewone man lezen wij nergens. De vrijheidsboom is hier gepoot door mensen die gestudeerd hadden en die de ideeën van Voltaire, Rousseau en Montesquieu hadden ingedronken. Die noemden zich patriotten en waren Fransgezind. De gewone man wilde daar niets van weten.
En het inhalen van de Fransen heeft betekend, dat onze voorouders alle ellende met Frankrijk hebben moeten delen, toenemende armoede en een ondrageijke dictatuur. Die werd het ergst toen Napoleon hier keizer was, in de jaren 1810 tot 1813.

De 'Bataafse revolutie' kreeg geen vaart omdat, toen ze plaatsvond, in Frankrijk het revolutionaire vuur al was gedoofd. De aanvankelijk vrij algemene geestdrift liep uit op een teleurstelling, uiteindelijke berusting en onverschilligheid. De 'revolutionairen' waren bovendien onderling verdeeld. De federalisten wilden behoud van de gewestelijke zelfstandigheid, terwijl de unitarissen een sterke centralisatie verlangden. De moderaten stonden daar tussenin.
Hervormingen kwamen moeizaam tot stand en waren dikwijls kortstondig van aard. Verschillende staatsgrepen deden de volksinvloed geleidelijk verdwijnen.
Doordat ons land betrokken werd in alle oorlogen van Frankrijk, liepen handel en nijverheid sterk terug. De toenemende Franse druk bevorderde de onderlinge toenadering tussen de partijen. Oranjegezinden waren na ca. 1806 weer politiek welkom.

Groningen

In Stad en Lande vertegenwoordigden de verenigde burgersociëteiten de unitaristische partij, tegenover de overwegend federalistische bestuurders. Spreekbuis van de unitarissen was de Onverwachte Courier. De unitaristische staatsgreep van januari 1798 maakte een einde aan de provinciale onafhankelijkheid. Deze maatregel bleef gehandhaafd, ook na een gematigde tegencoup in juni 1798. Stad en Lande werd eerst een onderdeel van het departement van de Eems, onder een zogenaamd 'Intermediair Administratief Bestuur' in Leeuwarden. Na 1801 ontstond, met de oude gewestelijke grenzen, op den duur het departement Groningen. Landdrost, vanaf 1811 prefect, werd H.L. Wichers. In 1811 werd Groningen met Drenthe en het aangrenzend gebied tot de Eems, het departement van de Westereems.

In het eind van juni 1809 kwam er een aanschrijving van de landdrost met verzoek om een algemene dank- en bededag te laten houden in verband met de oorlogvoering van Zijne Majesteit de keizer Napoleon. Deze had een grote overwinning behaald op de Oostenrijkers bij Wagram en daarvoor moest gedankt worden en voor zijn verdere voorspoed moest gebeden worden. Maar ons land was nog niet bij Frankrijk ingelijfd en het gemeentebestuur van Noordbroek durfde het nog aan om zich niet aan dit verzoek te storen. Het werd voor kennisgeving aangenomen.

Op 6 juli 1809 was er een aanschrijving van de kwartierdrost. Alle soldaten die zich op meer dan een uur afstand van hun legers of garnizoen bevonden, moesten aangehouden worden. Hun moest gevraagd worden, of zij van een behoorlijke pas voorzien waren. Wanneer de aangehoudene een deserteur was, stond er een premie van vier dukatons op zijn aanhouding. Het gemeentebestuur gaf opdracht aan de bode en aan de roroede om de zich in de gemeente bevindende militairen aan te houden.

Op 15 juli 1809 ontvingen de gemeentebesturen weer een schrijven van de kwartierdrost. Alle middelen moesten in het werk worden gesteld om deserteurs te arresteren. Als uit de vesting Delfzijl een soldaat mocht deserteren, werd dit door schieten met een kanon te kennen gegeven en moesten de nodige maatregelen worden genomen. De bode kreeg opdracht om er op te letten als er geschoten werd.

Op 13 augustus verzocht de kwartierdrost met de meeste aandrang aan de gemeentebesturen van Noorbroek en Zuidbroek om elk een man met twee paarden te leveren. Dat was een onderdeel van een levering door dit departement van drieëndertig man en zesenzestig paarden. Die moesten geleverd worden op zaterdag 19 augustus bij de stalhouder R. Schattenburg, buiten de Ebbingepoort te Groningen. Voor een goedgekeurd paard werd uitbetaald 150 a 180 gulden en een goedgekeurde man kreeg een dukaat, benevens een daggeld van acht stuiver en vrij kost en klederen gedurende de campagne. Het geld voor aankoop van de paarden en de premie voor de man moest de gemeente verschaffen. En de gemeente moest het geld eerst maar lenen en dan omslaan voor de ingezetenen. Noordbroek loste het zo op: de raadsleden Scholte Sebes en Habbe Sijbolts kregen opdracht van de Raad om twee paarden te kopen op de Damster paardenmarkt; de voorzitter en de secretaris van de Raad kregen opdracht om te zorgen voor een man. Roelf Uildriks en Geert P. Middel gingen er toen op uit om een man aan te werven. Zij vonden er een te Groningen voor negentig gulden plus een dukaat.

In het midden van augustus 1809 moest door het departement Groningen en Drenthe een bataljon vrijwilligers geleverd worden; hiervan kwamen ten laste van Noordbroek 7 en van de gemeente Zuidbroek, waarbij toen ook Meeden en Muntendam hoorden, 16. De mannen moesten tussen 18 en 40 jaar oud zijn, gezond en fris en niet kleiner dan vijf voet en twee duim. Zij moesten dienen tot zolang de vijand het gehele grondgebied van het rijk had ontruimd. De vrijwilliger kreeg tachtig gulden handgeld. Dit werd voor de helft uitbetaald na goedkeuring door de luitenant-kolonel van Horn te Groningen en de andere helft bij het uitmarcheren. De gemeentebesturen moesten ten spoedigste werkzaam zijn tot het formeren van het gewenste getal. Om de recruten te krijgen, werden verschillende middelen aan de hand gedaan: werfhuizen inrichten en daar of in cafe's de jongens trakteren en premies beschikbaar te stellen.
Noordbroek nam wervers in dienst: Thone Jager te Noordbroek, Drewes Ottes te Noordbroek, Luichien I. Groten te Pekela en Rotgert Derks te Noordbroek. De wervers kregen voor elke geleverde vrijwilliger drie dukaten en vijftig stuiver drinkgeld en verder daggeld van dertig stuiver. toen het bleek, dat er haast geen vrijwilligers te vinden waren, werd de premie voor de wervers verhoogd en het handgeld voor de vrijwilligers steeg tot boven de tweehonderd gulden. Inmiddels stuurde de kwartierdrost een brief: lever de manschappen toch voor de twintigste september. het gemeentebestuur van Noordbroek antwoordde: 'wij hebben al vijf wervers aangesteld en weten niet meer bij de hand te vatten.' Inmiddels werd het onrustig in de gemeente. Op 27 augustus 1809 kwam er inkwartiering van gendarmes in de gemeente ter handhaving van de orde. Die inkwartiering bestond uit een officier en acht gendarmes. Zij werden ingekwartierd bij Harm Derks Kubbe, Boele Derks en weduwe Jan Takes. En de burgemeester deelde in de gemeenteraad van 2 september mee, dat de kwartierdrost bij hem geweest was en hem op het hart gedrukt had om onmiddellijk aan de procureur-generaal kennis te geven, als er opruiende of kwade gesprekken plaats vonden in de gemeente.
Op 7 september kreeg Noordbroek bezoek van de landdrost en de kwartierdrost, vergezeld van een officier, zes gendarmes en een bode. De Raad moest dan aanwezig zijn en aan de bezoekers moest eten worden verschaft en een nacht logies. Noordbroek heeft uiteindelijk aan zijn verplichtingen ten aanzien van het levere van vrijwilligers kunnen voldoen.
Zuidbroek legde het anders aan. Om te beginnen plaatste zij een advertentie in de Groninger Courant, waarin zij vrijwilligers opriep die gengen waren in 's konings dienst te treden. Premie honderd en vijftig gulden en vier dukaten. verder werd een commissie uit de gemeenteraad aangewezen die samen met de drost zitting zou houden in het logement van Rosken Geert Heijer te Zuidbroek om manschappen te werven. Tenslotte nam Zuidbroek ook nog drie wervers aan: Harm Kubbe, Klaas Mulder en Michiel IJsselmuiden. Een der wervers kwam aanzetten met een vrijwilliger: Kornelis Egberts, geboortig van Vollenhove. Maar bij de aanmelding bleek, dat die Egberts al eens uit de dienst ontslagen was wegens slecht gedrag. Het gelukte Zuidbroek tenslotte niet om meer dan veertien man te leveren, dus twee tekort. Daarvoor moest de gemeente tweemaal vijfenzeventig gulden betalen.

11 November 1809 was er weer wat bijzonders. De garde van Zijne Majesteit moest gecompleteerd worden. Op elke tweeduizend van het rijk moest een recruut worden geleverd. Scheemda en Noordbroek samen twee, en Zuidbroek, samen met Muntendam en Meeden, ook twee. Die werving is niet tot tevredenheid van de superieuren verlopen. Soms werden landlopers of slechte sujetten opgeleverd, die er met de militaire kledingstukken vandoor gingen, zodra zij het handgeld te pakken hadden.

In de vergadering van het gemeentebestuur van Noordbroek van 30 november 1809 werd een schrijven behandeld van de kwartierdrost; de gemeente moest negentienhonderd gulden opbrengen. Dit bedrag was zo hoog vanwege de kosten veroorzaakt door de Franse bezetting. Het gemeentebestuur besloot dit bedrag om te slaan over de ingezetenen. Zelfs de knechts en zoons van boeren en burgers moesten meebetalen, als zij vijftig gulden of meer per jaar verdienden.

In de maand maart van het jaar 1810 ontvingen de burgemeesters een schrijven van de landdrost: 'Op de eerste van de grasmaand zal worden ingezegend het doorluchte huwelijk van Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit Napoleon en de aartshertogin Maria Louisa van Oostenrijk.' Er werd uitdrukkelijk last gegeven om deze grote gebeurtenis op een godsdienstige wijze te vieren. 'Deze verbintenis is in haar gevolgen zo eigenaardig geschikt om de zo wenselijke rust en vrede op het vaste land te verzekeren, het geluk van Frankrijk te volmaken en tevend de volkeren die aan hetzelve verbonden zijn, in de voorspoed van het grote rijk te doen delen.' De gemeentebesturen moesten er voor zorgen dat door de leraren der onderscheidene godsdienstoefeningen op zondag de eerste van grasmaand 'het Opperste wezen eerbiedig worde gedankt en de zegen van de Algoede daarover afgesmeekt en bij diegenen die zulks gewoon zijn meer bijzonder door het aanheffen van een plechtig Te Deum.' het gemeentebestuur van Noordbroek gaf deze last door aan de beide predikanten.

Op 21 mei 1810 kwam er een detachement Franse soldaten van de afdeling jagers tepaard in Noordbroek. Het bestond uit een wachtmeester en vijf jagers met zes paarden. Volgens de lijst van inkwartiering werden zij ondergebracht bij de ingezetenen die stallen hadden. Na elke acht dagen zouden zij verplaatst worden. Op 23 mei kwam er nog een groep Franse jagers, die ook ingekwartierd moesten worden.

De inlijving
Inmiddels was de grote Keizer niet tevreden over de gang van zaken: er werd nog te veel smokkelhandel gedreven met Engeland; er waren te veel deserteurs; er moest strenger opgetreden worden. En toen kwam op 9 juni 1810 het decreet: 'het koninkrijk Holland is met het keizerrijk verenigd'. De predikanten Van der Tuuk en Ten Kate werd gelast door tussenkomst van burgemeester Hiltjes, dat zij voortaan bij de openbare godsdiensten bidden moesten voor de Keizer der Fransen.

Na de inlijving golden hier de Franse wetten. Zij werden gepubliceerd in het Frans met een Hollandse vertaling ernaast. De burgemeester werd maire genoemd. Hij kreeg zijn meeste orders van de onder-prefect te Winschoten en van de prefect van het departement van de Wester-Eems te Groningen. Voor belangrijke zaken kon de maire de gemeenteraad raadplegen. De gemeenteraad werd municipale raad genoemd. De maire en de municipale raad werden benoemd door de prefect. Dit was het burgerlijk bestuur. Daarnaast stelde Napoleon een militair apparaat in, waar de maires hoe langer hoe meer mee te doen kregen. De orders van Winschoten kwamen vaak per piéton, voetbode, en die van de militaire autoriteiten per estafette, bode te paard. De arrondissementen waren nog weer ingedeeld in kantons. Noordbroek en Zuidbroek vielen onder het kanton Zuidbroek, later kanton Veendam.

In juli 1810 kwamen er twee inkwartieringen te Noordbroek. Eerst moest een nacht onderdak verleend worden aan het zesde regiment, bestaande uit 3 kapiteins, 7 luitenants, 7 oppassers, 24 sergeants en 334 korporaals en soldaten. De komst van de soldaten werd een dag tevoren door een estafette aangekondigd. De burgemeester riep onmiddellijk de gemeenteraad bijeen. Besloten werd: de inkwartieringsbiljetten klaar te maken, de Jood te laten aanzeggen om een jong en vet runderbeest te slachten en de broodbakkers om zeshonderd pond goed zuiver brood te bereiden.
Op dezelfde wijze werd een nacht onderdak verleend aan het drieëntwintigste regiment jagers te paard.

Op 7 augustus zond de landdrost een schrijven rond aan de burgemeesters, waarin er op gewezen werd, dat de desertie zich in dit departement op buitengewone wijze openbaarde. 'De desertie wordt begunstigd door de gemakkelijkheid die de militairen hebben om hun kledingstukken aan de ingezetenen te verkopen en de zekerheid, waar zij de reizen niet te worden aangehouden door de agenten van de politie.' Strenger maatregelen moesten worden genomen.

Op 8 september 1810 werden er grote plakkaten aangeplakt in de beide gemeenten over het inkwartieren van troepen die op last van Zijne Majesteit de Keizer marcheerden. 'De inkwartiering van troepen, die korpsgewijs op order van Zijne Majesteit marcheerden, zal slechts een kortstondige last zijn, welke kortstondige last in alle landen wordt ondervonden en ook, zonder de publieke zekrheid in gevaar stellen, niet kan worden gemist. Vertrouwd wordt, dat de ingezetenen van dit departement zich naar de drang der omstandigheden zullen schikken, zich verzekerd houdende van de gunst en welwillendheid van Hoogstgedachte Zijne Majesteit.' Dit plakkaat werd ook voorgelezen in de kerken. En de volgende maand, daar kwamen ze al. Op de 27e oktober kwam het achtste regiment Franse huzaren te Zuidbroek, totaal 870 man en 920 paarden. Zuidbroek mocht hiervan een gedeelte doorzenden naar Noordbroek, Meeden en Scheemda. Noordbroek kreeg 349 man en 380 paarden. Het gemeentebestuur besloot mannen en paarden ook maar gedeeltelijk onder te brengen bij kasteleins en minvermogenden die stallingen voor paarden hadden. Deze minvermogenden zouden dan een vergoeding krijgen: 30 stuiver voor ieder paard en 40 stuiver voor iedere man.
Op 30 oktober kwam ook het zestiende regiment Franse jagers een nacht logeren. Volgens orders van de maarschalk van Reggio moesten de ingekwartierde troepen zich tevreden stellen met een zestiende pint jenever, 24 ons brood, 2 ons peulvruchten, 8 ons vlees en een kan bier per dag.

Op 30 oktober kwam er een bode te paard voor de burgemeester van Zuidbroek.'De dienst van Zijne Keizerlijke Majesteit vordert dringend, dat onverwijld drie loodsen naar de haven van Delfzijl worden getransporteerd.Daar de wegen in slechte staat zijn, moet in elke gemeente een fris stel paarden beschikbaar worden gesteld.'
De burgemeester ging op de lijst van rekwisities na, wie aan de beurt was. Hij maakte een vorderingslijst op voor de betrokken landbouwer. En deze moest des middags om een uur met een goed voorspan bij het huis der gemeente verschijnen. Hij moest dan naar Noordbroek rijden en daar stond weer een fris span klaar.

In het eind van november kwam er een geheel andere order aangaande.
'de gelukkige zwangerheid van Hare Majesteit de Keizerinne. De godsdienstige gemeenten moeten in de openbare godsdienstoefeningen de Hemel danken voor dit zo belangrijke en heugelijke evenement en bidden voor het behoud en de welstand van Hare MAjesteit de Keizerinne.'
En toen de zoon van Napoleon geboren werd, luidden overal de klokken. En de schatbeurder van Noordbroek noteerde in zijn protocol een gulden en een stuiver voor vertering bij het luiden van de klokken.

Intussen waren er herhaaldelijk inkwartieringen van ordonnansen of van kleine groepen doortrekkende militairen, passanten genoemd. Te Zuidbroek werd daar een vast lokaal voor ingericht om te voorkomen, dat de ingezetenen die aan de heirbaan woonden, daar altijd mee belast werden.

Toen, in het voorjaar van 1811, begon het nog meer te knijpen. Zijne Majesteit de Keizer had plannen. Welke, dat was niet bekend. Maar op 28 januari kwam er een order van een onder-prefect:
'Ik vind mij door de heer prefect gechargeerd met de alleszins gewichtige last om door u te doen opmaken de nominatieve lijsten van alle jongelieden welke op de 1e januari 1811 de ouderdom bereikt hebben welke voor de conscriptie is bepaald. Deze missive is dan dienende om u tot het, met de meeste spoed, bewerkstelligen van deze maatregel op de allerernstigste wijze aan te schrijven, vermits ik niet kan nalaten om u voor de nauwkeurige en prompte uitvoering daarvan persoonlijk verantwoordelijk te stellen en waaraan door u een groot gewicht behoort gehecht te worden, vermits er geen staatswet is, in welks nauwkeurige uitvoering Zijne Majesteit de Keizer meer belang stelt en waarop Hoogstdezelve met meer gestrengheid doet toezien. Ieder manspersoon, welke op de 1e januari van 1811 de ouderdom van negentien jaren heeft bereikt en derhalve geboren is op de 1e januari 1791 tot en met de 31e december van datzelfde jaar, behoort tot de conscriptie en zulks zonder enige uitzondering, zodat noch gestalte, noch lichaamsgestel, noch enige omstandigheid, noch beroep, noch stand, hem kunnen verschonen van op de lijst der opgeschrevenen gebracht te moeten worden. Als een der eerste en voornaamste plichten in deze materie moet noodwendig worden gehouden de inachtneming van een stipte rechtvaardigheid. Geen omstandigheid kan er zijn, waarin op de nauwkeurigste oplossing van deze plicht met meer klem wordt aangedrongen dan bij de conscriptie. Het vrijwillig en oogluikend aflaten van iemand van de lijst en het daardoor onttrekken van een zodanige aan de wetten van de conscriptie, ja zelfs de nalatigheid van een ambtenaar in het nasporen van hen welke onder de conscriptie begrepen zijn, zijn niet alleen zoveel misdaden tegen de staat, maar nog meer tegen de families, aangezien het contingent hetwelk door Zijne Majesteit wordt gevorderd, ten volle moet worden geleverd. Wanneer men een conscrit van zijn verplichting ontslaat of vrijlaat, doet men de last daarvan neerkomen op een ander, die daarvan ontslagen had kunnen zijn, waardoor deze misdadige toegevendheid ten voordele van de ene familie alleszins moet werken ten nadele van een andere.
De wet bepaalt wel onderscheidene gevallen van vrijstelling en uitzondering, maar de toepassing van dezelve vindt geen plaats dan wanneer de conscriptie bewerkstelligd wordt. De gemelde uitzonderingen en vrijstellingen moeten in geen aanmerking komen bij het opmaken der lijsten en hij die met het opmaken der lijsten belast is, heeft geen recht of bevoegdheid om over die vrijstellingen of uitzonderingen te oordelen en ingeval hij zulks deed, zou hij zijn macht te boven gaan en zich zelf verantwoordelijk stellen.'

In Noordbroek gingen de leden van het gemeentebestuur zelf rond bij de huizen, twee aan twee. Zij vroegen aan de hoofden der huisgezinnen de leeftijd van de zoons. De opgegeven leeftijd werd vergeleken met de doopprotocollen van de kerken. En voor de elfde februari was de volgende lijst bij de onder-prefect:Arend Augustinus Atzema, wagenmaker, zoon van Augustinus Arends en Abeltje Eltjes
Jan Abrams Bijleveld, boerenknecht, zoon van Jan Folkerts en Trijntje Jans
Klaas Dolfijns Brust, boerenknecht, zoon van Dolfijn Ebels en Marieke Lodewijks
Anthonij Jans Buitenkamp, boerenknecht, zoon van Jan Sjabbes en Rigste Klasens
Tonnis Derks Graalman, wieldraaier, zoon van Derk Hindriks en Rebekka Tonnis
Eppe Rembts Hamster, landbouwer, Zoon van Rembt Egberts en Aaffijn Harms
Nanne Jans Koek, wagenmaker, Zoon van Jan Nannes en Aimt Hilkes
Hindrik Klasens Kolk, boerenknecht, zoon van Klaas Tjaats en Geeske Hindriks
Egberts Jans Kloppenborg, schoolmeester, zoon van Jan Jans en IJtze Edzes
Heine JAns Koning, omzwerver, zoon van Jan Jacobs en Willemke Heines
Jan Friedriks, kleermaker, zoon van Friedrik Dieters en Wupke Alberts
Uuldrik Jans Uuldershof, boerenknecht, zoon van Jan Uuldriks en Freeks Tiessens
Derk Hindriks Wedeman, boerenknecht, zoon van Hindrik Derks en Jantje Jans
Hindrik Klasens Vries, boerenknecht, zoon van Klaas Derks en Trijntje Hindriks
Willem JAns Venema, landbouwer, zoon van Jan Fokkes en Anje Willems
Jan Geerts Vos, boerenknecht, zoon van Geert Harms en Kunne Jans

Zuidbroek deed het weer anders. Daar werd een bekendmaking aangeplakt en voorgelezen in de kerk:
'Het bestuur der gemeente Zuidbroek doet te weten, dat tot formeren der lijsten voor de conscriptie door gecommitteerden uit het bestuur zal worden gevaceerd op eerstkomende woensdag de 6e dezer ter gewone vergaderplaats bij de kastelein Muller voor de middag van 9 tot 10 uur voor de drie gilden van Uiterburen, van 10 tot 11 uur voor de vier gilden van Zuidbroek, van 11 tot 12 uur voor de gilde van het zogenaamde Oostereinde. En gemerkt het te duchten is dat sommige ingezetenen, door een ontijdige vrees misleid, deze verplichting zullen trachten te ontduiken door onder het ene of andere voorwendsel achter te blijven of verkeerde opgaven te doen, zo vindt het gemeentebestuur zich genoodzaakt dezulken ernstiglijk onder het oog te brengen, datt een zodanige poging het niet kan nalaten haar doel te missen niet alleen, maar inderdaad nergens anders toe zou dienen dan om hen en welicht tevens hun ganse familie in de treurigste ongelegenheid te brengen, vermits er geen staatswet is, in welker nauwkeurige uitvoering Zijne Majesteit de Keizer meer belang stelt en waarop Hoogstdezelve met meer gestrengheid doet toezien.'

En in Zuidbroek gingen tien jongens naar het gemeentehuis om zich te laten inschrijven. Het waren:
Heike Emmes ten Berge, boerenknecht, zoon van Emme Roelfs en Anke JAkobs
Derk Jans Baas, boerenknecht, zoon van Jan Derks en Jantje Alberts
Edzo Harms Oosterman, muzikant, zoon van Harm Ezes en Annechien Everts
Johan Hendriks Kleune, boerenknecht, zoon van Johan Herman en Catharina Maria Eilermans
Fokko Everts Heikens, landbouwer, zoon van Evert Udes en Elsjen Hendriks
Jan Hendriks Hooijer, boerenknecht, zoon van Hendrik Jans en Grietje Eltjes
Hendrik Harms v.d. Veen, weversknecht, zoon van Harm Hendriks en Diever Eltje,
Johan Jakob de Sitter, student in de rechten, zoon van Albert Johan en Hebbelina Drews
Geert Roelfs Doddema, boerenknecht, zoon van Roelf Geerts en Roelfje Derks
Jurjen Ottes Ottens, boerenknecht, zoon van Otto Renken en Albertje Jurjens
Het viel de burgemeesters, de raadsleden, de lotelingen en de ouders zeer moeilijk om aan de bevelen van Zijne Majesteit te voldoen. Zij zullen zich vastgeklampt hebben aan een zinnetje uit de brief van de onder-prefect: 'Er is vooralsnog geen reden om te verwachten, dat de conscriptie in Holland zeer spoedig zal moeten plaats hebben.' En zij deden allemaal wat hun bevolen werd. Uit vrees voor de grote Keizer en zijn straffen. En het zou nog erger worden.
De inschrijvingen voor de lichtingen 1809, 1810, 1812 en 1813 kwam er spoedig achteraan. Er heerste grote spanning in beide gemeenten en overal. De onwil om zich te melden was groot. Meestal verschenen de lotelingen zelf in tegenwoordigheid van een der ouders. Soms bleven de lotelingen weigeren, maar durfden de ouders de gevolgen niet aan. En dan verscheen maar of de vader of de moeder. En dan werden alle bijzonderheden opgeschreven van de loteling, met volledig signalement, en van de ouders.

Op 9 februari 1811 ontvingen de burgemeesters van Noordbroek en Zuidbroek een order, dat zij samen moesten leveren een kanonnier-kustbewaarder met een plaatsvervanger. De burgemeester van Noordbroek riep de raad bijeen in buitengewone zitting. Besloten werd de ouderlieden van de gilden op te dragen om langs de huizen te gaan van hun kluft met de mededeling, dat iedere man in de leeftijd van vijfentwintig tot vijfenveertig jaar zich moest melden in het huis van de gemeente. De Raad besloot ook om een commissie in te stellen om behulpzaam te zijn voor het vinden van remplacanten, plaatsvervangers. Deze keer ging de bui voorbij voor Noordbroek. Bij loting werd Zuidbroek aangewezen voor levering.

De hoop dat het wat mee zou vallen met de loting en de inlijving, werd spoedig de bodem ingeslagen. In februari en maart kwamen er weer decreten af. Het eerst moesten er aan geloven de zeelieden en de lotelingen van de lichting 1808. Dit departement moest driehonderd zeelieden leveren tussen vierentwintig en negenenveertig jaar vor bemanning van verschillende schepen. Het transport naar Amsterdam of Rotterdam moest door de militaire agenten zelf worden verzorgd. Als er op mars verliezen mochten komen door desertie of overlijden, moest de prefect voor vervangers zorgen. Die kon de verliezen op de gemeente verhalen. Het arrondissement Winschoten moest van de lichting 1808 vijfentachtig man leveren, waarvan het kanton Zuidbroek tweeënwintig. Vol spanning gingen de jongens naar de loting, die op 14 maart plaats vond te Zuidbroek. De gemeentebesturen moesten de lotelingen vergezellen. Wie de laagste nummers trokken moesten dienen. De tweeëntwintig jongens die aanlootten moesten zich op 4 april des morgens om acht uur in het stadhuis te Groningen melden. Daar vond de schifting plaats tussen land- en zeedienst. De volgende dag te acht uur was er gelegenheid voor het stellen van remplacanten. Het lid van de Raad Habbe Sijbolts en secretaris W.R. Middel vergezelden de lotelingen naar Groningen. Op 9 april volgde de inlijving in de Martinikerk en de 10e april trokken de jongens reeds uit, naar de onbekende slagvvelden. Ieder moest een paar goede schoenen bij zich hebben en een zak.

Inmiddels kwamen er nog enkele orders af:
7 april 1811. Aan de doortrekkende troepen moet verleend worden een plaats bij het vuur, licht en logement, zonder dat daarvoor vergoeding wordt verstrekt.
12 april 1811. Een opgaaf moet worden verstrekt van de bevolking van de gemeente, met onderscheiding van mannen en vrouwen, gehuwd of ongehuwd, weduwnaar of weduwe, godsdienst en het nummer van het his.
18 april 1811. Een nauwkeurige opgaaf moet worden verstrekt van alle vee in de gemeente.

En toen kwam er op 18 juni 1811 een commando van de directeur-generaal van de conscriptie, comte Dumas. De prefecten stuurden het commando door aan de burgemeesters:
'De deserteurs en de weerspannigen moeten door de gehele uitgestrektheid van het keizerrijk achterhaald worden. De hevige vervolgingen jegens hen uitgevoerd, hebben reeds voor de lichting van het jaar 1811 de gewenste uitwerking gehad. Weinige conscrits hebben hun detachementen op mars verlaten. Het is alleszins noodzakelijk, dat de schielijke arrestatie van de weerspannigen aan uw ingezetenen tone de vaste wil can Zijne Majesteit, dat hij geen weerspannigen duldt. Gij zijt niet onkundig van het noodlottig uitstel, dat de weerspannigen van hun contingenten onthoudt. Anders zullen nieuwe oproepingen noodzakelijk zijn. Alle gestrengheid die gij thans tegen de weerspannigen in het werk zult stellen, zijn tot voordeel van uw departement. Mijnheer de prefect, gij moet tegen die personen alle middelen tot naspeuring en alle middelen van strengheid welke ter uwer dispositie zijn, in het werk stellen. Ik verzoek u op deze weerspannigen een wakend oog te houden, dezelve aan alle civiele en militaire autoriteiten te signaleren, voor hun vervolging de notabelen en vaders der huisgezinnen te winnen, en eindelijk om de laatste wortels van een verkeerd begrip van algemeen pardon geheel uit te roeien. Zijne Majesteit heeft reeds de goede uitslag opgemerkt van de mobiele colonnes aangesteld tot het achtervolgen van deserteurs. Ik wens hartelijk, dat deze buitengewone middelen niet in het werk behoeven gesteld te worden om de weerspannigen in uw departement te achterhalen. Maar dat uw voorzichtigheid en werkzaamheid de toepassing daarvan moge voorkomen.'

In augustus 1811 kreeg de burgemeester van Zuidbroek grote moeite met de militaire autoriteiten. Hindrik Friedriks van de lichting 1809 was gedeserteerd. Hij moest zich onmiddellijk melden, anders zouden er gendarmes ingekwartierd worden bij zijn ouders. De burgemeester liet informeren bij de ouders en bij de buren, en stuurde van het onderzoek een rapport in: 'Hindrik Friedriks was in de maand april 1809 uitgevaren met schipper Jakob Roelfs. In Riga was hij op een ander schip overgegaan. Hij was al twee jaar niet thuis geweest. Het was niet bekend, of hij dood was of nog leefde.' Overeenkomstig de opdracht moest de burgemeester tevens een staat van de bezittingen van de ouders inzenden. 'De vader was molenaar van de kolonie Spitsbergen en Kostverloren. Hij had de volgende goederen, van hout: een kabinet, een kastje, twee tafels, vijf stoelen, twee banken, een scherm, een kakstoel, tqwee emmers, een schop, een rijf, twee vorken, van tin: acht lepels, van koper: een theeketel, een koffieketeltje, van ijzer: een pot, een pan en hangijzer, een ketting, een asschop, een tang, vier vorken, een schoffel, steengoed: elf blauwbonte borden, zes roodbonte borden, twee roodbonte koppen, vier blauwbonte kommetjes, een zwarte trekpot, acht blauwbonte kopjes en schoteltjes, beddegoed: een bed met veren gevuld, drie bedden met kaf, vier kussens met veren, levende have: een paard, een oude koe, een schaap, een lam, twee varkens, landgewas: drie voer haver, vijfentwintig bos stro, vijftig hokken rogge, een half deimt gars op wortel en achttien hokken haver.' De onschuld was niet bewezen: er moest vijfhonderd franc boete betaald worden en Friedriks kreeg inkwartiering van twee gendarmes. Of Hindrik voor de dag gekomen is, is niet bekend.

In augustus 1811 kregen de burgemeesters nog een moeilijke taak te volbrengen. De wezen van vijftien jaar en ouder moesten worden ingeschreven voor de militaire dienst. Hieronder vielen voor Zuidbroek: Harm Poppes, Jacob Sijtzes en Boele Berends Huizing, en voor Noordbroek Hilbert Geerts Por. Zij moesten op 6 augustus des morgens om negen uur gepresenteerd worden in het landshuis te Groningen door een lid van het gemeentebestuur of door de bode. En het gebeurde.

In diezelfde maand moest de burgemeester van Zuidbroek onderzoek doen naar Gerrit Abraham ten Cate van de lichting 1809. Hij ontbrak op het appel. De burgemeester rapporteerde, dat hij van hier naar zijn compagnie was vertrokken.

Inmiddels lag er weer een decreet van de Keizer, uitgevaardigd te Rambouillet, dat door de Hollandse departementen 3600 lotelingen van de lichting 1809 geleverd moesten worden. Hiervan kwamen 22 ten laste van het kanton Zuidbroek. Loting 16 september des morgens te acht uur in de kerk te Zuidbroek. En met trillende handen haalde ieder zijn lot uit de bus.

Op 11 september 1811 kwam er een schrijven bij de burgemeester van Noordbroek. De commissaris van politie te Keulen deelde in het Frans mede, dat een Willem Entropp, geboren te Noordbroek, zich had schuldig gemaakt aan landloperij en dat hij, na het uitzitten van een gevangenisstraf van een maand, hierbij aan de burgemeester werd overgegeven. Dit gebeurde door de gendarmes van brigade tot brigade.

Verder moesten in deze maand nog opgeven de namen van de ingezetenen die boven de middelmatige stand verheven waren door geboorte, rijkdom, talenten of inkomsten. De burgemeester van Noordbroek voelde wel de bedoeling en deelde mede, dat deze gemeente bestond uit landbouwers en ambachtslieden en dat hij gene kende die boven de middelmatige stand uitkwam. Maar daarmee kwam hij er niet vanaf. Hij moest namen opgeven en deed het: Campegius Harmannus Gockinga, Jan Ailkes, Scholto Sebes, Wicher P. Middel, Rembt Egberts, Eltje Hommes, Meindert Haikes, Ento Takes, Tjakke Huisman, Geert Sebes, de predikanten Van der Tuuk en Ten Cate en de onderwijzers Johannes Kuipers, Jan P. Bloemhof, en Augustinus Stoffers Upmeijer. op hun moraliteit en politieke denkbeelden was niets aan te merken. Verder werd nog medegedeeld alles waarin zij gestraft konden worden: werkkring, inkomsten, aantal en leeftijd van de kinderen en waar die voor opgeleid werden.

De maand oktober 1811 stond in het teken van de verwachte komst van de Keizer in dit departement en in deze gemeenten. Er moesten vele maatregelen genomen worden: de ingezetenen moesten zich gereed houden om hun gevoelens van verknochtheid en eerbied voor de hoge persoon van Zijne Majesteit te tonen door het oprichten van erebogen, het versieren van hun huizen met groen, vlaggen en dergelijke; de burgemeesters, vergezeld van de raadsleden, moesten Zijne Majesteit opwachten aan de grens van de gemeente; bij intrede van Zijne Majesteit moesten de klokken worden geluid en als het kerkgebouw zich aan de passage van Zijne Majesteit bevond, moest de geestelijkheid met de leden van de kerkeraad zich in plechtig gewaad bij de deur van het kerkgebouw bevinden; alle verzakkingen en krommingen in de wegen moesten zodanig hersteld worden, dat er ruimte genoeg was om met een wagen bespannen met acht paarden te passeren; palen en vlinten moesten van de wegen verwijderd worden; bomen en heggen langs de wegen moesten verwijderd worden; langs de hoofdweg moest een goede rijweg ongebruikt blijven voor de passage van Zijne Majesteit; voor ieder huis aan de straat moest een hoop zand aanwezig zijn om desvereist in korte tijd daarover te strooien; enige pikkransen, teertonnen of fakkels moest gereed gehouden worden en de burgemeester moest voor Hare Majesteit verschijnen in rok en met een hoed op waarvan de randen omgeslagen waren. Noordbroek heeft tachtig paarden gereed gehouden om tot voorspan te dienen en in de beide dorpen Noord- en Zuidbroek heeft reeds een ereboog gestaan, maar de Keizer is niet geweest. Andere bezigheden.
Hij kwam dus niet zelf, maar hij stuurde in de maand oktober wel twee lakstempels uit Parijs, voorzien van het keizerlijk wapen. Dit moest de burgemeester voortaan gebruiken om aan zijn orders meer kracht bij te zetten.

Op 10 oktober 1811, des morgens te acht uur, moesten de aangesloten conscrits van de lichting 1809 zich melden op het stadhuis te Groningen. De schuit waarop de ongelukkigen naar Groningen vervoerd werden, vertrok des morgens om twee uur uit Veendam. Daar reisde ook mee Kornelis Egberts, de enige aangeslotene van Noordbroek. Maar Kornelis had nog een lichtpunt. Hij kon een remplacant kopen. Pieter Harms Knol heeft voor hem gediend. Maar dat betekende niet dat Kornelis van de zorgen af was, want als Knol deserteerde of sneuvelde, moest hij weer voor zijn nummer opkomen.

Op 23 november 1811 moesten de weeskinderen in hun korps uittrekken. Voor Noordbroek viel hieronder Hilbert Geerts Por en voor Zuidbroek Jacob Sijtzes. De burgemeester moest zorgen dat zij op tijd in Groningen waren en dat zij meekregen: twee hemden, een linnen pantalon, twee paar schoenen, een paar linnen slobkousen en een linnen zak met draagbanden om de goederen er in te doen.

Toen de mannen van de lichting 1809 uitrukten, bleek, dat er een van het kanton Zuidbroek ontbrak. Onmiddellijk werden twee maatregelen genomen. In de eerste plaats moest het corps aangevuld worden. Wie het naastvolgende nummer bij de loting had getrokken, moest onmiddellijk komen en werd nagezonden. Dit was Jannes Conradus Feringe te Zuidbroek. Maar de deserteur was er ook niet af. Er werden onmiddellijk twee soldaten bij de ouders van de weerspannige ingekwartierd. Deze soldaten waren expres voor dit doel bestemd en werden garnisaires genoemd. De ouders moesten kost en inwoning verschaffen en ook de soldij betalen. Konden zij de soldij niet betalen, dan moest de gemeente daarvoor zorgen. Zo zijn er van 11 tot 26 november 1811 twee garnisaires ingekwartierd geweest bij de ouders van een weerspannige te Zuidbroek, wiens naam niet bekend is. Toen bezweken de ouders en de loteling. Deze meldde zich; de onder-prefect wenste de burgemeester geluk met het goede resultaat.

Dat het in het laats van 1811 niet al te best was, blijkt uit enkele dingen:
1. Herbergen en andere drankverkoperijen moesten 's avonds om negen uur gesloten worden. De reizende man mocht wel bediend worden, maar dan moest de herbergier voor negen uur aan de burgemeester opgeven naam, toenaam, ouderdom, woonplaats, beroep, aan wie de reizigers hier bekend was en hoe lang hij van plan was te blijven.
2. Door de Keizerlijke gendarmerie werd opgebracht en te Winschoten gevangen gezet de oud-Noordbroekster Willem Jan Entrup. De burgemeester moest inlichtingen geven over die Entrup.
3. De directe belastingen voor Noordbroek waren opgelopen tot 2842 franc voor betimmerde eigendommen, 15122 franc voor onbetimmerde eigendommen, 1832 franc voor personeel en meubilair en 946 voor deuren en vensters. Hier kwamen nog bij de accijnzen, de patentrechten en de omslagen voor bepaalde doeleinden.
4. In die tijd was burgemeester Habbo Sibolts Hovinga en adjunct-burgemeester Scholto Sebes ten Doornkaat, beiden landgebruiker te Noordbroek. Zij stuurden een verzoek in om van hun post als burgemeester en onder-burgemeester ontheven te worden.

Het begin van het jaar 1812 werd verdonkerd door de conscriptie. Op 2 januari kreeg burgemeester Hovinga van Noordbroek bericht of hij opzenden wilde het certificaat, dat Jan Reinders Kruise, van de lichting 1809, nog bij zijn korps was. Als dat certificaat niet te krijgen was, moesten de ouders voor de onder-prefect verschijnen. Op 15 januari moesten de burgemeesters afkondigen dat de conscrits die zichzelf verminkt hadden, naar de piniers gezonden moesten worden. Aan het eind van de maand januari kwam er bericht, dat het kanton Veendam eenentachtig man moest leveren van de lichting 1810. Loting op maandag 27 januari in het kerkgebouw te Veendam.

In de maand januari kwam ook nog een keizerlijk decreet af, dat een gewapende burgerwacht moest worden opgericht. In dit departement moest deze burgerwacht sterk zijn vijfhonderd en zevenenzeventig man en bestaan uit mannen tussen twintig en zestig jaar. Deze burgerwacht moest de burgemeesters bijstaan in het handhaven van de orde.

De aangesloten conscrits van de lichting 1810 moesten op zondag 23 februari 1812 des morgens 8 uur voor de raad van recrutering te Groningen verschijnen.
Op 1 maart 1812 kwm er bericht, dat het kanton Veendam moest leveren vier opgezeten, uitgeruste en gewapende ruiters. Dit kostte Noordbroek 4264 franc en Zuidbroek 2872.

Op 7 maart 1812 moest kanton Veendam 123 zeelieden leveren tussen 24 en 49 jaar.

Op 21 maart 1812 ontving de burgemeester van Zuidbroek bericht, dat gedeserteerd was Willem Pieters uit de 13 compagnie kanonniers-kustbewaarders. De burgemeester kreeg opdracht, alle mogelijke navorsingen te doen om de schuldige de straf voor zijn misdaad te doen ondergaan.

Op 26 maart 1812 kwam er een waarschuwing: alle gemeenschap met de Engelsen op Helgoland zal beschouwd worden als verraad en verspieding. Deze waarschuwing werd door de bode voorgelezen voor het huis der gemeente, verder anngeplakt en afgekondigd door de predikanten.

Over de maand april vermelden de archieven weinig bijzonders. Dit betekent niet dat er toen niets gebeurde. De spanning was in elk geval ontzaglijk groot, want de tocht naar Rusland was op komst.

Op 21 mei 1812 kreeg de burgemeester van Noordbroek een brief van de onderprefect. De weduwe van wijlen H.D. Kamphuis moest 51 francs en 8 centimes betalen. Haar zoon was in het leger ziek geworden of had verwondingen opgelopen. Hij werd wegens ongeschiktheid voor de dienst ontslagen en de moeder moest betalen.

25 mei. Noordbroek moest voor de vestingwerken te Den Helder drie man leveren en Zuidbroek twee.

28 mei. Het arrondissement Winschoten moest leveren 44 paarden en 22 voerlieden voor de dienst der artillerie. Zij moesten gereed gehouden worden om op de eerste wenk te kunnen vertrekken. Het moesten koppels paarden zijn die gewoon waren met elkaar bespannen te worden en de voerman moest gewend zijn er mee om te gaan. Door loting werd Zuidbroek aangewezen voor de levering van een kopeel met een man. Noordbroek kwam vrij. Tevens moest opgaaf gedaan worden van alle paarden in de gemeenten van vier jaar en ouder met de namen van de eigenaren. Die paarden moesten zo nodig worden ingezet voor de dienst van de artillerie.

In het begin van juni moest Noordbroek nog leveren voor de vestingwerken te Delfzijl 9 werklieden en Zuidbroek 7. Voor de artillerie moest Noordbroek leveren een werkman en twee timmerlieden en Zuidbroek een werkman en een timmerman.

Op 17 juni moest de burgemeester van Noordbroek meedelen aan de vader van Pieter Georg Christoff Sijmens, dat hij voor reforme van zijn zoon moest betalen 79 francs en 68 centimes.

Nadat de keizer met zijn grote leger in juni vertrokken was naar Rusland, werd toch zijn verjaardag niet vergeten. De burgemeesters kregen opdracht om die verjaardag, zaterdag 15 augustus, met de meeste plechtigheid te vieren. 's Morgens moest een Te Deum worden gezongen in de kerken. Deze dienst moest worden bijgewoond door de ambtenaren en autoriteiten. De klokken moesten worden geluid van 6 tot 7 uur, van 11 tot 12 uur en na de middag van 5 tot 6 uur. Verder moesten alle vlaggen van kerken en torens worden uitgestoken.

Op 2 september 1812 was er een schrijven van de onder-prefect: 'Ik verzoek u, onmiddellijk alle jongelingen van de klasse 11811 voor u te doen verschijnen en zodanige informatiën in te winnen als u in staat stellen om in een ogenblik de tabellen van de conscriptie in te vullen.'

Op 3 september kwam de burgemeester van Noordbroek weer in de moeite. Hij moest de matroos Eildert Eilderts onmiddellijk arresteren. Die had zich aan de dienst onttrokken op de schoener Pieter Floris.

Op 14 september ontving de burgemeester van Zuidbroek de volgende brief van de onder-prefect:
'Een order van de minister van oorlog deelt mede, dat elk ogenblik een requisitie gedaan kan worden van rijtuigen met vier paarden bespannen tot het snellijk vervoeren van op mars zijnde troepen. Men kan in de loop des krijgs niet weten, welke voorvallen kunnen plaats hebben en het is dus mijn plicht u hierop attent te maken, opdat elk die maatregelen neme door het formeren van een nauwkeurige lijst der paarden welke bij elkander aangespannen kunnen worden en door het van tijd tot tijd inspecteren van wagens en rijtuigen om ten allen tijde op de eerste wenk aan diergelijke requisities te kunnen voldoen.'

De burgemeester ontving op dezelfde dag ook nog de volgende brief va de onder-prefect:
'De werkzaamheden der conscriptie naderen. De omstandigheden der tijden vorderen, dezelve geregeld te doen aflopen. Indien ergens dan behoort bij zulke gelegenheden de eerste magistraatspersoon die uiterlijke tekenen van achtbaarheid aan te nemen, waaraan dikwijls zoveel belang gehecht wordt. Ik inviteer u mitsdien ten sterksten om bij gelegenheid van de aanstaande publieke zittingen der conscriptie wel te willen verschijnen in het kostuum door de wet aan de burgemeester toegekend en voortaan bij publieke gelegenheden u daarmee te willen bekleden. Ik vertrouw, dat gij hieraan wel zult willen voldoen, daar dat kostuum zeer eenvoudig en min kostbaar is, terwijl de gepastheid van hetzelve mij bij ondervinding meer dan een gebleken is.'

Oktober 1812, de maand van de nederlaag in Rusland:
Op de 11e moest een Te Deum in alle kerken worden gezongen voor de in Rusland door Zijne Majesteit de Keizer behaalde overwinningen; op de 17e moesten de jongens van lichting 1811 loten te Veendam; op de 20e kregen de burgemeesters een brief van de onder-prefect over de gezinnen van de omgekomen zeelieden (uit Zuidbroek zes, die twee vrouwen en zeven kinderen achterlieten):
'Was de ellende groot welke in verschillende huisgezinnen het gevolg der eerste lichting is geweest, waarin mannen aan hun vrouwen, vaders aan hun kroost, hulptoereikende zonen aan afgeleefde ouders, broeders aan door hen onderhouden wezen, ontrukt werden, onuitsprekelijk was die in welke de oproeping der reserve de overigen stortte. Nu toch bleek geen enkele zeeman vrij, zodat ook zij wie het lot de hoogste nummers toegewezen had, tot dadelijke dienst opgeroepen werden en het getal van hulpbehoevende voorwerpen vijfmaal werd verdubbeld. In de zomer van 1811 is een collecte gehouden, maar die bron is thans uitgeput. De behoefte is vijfmaal groter geworden en moeilijk te bevredigen door de deerniswaardige toestand waarin de gemeenten bij de stilstand van de handel en scheepvaart geraakt zijn. De zachte zomer is nog ongevoelig en dragelijk voor hen daarhenen gevlogen, maar de barre winter naakt en de guurheid van het herfstgetijde doet zich reeds met nadruk gevoelen, terwijl zovelen bij de koude haard hopeloos en angstig uitzien tegen die dagen wqaarin zij voor zich en hun gezin, zonder verwarming, zonder deksel, zonder kleding, hun buitendien bitter bestaan niet kunnen blijven onderhouden. Wilt u mij door uw liefdelijke bijdragen ondersteunen ter gelegenheid van de inzameling, welke in de eerste dagen van november 1812 staat gehouden te worden. Groot is de nood, diep is de wond.'

Op 8 november moesten de conscrits van de lichting 1811 zich melden in het stadhuis te Groningen om gesteld te worden ter beschikking van de kapitein van recrutering. Heine Jans Koning van Noordbroek kon niet komen, want die zat gevangen te Münster.

Hoe getracht werd omkoperij ten aanzien van de conscriptie op te sporen, blijkt uit de volgende brief van de onder-prefect, gedateerd op 9 november 1812:
'De chef van het militaire bureau bij de prefectuur alhier is gisteren gearresteerd wegens de hem ten laste gelegde verfoeilijke misdaad van bedrog in het werk der conscriptie en begint reeds aanvankelijke belangrijke bijzonderheden te openbaren. Iedere bekentenis behelst vanzelve een beschuldiging ten laste van de omkoper en ik vrees, dat enige, anders meest achtenswaardige ingezetenen, daardoor in de allerellendigste proceduren staan gewikkeld te worden. Het is dus van belang te zorgen, dat dit misdrijf en al de bijzonderheden worden ontdekt om daardoor het werk der conscriptie binnen dit departement te zuiveren van die kunstgrepen, welke evenzeer strekken om de beste huisgezinnen te ruïneren als om de achting der regenten te ondermijnen. Ik ben gemachtigd, al degenen welke een beschuldiging tegen de heer Piquendaire inbrengen, volkomen kwijtschelding van straf te verzekeren en beloof alles aan te wenden om het geld terug te doen geven, zonder dat hieruit enig nadeel zal voortvloeien voor de conscrits of remplacanten. Ik ben evenzeer gemachtigd te verzekeren, dat al diegenen welke zich niet zelf aanmelden en door de heer Piquendaire worden genoemd, naar de gestrengheid der wet zullen worden vervolgd. het is thans uw zaak te doen wat in uw vermogen is en ik verzoek u, niets na te laten om de mensen dit te beduiden. Gij kent de vaders en anderen tot de conscrits betrekking hebbende; doet deze bij u komen en zoek hen van hun ware belangen te overtuigen. Ik verzoek u, mij de uitslag te melden.'
En de burgemeester antwoordde op 24 november:
'De personen welke door mij zijn ondervraagd en onderhouden, hebben niet het minste of geringste ten laste van de heer Piquendaire ingebracht.'
Welke listen werden uitgedacht om aan de conscriptie te ontkomen, blijkt uit het volgende schrijven aan de burgemeester:
'Een vrouw plusminus zesentwintig jaar oud, welke voorgeeft stom en doof te zijn en naar vermoed ergens in Reiderland thuis behoort, moet onverwijld gearresteerd worden. Zij is niet doof noch stom en maakt zich ten hoogste verdacht zelfs geen vrouw te zijn. Zij is in de Oostfriese smaak gekleed met een mutsje zonder lint, twee halsdoeken om hebbende; verder heeft zij een jak aan met rode dobbelsteentjes op een witte grond, een blauw gestreepte rok, halve laarzen en witte, wollen kousen. Zo althans is zij vrijdag uit Zuidbroek vertrokken naar Scheemda. Zij is voor een vrouw fors gebouwd, heeft bruine ogen en zware wenkbrauwen en heeft op de rechterarm, even boven de hand, een geprikt teken, dat flauw zichtbaar is. Alles moet aangewend worden om dit mens in verzekerde bewaring te stellen en naar Winschoten te doen transporteren.'

Inmiddels kwamen de berichten door over de totale vernietiging van het Franse leger in Rusland, zeshonderdduizend man. Hoe verwerkte de Keizer de vernietiging van zijn leger? Kapot van het lijden van zijn soldaten? Gebroken in zijn kracht? In de Moniteut verscheen het bericht: 'De gezondheid van de Keizer is beter dan ooit.' In december kwamen er al weer decreten over het oproepen van nieuwe lichtingen.

En toen ging het weer:
4 januari 1813: Noordbroek en Zuidbroek moesten elk een paard leveren voor de zware en een voor de lichte cavalerie.
7 januari: de burgemeesters moesten opgeven de namen van de tien oudste burgers en van de tien hoogstaangeslagenen in de belasting.
8 januari: de conscrit Fokko Everts Heikens van de lichting 1811 van Zuidbroek moest zich ter beschikking stellen van de kapitein van recrutering.
10 januari: de burgemeester moest zijn handtekening in zesvoud inzenden, bstemd voor de gendarmes ter controle van zijn handtekening op de paspoorten.
26 januari: de jongemannen geboren in 1792 en 1793 moesten zich melden.
3 februari: de onderprefect drong er bij de burgemeesters op aan om de Keizer vrijwillig paarden aan te bieden ter goedmaking van het in Rusland geleden verlies; de Raad moest er over vergaderen en een verslag van het gesprokenen in de Raad moest aan de onderprefect worden gezonden; Noordbroek en Zuidbroek deden mee aan de levering van veertig paarden door dit arrondissement.
5 februari: nadere voorschriften over het verschaffen van nachtverblijf; ook burgers moesten aangifte doen als er iemand nij hen overnachtte; er moest een lantaarn brandende gehouden worden boven de deur van een logement; van buiten komende inwonende knechts moesten binnen acht dagen worden aangegeven.
11 februari: keizerlijk decreet, dat honderdduizend conscrits getrokken zouden worden uit de lichtingen 1809, 1810, 1811 en 1812.
7 maart: het departement moest leveren zesenveertig gemonteerde en geëquipeerde cavaleristen, waarvan vier door het kanton Veendam.
14 maart: keizerlijk decreet, dat een militaire commissie werd ingesteld aan welke alle misdadigers tegen de in- of uitwendige veiligheid moesten worden overgeleverd.
21 maart: de burgemeesters moesten met ijver en waakzaamheid letten op alle oproerige bewegingen en daarvan kennis geven aan de keizerlijke procureur.
28 maart: de conscrits van de lichting 1812 moesten zich te Groningen melden.
15 april: Albert Johan de Sitter moest voor reforme van zijn zoon twaalfhonderd francs betalen.
18 april: Noordbroek en Zuidbroek moesten elk twee paarden leveren.
20 april: het arrondissement moest leveren voor de dienst van het grote leger 2 hoofdbrigadiers voor de fourage, 6 kneders bij de veldbakkerij, 1 bakkersjongen, 2 opperlieden, 1 hoofdarbeider bij de fourage, 2 botteliers en 6 ziekenoppassers; wat elke gemeente moest leveren werd in een bespreking tussen de onderprefect en de burgemeesters uitgemaakt.
25 april: Noordbroek en Zuidbroek moesten elk twee kannonniers-kustbewaarders leveren.
eind april: de nationale garde moest worden aangevuld uit de vooraanstaanden van de gemeenten; Noordbroek moest leveren achttien man en Zuidbroek vijftien.
6 mei: er waren manifesten in omloop van de Keizer van Rusland en de Koning van Pruisen; de verspreiders moesten worden opgespoord.
22 mei: de beide burgemeesters kregen een bange kreet van de onderprefect; er waren weerspannige conscrits, een plakkaat moest aangebracht worden aan de huizen van de naaste bloedverwanten en bij elke godsdienstoefening worden voorgelezen; verder een dreigement met de verschrikkelijke vervolging die te wachten stond.
24 mei: bericht dat Klaas Sijfkens Rademaker vrijgesteld was van dienst bij de nationale garde; een nieuwe opgeschrevene moest voor hem invallen.
2 juni: Abel Jans SMit moest zich melden voor afmars naar 's-Gravenhage; het gelukte hem een remplacement te vinden; Johannes Stafferene te Groningen voor zeventig gulden en iedere week vier gulden; van het weekgeld moest drie gulden worden uitbetaald aan de vrouw van Stafferene, die Lena Bolens heette.
In de nacht van 2 juni: er kwam een expresse bode uit Dalen bij de burgemeester van Noordbroek; de bode vroeg om een doopcedul van Eildert Eilderts, die zich had laten aannemen als remplacant; maar de burgemeester moest wel doorgeven aan de gendarmes, dat Eildert een deserteur was; en hij werd gearresteerd.
Zondag 5 juni: er kwaqmen twee garnisaires te Noordbroek; het was te doen om de deserteur Jan Hendriks Payhak, van de lichting 1812; ouders had hij niet meer; daarom werd de ene garnisaire ingekwartierd bij zijn zwager Edzo Jans Kolk te Noordbroek, de andere bij zijn broeder Eppo Hendriks Payhak te Zuidbroek; op de 17e juni kwam Jan Hendriks voor de dag; hij gaf zich gewonnen; hij was op 4 april te Meppel gedeserteerd; het speet hem; hij was nu bereid om te dienen; hij vroeg om genade voor zijn misdaad.
10 juni: de burgemeester moest opgeven wie nalatig was in het betalen van belasting; er waren aanvankelijk vier, maar de nalatigen wilden niet graag dat hun namen werden opgegeven; drie betaalden en een werd opgegeven, maar die woonde al sedert 1810 te Steenwijk.
2,3 en 4 juli: vervoer van kanonnen, afkomstig uit Coevorden en bestemd voor Leer; op 2 juli moesten landbouwers uit Noordbroek des morgens vier uur te Veendam zijn met zesentwintig paarden, op 3 juli met zestien boerenwagens elk bespannen met twee paarden en op 4 juli ook met zestien wagens; zij moesten voor het vervoer zorgen van Veendam naar Beerta.

De veldwachters kregen in deze tijd een nieuw uniform: een opgetoomde hoed met cocarde, een sabel en bandelier en een plaat met het opschrift 'veldwachter van de gemeente'. verder moesten zij een rok van blauw laken dragen en zwart ondergoed.

Op 13 juli kwam er een decreet, dat de kantonnale kiesvergaderingen moesten worden gehouden. Er kwamen nauwkeurige voorschriften, hoe gehandeld moest worden. En de burgemeester gaf zijn orders:
De lokalen moeten met zonsopgang worden geopend. Voorhanden moeten zijn de nodige tafels en stoelen om de stemgerechtigden hun stembiljetten te doen invullen, alsmede een bos schrijfpennen, zes boek schrijfpapier, twee scharen en vijf bussen teneinde daarin de stembiljetten te laten, welke behoorlijk met hangsloten moeten woren voorzien. De burgers worden aangemoedigd om met de meeste exactheid tot de operatiën van de kiesvergaderingen mede te werken. De tien oudsten en de tien meest belasten moesten des morgens om vier uur aanwezig zijn in de zuiderschool. De oudsten waren H.F. van Tiddema, H.E. Dalman, H.J. Hillinga, E.J. Kuiper, E.F. Wigboldus, Jan A. Bieleveld, H.E. Hamster, J.C. Hoetjer, F. Buringh; de meest belasten waren Mc. C.H. Gockinga, F.F. Huisman, J.A. Hamster, H.A. van Delden, J.J. ten Doornkaat, Ento F. Takens, H.L. Hekman, D.E. Hamster, J.L. Steerenborg en H.J. Burema.

Hoe vol de gevangenissenin deze tijd zaten blijkt wel uit een door de burgemeester van Zuidbroek opgemaakte lijst. In het huis van bewaring te Zuidbroek hebben in de maand juli 1813 tweeëntwintig personen gevangen gezeten. Drie hiervan waren vrouwen. Vijftien hebben er de gehele maand gezeten.

Inmiddels gingen de inlijvingen door. Van Noordbroek vonden wij nog de volgende gegevens: omstreeks juli moesten opkomen Jan Frederik Scholten en op 24 september des morgens zes uur moesten te Groningen uitmarcheren: Hindrik Alberts Noordhof, Cornelius Tiessens Wolthuis en Jonas Mozes Dalsheim, alle drie van lichting 1813.

In de maand september werden in het bos van Mr. C.H. Gockinga bij de weg naar Slochteren enige militaire goederen gevonden, namelijk drie geweren met drie bajonetten, een militaire rok en twee kastjes.

De Slag bij Leipzig of Volkerenslag (16-19 oktober 1813)

Op 13 oktober, dus een paar dagen voor de volkerenslag bij Leipzig, kregen de burgemeesters nog een brief.
'Zij moesten grote waakzaamheid betrachten tegen verschillende personen, vreemdelingen en anderen, welke het land doorkruisten en bijpaden inslaan om zich aan het toezicht der politie te onttrekken. de veldwachters moet order gegeven worden om op alle reizende personen bijzonder acht te slaan, om dagelijks en bij nacht vooral de bijpaden te bewaken en om alles voor te brengen wat niet voorzien is van een behoorlijk paspoort. Personen waarvan men veronderstelt dat zij geheie correspondentie overbrengen, moeten dadelijk geviseerd worden. Alle veldwachters moeten op zondag 17 oktober te elf uur des morgens voor de onder-prefect te Winschoten verschijnen om nadere toelichting te ontvangen.'

Toen kregen we de grote slag bij Leipzig. Deze werd uitgevochten door de coalitielegers van Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Zweden tegen het Franse leger van Napoleon Bonaparte. Napoleons leger bevatte ook Poolse en Italiaanse troepen en Duitsers van de Rijnbond. Bij de strijd waren meer dan 500.000 soldaten betrokken en deze was daarmee de grootste veldslag in Europa vóór de Eerste Wereldoorlog.

De volken waren zo lang getergd dat zij naar de wapenen grepen. Alles liever dan die dictatuur. Het kostte grote inspanning en zware offers, maar Napoleon kreeg de genadeslag. Dat was op 19 oktober 1813.

In november 1813 werd ons land bevrijd door de anti-Franse coalitie. Op 15 november waren de Kozakken hier. Vanuit Winschoten werden de eerste contacten met de geallieerden gemaakt. Op 15 november kregen deze in Groningen overigens een lauwe ontvangst.

Beleg van Delfzijl

Pas op 23 mei 1814 viel Delfzijl als laatste Franse bolwerk in ons land. Het Beleg van Delfzijl duurde van 13 november 1813 tot het ontzet op 23 mei 1814. Omdat kolonel Maufroy niet wilde geloven dat Napoleon Bonaparte verslagen was, bleef hij Delfzijl, met succes, verdedigen. Zo bleef de vesting Delfzijl tot na de Franse tijd bezet. Delfzijl was daarmee het laatste steunpunt voor Napoleon, die anderhalve maand voor het ontzet van Delfzijl verbannen was naar Elba.

Van Noordbroek en Zuidbroek kwam niet iedereen terug. Op 7 maart 1815 berichtte de schout van Zuidbroek aan de gouverneur van de provincie, dat de vermisten en veronderstelde krijgsgevangenen niemand teruggekomen was.

Wat was er nu terechtgekomen van de fraaie leuzen van de revolutie? Niets. Het omgekeerde kwam van wat beloofd was. In plaats van vrijheid een ongekende slavernij; honderdduizenden werden op hardhandige wijze naar de slagvelden gedreven om andere mensen te vermoorden. In plaats van gelijkheid een grote ongelijkheid in rijkdom en in macht. In plaats van broederschap werden de volken tegen elkaar opgejaagd; de grond heeft massa's mensenbloed moeten inzuigen bij de valbijl en op de slagvelden.

De patriotten juichten de Fransen niet meer toe. In 1795 haalde de gewezen drost de Sitter de Fransen in, maar achttien jaar later bood mevrouw de Sitter het geweer van haar overleden man aan op de Fransen weer te verdrijven. De patriotten wilden graag vergeten, dat zij de Franse ideeën en de Franse soldaten hadden ingehaald. laten wij uit deze geschiedenis leren en het onze kinderen inprenten: stel geen vertrouwen in profeten die hier een paradijs beloven, en, haal nooit vreemde soldaten in.

Grote verliezer van de Bataafs-Franse tijd was de stad Groningen. De opheffing van de stedelijke jurisdicties en de afschaffing van de stedelijke voorrechten in de Ommelanden maakten een einde aan haar unieke positie van 'stadsstaat'.


Eerste pageview van vandaag: 1