Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 15-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

armeninrichting Noordbroek

BRIEF VAN DEN HEER MR. C.H. GOCKINGA, LID VAN DE TWEEDE KAMER VAN DE STATEN GENERAAL, AAN MR. C. V., BETREFFENDE DE ARMEN INRIGTING IN HET DORP NOORDBROEK, PROVINCIE GRONINGEN.

MIJN HEER !
Wij ſpraken onlangs over eene inrigting, betrekkelijk den armenſtaat, welke ik in het Dorp, waar ik mijn verblijf houde, mede hebbe tot ſtand gebragt. Ofſchoon alle de papieren, daartoe betrekkelijk, niet bij mij hebbende, zal ik echter in ſtaat zijn u een denkbeeld van die inrigtingen te kunnen mededeelen.

Het Dorp, waarvan ik ſpreke, is gelegen in het begin van het District van den Oldampte, in de Provincie Groningen, vier uren van de Stad, en ſtrekt zich van de Veenkolonie Sapmeer in het Dorp Slochteren, oostwaarts uit, tot in de Landen, waar bevorens de inbraak van de Rivier de Eems, de Dollard genaamd, geſtuit werd voor eene zandhoogte, waarop het Dorp ſtaat.

Dit Dorp bevat eene bevolking, thans van over de 1500 ingezetenen. - Het is door zijne landen, die van tijd tot tijd zijn aangewasſen, vrijwelvarend. Er zijn omſtreeks de 40 boerderijen van 30 tot 50 morgen, meest bouwland; achteruit naar het westen, zand- en veenbouw, eindigende in lage en ſlechte heide-landen; oostwaarts over de hoogte van het Dorp, in kleilanden, waar ook eenige goede weidelanden onder zijn, maar meest bouwland, voor raapzaad , tarwe, garst, haver en bonen.

De bevolking nam, gelijk bijna overal, ook hier toe. - Eenige ingezetenen verhaalden mij dit met genoegen, en maakten daaruit op, dat het Kerspel in een bloeijenden ſtaat was. Ik maakte hun eene opmerking, vragende, door welke menſchen, deze vermeerdering veroorzaakt was? of er nieuwe boerderijen gekomen waren? of er zich nieuwe handwerkslieden, of die van hunne renten konden leven, hadden nedergezet?

Dit werd met neen beantwoord: en na onderzoek, bleek het, dat het gelegen was in geringen en daglooners, waarvoor of kamers bij de geringe arbeidshuizen, of achter in de Veendallen, bij Sapmeer en Slochteren, hutten of geringe huisjes waren gezet, dat deze vermeerdering dus niet voordeelig, maar ſchadelijk moest worden, omdat het arbeidzame gedeelte van eene maatſchappij in evenredigheid moet ſtaan tot het te verrigtene werk, en dat, zoodra dat gedeelte dus meerder wierd, en er geen meer werk kwam, de verdienste overal verminderde, en velen (de minst ſterke) zonder werk moesten blijven, en eindelijk, uit gebrek van inkomen, of overgaan tot de armkaste, of tot ſtelen, of tot het ſchandelijk bedelen.

Het duurde ook niet lang, of men kwam mij ſpreken over den ſtaat der armenkas, die jaarlijks terugging, terwijl de armen geſtadig vermeerderden; dat het getal, ik meen van 27 tot 68 was opgeklommen; dat de giften in de kerken, en andere, op verre na, niet toereikende waren : en men vroeg mij, of men niet, gelijk in naburige Kerspelen, eene tauxatie over de ingezetenen zoude invoeren?

Ik verklaarde ſtellig, dat ik daartoe mijne ſtem niet konde geven, omdat ik het voor ondoelmatig, onbillijk en gevaarlijk in de gevolgen beſchouwde. - Dat het ondoelmatig was, een pligt van Burger en Christen te vernietigen: want, dat een ieder uitſcheidde dien te vervullen, zoodra hij op een vasten taux gezet was, en hij, betalende, waarop hij begroot was, daar een ieder zich gemeenlijk niet in evenredigheid aangeſlagen acht, zich van alle verdere verpligting ontſlagen keurt, waardoor dit derhalve niet beantwoorden kan aan het doel; dewijl de uitgaven geſtadig zullen vermeerderen, omdat de Armbezorgers, nu in ruimer omſtandigheden zich bevindende, niet die zuinigheid, als anders, zullen betrachten, en de geringen meenen geregtigd te zijn tot het eiſchen van onderſtand; wetende, dat er een kas beſtaat, te hunnen behoeve op gerigt. Dat het onbillijk, zoo niet meer is: de milddadigheid, gelijk gezegd is, is eene deugd, (ach t ware ze nimmer in dit land al te ver gegaan,) en die houdt op, wanneer het een burgerlijke wet en opgelegde verpligting wordt. Niemand is naar regte verpligt, een ander te onderhouden. Een ieder is verpligt voor zich en de zijne den kost te verdienen; zijn er, die dit door ongelukken of ziekten niet doen kunnen, dan is zijn evenmensch zedelijk verpligt, (maar niet naar regte) de zoodanigen bij te ſtaan: die zulks niet doet, is een ſlegt burger en nog erger Christen.

Maar welke zijn de gevolgen van het andere ſtelſel? Laat men maar eens het oog vestigen op het zoo magtig en rijk Engeland. Onder de Koningin ELISABETH is er eene wet ingevoerd, dat ieder Dorp zijne eigene armen moest onderhouden, en de armen het regt hadden een behoorlijken onderſtand te eiſchen. Er wordt jaarlijks door eenige uit de Dorpen het benoodigde omgeſlagen over de landen. Deze armentaux is van tijd tot tijd zoodanig toegenomen, dat hij, zoo ik meen, van 20 tot 50 mill. Holl. is opgeklommen. - De beste Schrijvers van Engeland zeggen zelven, dat deze ſchatting van ergere vooruitzigten voor Engeland is, dan hunne nationale ſchuld, die toch ook niet klein te achten is, Ja, dat Engeland er zeker voor lange onder bezweken zou zijn, ware men niet in de Dorpen op zijne hoede geweest, door de inwoning in de Dorpen voor die klasſe zoo ongemakkelijk mogelijk te maken.
Hieruit blijkt dus, hoe voorzigtig men diende te zijn, in onvolkomene tot volkomene verpligtingen te maken (*).

(*) [Dit alles, op zich zelve, toegeſtaan, moeten wij nogtens tegen den grond dezer redenering aanmerken, dat de Burgerlijke wet zedelijke verpligtingen tot ſtellige pligten maken kan, wanneer het belang der Maatſchappij dit vereischt: en dat de zorg voor de Armen, zeker een pligt van den Staat in het algemeen, en alzoo van de Hooge Overigheid in den zelven is, gelijk in dit Magazijn geſtadig aangewezen en herinnerd is. Z. vooral, I D. bl. 197, volgg. en V D. bl. 1, volgg. Red.]

In één woord, ik verklaarde mij tegen dit middel. Ik nam aan hun eenen anderen weg aan te wijzen, en hun dit ſchriftelijk op te geven.

Het kwam mij voor, dat, om eene kwaal te genezen, men de oorzaken moest nagaan, en ik dacht na, welke in het Dorp de redenen waren van het vermeerderen der armen?

Het kwam mij voor, dat de arbeidzame klasſe te veel was toegenomen boven het voorhanden zijnde werk. Door de voordeelige tijden, gedurende eene reeks van jaren, door de oorlogen in Europa, hier veroorzaakt, was de landman niet zuinig op eene daghuur geweest, en had veel laten werken, waardoor de bevolking dier menſchen vermeerderd was, maar vooral door onvoorzigtige en vroege huwelijken.

De conſcriptie onder het Franſche Beſtuur had een grooten ſchrik verwekt ; een jongeling zag, dat zijn makker van zijne ouders werd weggerukt, en in verre landen na den ſlagtbank gevoerd; men liet dus niets onbeproefd om daarvan bevrijd te worden. De geringe man, geen plaatsvervanger kunnende bekostigen, had geen ander hulpmiddel, dan zich vóór den tijd in het huwelijk te begeven, en dus vóór zijne achttien jaren.
Dit was in het Dorp iets nieuws. In vroegere tijden bleven de jonge lieden tot 26, 28 of 30 jaar bij den Boer dienen, eerst als jongen, voorts als middel-, en eindelijk als groote knecht. De groote knechts trouwden niet, dan nadat zij een ſtuiver hadden over verdiend, en namen ook vrouwen van hunne jaren, die geleerd hadden zuinig te zijn, in 't vooruitzigt om bij het ingaan van het huwelijk iets te hebben om zich in de huishouding te zetten. - Deze waren mannen, in ſtaat om zwaar werk te verrigten en uit te houden. Dan dit trouwen van zulke jonge menſchen moest ook andere gevolgen hebben; zij trouwden nu ook met jonge meisjes van hunne jaren. Getrouwd zijnde, gaat de knecht van den boer af en moet werk zoeken. Als tweede knecht hebbende gediend, is hij niet kundig genoeg, heeft geene krachten genoeg tot het zware werk, als turfgraven, maaijen, ſloten te graven enz. Hij krijgt ongemakken en ligchaamsgebreken, heeft inmiddels kinderen geteeld. De vrouw, dikwijls zelve een kind, verſtaat bijna geen werk, en wordt ook daarin gehinderd door hare kinderen. -

Zie daar twee menſchen met hun kroost ongelukkig, zij worden flaauwmoedig, verliezen het gevoel van eer, komen of op de armenkas, of worden dieven of bedelaars. Er kwam nog een kwaad bij, namelijk losbandigheid en zedeloosheid van de boereknechten en meiden; mede veroorzaakt door de goede tijden van duurte van het koorn. Door het vroeg trouwen van de jonge knechten, kwamen er geene oude, de jonge verdienden dus hooge loonen, en de Boer was dikwijls verlegen om goede knechts te krijgen. Hij moest dus toegeven, en over het hoofd zien, dat dezelve des nachts uitgingen en in gemeene herbergen zaten. Aan zulk losbandig leven gewoon, werden noch de jongens goede mans, noch de meisjes goede vrouwen en moeders.


Alle de voorname ingezetenen waren dit volkomen met mij eens. Ik ſtelde hun dus eenige middelen voor om deze kwalen te genezen, en daartoe moest eerst en vooral dienen, dat men het zedelijk en burgerlijk gedrag zocht te verbeteren. Wat is er uit te voeren in de Maatſchappij, waar zedeloosheid de hoofdrol ſpeelt? Te dien einde achtte ik het noodig, de Schoolonderwijzers, zijnde twee kundige en brave jonge lieden, onder het oog te brengen, om de kinderen dagelijks voor te houden de ſchoonheid der burgerlijke deugden van vriendelijkheid, gehoorzaamheid, ondergeſchiktheid en nijverheid; dat zij in de wereld niet konden gelukkig zijn zonder derzelver betrachting, dat het eene ſchande was te moeten leven van gebedeld brood: de meerder in jaren zijnde te vermanen, om voorzigtig te zijn in de keus van het huwelijk, en niet te vroeg te trouwen, althans niet eerder voor dat zij in ſtaat waren voor een huisgezin den kost te verdienen, dat dit te noodzakelijker was voor hen, omdat men in 't vervolg zoo gemakkelijk niet zou zijn in onderſtand te verleenen.

Dat deze grondbeginſelen verder door de Leeraars moesten worden uitgebreid. Ik heb den Kerkenraad onder het oog gebragt, dat zij met meer voorzigtigheid armen moesten opnemen, en zich verzetten tegen hen, die zulks kwamen eiſchen (*); dat zij onderſcheid moesten maken tusſchen ongelukkigen, en die, welke door ſlecht gedrag en eigen ſchuld zich ongelukkig gemaakt hadden, dat de eerſten behoorlijk moesten verzorgd worden, maar dat de laatſten met een teeken moesten voorzien zijn, en in eene afzonderlijke bank in de kerk zitten, doch waarin zij verandering konden bekomen door een verbeterd gedrag.

(*) Hiertoe dient men te weten, dat er waren, die, wanneer zij 60 à 70 jaren werden, hun goed, waaronder veelal een huisje was, of verkochten, of aan hunne kinderen afſtonden, en zich dan naakt en bloot aan de Diakonie overgaven, en daardoor onderhouden werden, terwijl de kinderen, ofſchoon daartoe wel in ſtaat, dezen kinderlijken pligt verwaarloosden.

Ik ſloeg hun verder voor, om, ten einde aan velen het zoo gereed voorwendſel te benemen: ,, wij hebben geen werk,” een werkhuis op te rigten, zeer eenvoudig, en wel op kosten van der kerke inkomſten, die daartoe toereikende waren.

Men was het eerst niet eens, wat daar te laten verwerken. - Ik toonde aan, dat vele dier inſtellingen, waar men fabrijkgoederen maakte, niet lang beſtaan hadden en achteruit gingen. Dat het te kostbaar was, wegens de vereischte Onderwijzers, vooral in zoo kleine huizen; dat de goederen veeltijds ſlecht gemaakt werden; dat ook, door het een of ander handwerk daar te doen verrigten, een ander nuttig ingezeten van zijne kostwinning beroofd of benadeeld zou worden; bij voorb. wanneer in hetzelve een wagenmakerij werd opgerigt, zouden er in het Dorp te veel komen, één zou moeten vervallen of allen kwijnen.

Dat het mij voorkwam, dat er een veel eenvoudiger werk te vinden was, dat niemand benadeelde, maar integendeel een voordeel weder terug zou brengen, dat door de omſtandigheden verloren was geworden. - Men wete dan, dat voor 30 en meer jaren alle boerinnen vlas voor hun benoodigde linnen verbouwden, hetzelve in den winter, door de arbeidsvrouwen lieten ſpinnen, en daarvan des zomers het linnen lieten weven. Dit was nu over, en het linnen kwam van buiten in; hetwelk grootelijks veroorzaakt werd, door dat de vrouwen der arbeiders waren uitgeſcheiden te ſpinnen.

Ik ſtelde dus voor, dat een ieder, die wilde, zou kunnen inteekenen, zoo veel vlas of wolle te zullen zenden, als hij goed vond.

Ik ſtelde verder voor, om, zoo dra het in werking kwam, een einde te maken aan die ſchandelijke bedelarij, zoo wel van vreemden als van ingezetenen van het Dorp. Dit kwaad had zoodanig toegenomen, dat, inzonderheid des Maandags, er bij hoopen uit naburige Dorpen kwamen, gaande van huis tot huis; zoo dat de vrouwen, meestentijd des daags alleen te huis, hetzelve niet voor een oogenblik durfden verlaten, zonder bevreesd te zijn van iets te misſen, ze ook niet durvende afwijzen, uit vrees voor ergere bedrijven. Dat men om die reden palen op de grenzen moest zetten, met waarſchuwing, dat in het Dorp niet mogt gebedeld worden. -

Dit alles is nu, ſedert twee jaren, tot ſtand gekomen. Het huis is er gezet ; er is genoegzaam ingeſchreven om werk te geven; men heeft nog eene vrijwillige inſchrijving gedaan om de kosten goed te maken voor eene ſpinvrouw, en voor een man, door den Schout met magt voorzien, om op alle bedelarij te pasſen, hetgeen niet het vierdedeel bedraagt van hetgeen bevorens aan de bedelaars moest gegeven worden. Het huis beſtaat in een lang gebouw, hebbende omſtreeks de 3000 gl. gekost; vooraan is eene kamer voor de Directie, waarin kasſen tot berging van vlas en wol; eene kamer daaraan tot huisvesting der vrouw, die het opzigt over het ſpinnen heeft, en voorts een ruime kamer, met een houten vloer aan de zijden, wordende door eenen kagchel verwarmd, die in de kamer der vrouw wordt geſtookt. Er zijn de noodige ſpinnewielen, alle genummerd; en wat er verder toe behoort.

Het ſtaat voor alle ingezetenen van het Dorp open; maar niemand wordt er toe verpligt; dan in zoo verre, dat de Armbezorgers altijd op den voorgrond ſtellen, nopens iemand, die bedeeld begeert te worden, dat hij, vlijtig werkende, zoo veel in het huis kan verdienen, en indien hij daarvan niet kan beſtaan, zij hem dan zullen toegeven.

Het heilzaam gevolg, voor den eerſten winter, is geweest, dat er omſtreeks 40 kwamen werk vragen; waaronder ouden van over de 70 jaren, die ſedert 30 jaren aan bedelen en misbruik van drank gewoon geweest waren.

Het deed mij zeer aan, toen ik, pas uit den Haag terug, de eerſtemaal het huis bezocht en ik met blijd gelaat en dankzegging van velen ontvangen werd.


Er was ook eene Directie opgerigt van eenige ingezetenen, waarvan de twee Predikanten (zijnde de Gereformeerde en Mennonite) bij beurten Preſident zijn, benevens een Scriba, waarvan er jaarlijks één afgaat, die door de ingezetenen uit eene nominatie van drieën vervuld wordt, bij welke gelegenheid ook de rekening wordt opengelegd. (Men heeft mij de eer aangedaan mij er Honorair Lid van te maken). Alle veertien dagen in den zomer, en alle acht dagen in den winter, is er vergadering. De Directie heeft een Reglement voor zich gemaakt, waarin ook is gemeld, dat de Leden bij weken zich verbinden dagelijks het Werkhuis te gaan bezoeken. De ſtraffen beſtaan in het inhouden van het arbeidsloon, naar mate de misdaad is, en de hoogſte ſtraf is, niet meer in het huis toegelaten te worden of werk te ontvangen, tot welk middel men nog niet heeft behoeven te komen.

De ſtilte en geſchiktheid heeft in korten tijd zeer toegenomen, waartoe niet weinig medewerkt, dat er meest altijd een der Directeuren tegenwoordig is.

Het is een van mijne genoegens, als ik des winters in het Dorp kome, het huis te bezoeken; daar menſchen te vinden, vrolijk en gezond, bezig om hun eigen brood te verdienen, met dezelve te ſpreken, en hun onder het oog te brengen het onderſcheid dat er nu is in hun levensgedrag, bij vroegere jaren, en dan te zien, dat er zoo velen onder zijn, die daar werkelijk gevoel van hebben.

Ik wil niet ontveinzen, Mijn Heer! dat ik twijfele, of dit overal zoo gelukken, en zoo ſchielijk wel gelukken zou. Het Kerspel Noordbroek heeft veel boven andere vooruit in brave, oppasſende en kundige ingezetenen, dezelve verloopen zich niet in de herbergen, zijn van goed gedrag, lezen veel (men heeft er twee leesgezelſchappen), zij zijn ontdaan van vooroordeelen, waarmede hunne voorouders behebd waren. Zij leggen zich op hunne bezigheden toe, en brengen hunne kinderen daarin op. Er is welvaren, omdat zij de oude manier van leven blijven en niet uitſpatten.
Ik moet u nog melden, welke uitkomſten dit nu reeds heeft opgeleverd.

Dat de Diakonie-kas terſtond ontlasting zou gevoelen, was niet mogelijk: integendeel, zij moest meer geven aan ouden en zwakken, die nu niet bédelen moegen. Men kon niet onbedeeld laten dezulken, die eigenlijk niet behoorden bedeeld te worden. Er zijn er onder, die, door langdurig bédelen en zuipen, van werken afgewend zijn. Met deze allen moet men geduld hebben. Ons doel zijn verbeteringen, die in 't vervolg te wachten zijn, voortſpruitende uit verbeteringen der zeden, meest te zoeken in het opkomend geſlacht. Maar met dit al, is het getal der bedeelden reeds verminderd. Andere voordeelen laten zich reeds ſterk zien: men ziet onder de arbeidende klasſe meer nijverheid. Velen vragen werk uit het huis, om het in hun huis te ſpinnen, als of te verwijderd van het huis wonende, of om dat zij wegens hunne huishouding, hun huis niet verlaten kunnen: hetwelk hun wordt toegeſtaan, onder voorwaarde, van goed werk te leveren (trouwens men betaalt naar mate van het werk), en hetzelfde vlas in zwaarte terug te brengen.

Nog iets, dat men reeds beſpeurt, is, dat men niet meer dat losbandig geloop en geſchreeuw hoort van ledig loopende kinderen. Zij zijn of in de Schol'en of bij eenig werk, en die men ontmoet zijn vriendelijk en beſcheiden.

Ik kan niet voorbij, ter eere van den gemeenen arbeidsman te zeggen, dat zij niets te lief hebben, om hunne kinderen ter ſchool te zenden. Men zal, geloof ik, in het geheele Dorp geen tien vinden boven de 12 jaren, die niet lezen, ſchrijven en wat rekenen kunmen. In de twee ſcholen gaan des winters over de 300 kinderen, behalve de Avondſcholen voor meer gevorderden. -

Men heeft ook eene gewoonte afgeſchaft, van het weiden van ſchapen en beesten bij de wegen, door kinderen wordende gehoed. Men was niet in ſtaat dit te beletten: hoe zeer men het met rede als nadeelig beſchouwde voor de veiligheid, als zijnde er vele ongelukken door gebeurd; voor de landbezitters, doordien, 't zij door onachtzaamheid of moedwil van de geleiders, meest kinderen, het vee in het koorn graasde, voor de zedelijkheid der kinderen, die, bijna niets te doen hebbende, elkanderen allerhande kwaad, leerden, vooral ook ſtelen der veldvruchten, het zij ten nutte van hun of van hun vee (*).
(*) In Vriesland heeft iemand opgemerkt, dat, in vergelijking van andere ſtanden, zulke kinderen de meeste voorwerpen van openbare ſtraffen waren geworden.
Men heeft thans daartoe tot middel gebruikt, dat het werkhuis van den Gemeente-Raad heeft verzocht, tot wederopzeggens toe, de vrijheid om het gras van die wegen openlijk te verhuren, om afgemaaid of afgeſneden te worden. Nu gaan die zelfde kinderen of ter ſchool, of doen eenig werk.

Nog kan ik u een voordeel opnoemen, en dat is niet het geringſte, dat er in die twee jaren niet gebedeld is. - Het is waar, men zocht het wel eens te ondernemen: maar de vreemde worden bij het eerſte huis reeds afgewezen, en hun het verbod bekend gemaakt, en dan gaan zij terug. Eenige weinige in het Dorp, die bevorens aan dat bedrijf gewend waren , gingen in de huizen, vraagden niets, maar gaven door houdingen te kennen, wat zij zochten: doch hierin is terſtond door de Armbezorgers voorzien; door hun te zeggen, dat, wanneer zij des Zaturdags geen briefje vertoonden van den Scriba van het Werkhuis, hun niets zou gegeven worden, en toen was dit geindigd.

De ware lust en ijver van alle ingezetenen, om dit werk, op de opgegevene gronden, op te bouwen, geeft gegronde hoop, dat men het verder voltooijen zal, door de zeden te verbeteren, inzonderheid der jeugd. Men zegt nu reeds na twee jaren: in het Dorp Noordbroek wordt niet gebedeld, en niemand, die werken wil, heeft armoede of gebrek geleden.'

Ik heb de eer enz.

Mr. C. H. GOCKINGA.

Staat van ontvangst en uitgaaf voor het Werkhuis te Noordbroek van den 10 augustus 1820, tot en met den 17 augustus 1821:
Ontvangst
Batig saldo van vorig jaar: f 23,58
Wegens vrijwillige contributiën f 577,15
_ het door de ingezetenen betaalde spingeld f 299,39 1/2
_ verkochte goederen voor rekening van het Huis f 137,26 1/2
_ terug gegeven voorschot f 2,76
Totaal f 1038, 14

Uitgaaf
Voor spinloon aan de Werkgasten 472,95 1/2
Door kwitantiën 46,21
Gemengde uitgaven 154,42 1/2
Aan ingekochte goederen 133,41
_ de vrouw opzigteres 78,50
_ de Oppassers tegen de bedelarij 109,80
_ aan onderscheidene personen bij wijze van voorschot 7,16 1/2
Totaal f 1002,46 1/2

De meerdere ontvangst f 36,67 1/2

Voordeelige staat
Aan contanten 35,67 1/2
Goederen voor rekening van het Werkhuis aanwezig, getaxeerd op eene somma van 137,57 1/2
Totaal f 173,25

Door Campegius Hermannus Gockinga


Pageviews vandaag: 7.