Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 29-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Arme huissittenconvent

Onder huiszittende armen werden die armen verstaan die wel een dak boven hun hoofd hadden, maar niet in
het eigen onderhoud konden voorzien. Zij woonden bijvoorbeeld voor niets in 'hangende huyskens' aan de stadsmuur of elders.

In 1437 werd door het Groninger stadsbestuur een broederschap van maximaal twintig leden opgericht, waarvan de dagelijkse leiding berustte bij vier man: de procuratores van de arme huissitten. Hun taak was de giften die aan deze broederschap werden gedaan te verdelen onder de arme huissitten in de vorm van kleding, schoenen of voedsel. Ieder jaar moest het bedrag dat binnenkwam ook worden uitgegeven: er mochten geen fondsen gevormd worden.

Naarmate de procuratores de beschikking kregen over huizen (via testamenten of schenkingen), konden daarin ook armen gehuisvest worden, zodat zij steeds meer beheerders werden van gasthuizen (bijv. in de A-kerkstraat). Bovendien werden bestaande, maar noodlijdende gasthuizen gesteund of overgenomen: Ubbenagasthuis, Enensgasthuis en Armenconvent.

Het gasthuis in de A-Kerkstraat, toen Lamme Huiningestraat geheten - vandaar dat het gasthuis ook wel Lamme Huiningegasthuis werd genoemd - werd in 1621 gebouwd; in 1655, 1716 en vooral in 1884 verbouwd. Tot
het begin van de 20ste eeuw onderhield het gasthuis nauwe banden met het Boter- en Broodhuisje bij de Martinikerk. Hier deelden de voogden iedere maandag boter en brood uit aan de huiszittende armen; daarna, tot na
WO-II gebeurde dit in het gasthuis zelf.

Elk jaar werden er nieuwe procuratoren gekozen. De aftredende procuratoren moesten zich ten overstaan van de burgemeesters verantwoorden voor hun handelen in het voorbije jaar en "zij mogten daarbij geenen gelden of goederen aan hunne opvolgers overdragen, maar moesten alles, wat zij in dat jaar ontvangen hadden, hebben uitgedeeld". (Diest Lorgion, Beschrijving van Groningen, deel 1, blz. 234).

Door schenkingen en testamenten verkreeg het Convent de beschikking over meerdere huizen waarin de armen ook gehuisvest konden worden. Het beheer van gasthuizen werd gaandeweg de voornaamste taak van de procuratoren. Tot de overgenomen of door het Convent indersteunde gasthuizen behoorden: het Ubbena-gasthuis, het Eenens- gasthuis en het gasthuis van het Armen Convent.

Dit laatste gasthuis, Rungelehuis geheten, was gesitueerd aan de Rechte Jat (westzijde). Het was in 1432 door twee begijnen van het Menoldaconvent aan de Augustijner Heremieten te Appingedam geschonken, die dit vervolgens weer over deden aan de pastoor van de A-kerk, Johannes Sweneken om dit tot een armhuis of "asyl" in te richten. De voogden van de A-kerk beheerden dit gasthuis (het "Armen Convent") totdat dit in 1673 werd verenigd met het Armhuiszittend Convent.

In 1595 kreeg het Armhuiszittend convent de beschikking over het Ridders-Gasthuis in de Haddingestraat. Dit gasthuis was gesticht door de familie Entens. Ze deden het gasthuis over aan het Armhuiszittend Convent onder de voorwaarde dat " zij het gebouw zouden onderhouden, en de oude lieden, die er in waren, jaarlijks honderd pond spek en een halve schuit turf zouden geven, en daarenboven iederen zondag zooveel boter en brood, als andere gasthuisvrouwen in deze stad ontvingen". (Diest Lorgion, Beschrijving van Groningen, deel 1, 235)

Het Armhuiszittend Convent Gasthuis (ook wel Lamme Huininge Gasthuis of Lammuuntje genoemd) in de Lamme Huiningestraat (nu A-Kerkstraat) werd gekocht in 1621. Tussen 1634 en 1716 vonden een drietal verbouwingen plaats en in 1729 werd een het gasthuis van een pomp voorzien. Aan het eind van de achttiende eeuw vonden 26 "oude burgerlieden" er een onderdak.

Behalve voor het beheer van het gasthuis zorgden de voogden van het Convent ook voor de uitdeling van brood en boter. Zij deden dit onder meer in het Boter- en Broodhuisje aan de voet van de Martinitoren. Voor de betaling hiervan gaf men een eigen munteenheid (de A.H.Z.) uit.

In een schrijven van de Diaconie der Hervormde Gemeente Groningen aan de voogdij van het Armhuiszittend Convent (12 juli 1975) wordt de veranderingen in de wijze van ondersteuning uitvoerig beschreven: " In 1521 waren de toenmalige procuratoren van uw instelling zo vriendelijk tien arme mensen, die in ... het Ubbena-gasthuis onderdak vonden 'to ewigen dagen' het zg. 'arme huis-sitten broodt' toe te staan. Sedert het begin van de 18e eeuw ontvingen de tien armen in het Ubbenagasthuis bovendien 'tyn halve kinnegies boter ijder a 20 pond' van het Armhuiszitend Convent. In het midden van de vorige eeuw kwam daarbij op Pasen nog een halve gulden per conventuaal voor paasbrood en eieren. De gaven in natura zijn in de 19e eeuw vervangen door een bijdrage in geld, die tenslotte fl. 328,- per jaar bedroeg.".

In dezelfde brief meldt de Diaconie dat zij de voogdij van het Armhuiszittend Convent ontslaat van de verplichting tot betaling van de geldelijke bijdrage aangezien het Ubbena-gasthuis al sedert enige tijd geen conventualen meer telt. "De aantrekkelijke voorzieningen , die de moderne bejaardentehuizen kunnen bieden, en het feit , dat de algemene bijstandswet opneming daarin financieel voor vrijwel allen mogelijk maakt, deden -begrijpelijk- het wonen in het Ubbena- gasthuis steeds minder verkieselijk voorkomen."

De activiteiten van het Armhuiszittend Convent beperken zich heden ten dage tot de exploitatie van het Gasthuis aan de A-Kerkstraat. Pas in 1979 werd het noodzakelijk geacht om statuten op te stellen.

Bronnen:
www.archieven.nl


Pageviews vandaag: 10.