Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 24-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Appingedam

Gronings: n Daam. Gemeente in het noordoosten van de provincie Groningen; oppervlakte 23,86 km2 met 12.267 inwoners (1998). Zij omvat de gelijknamige stad Appingedam, de dorpen Jukwerd, Marsum, Opwierde, Solwerd en Tjamsweer en de buurtschappen Dijkhuizen, Garreweer, Laskwerd, Oling, Ranswerd, De Wierde en Wierhuizen. Het gemeentebestuur zetelt in Appingedam. De stad ligt ten westen van Delfzijl, gelegen ter weerszijden van het Damsterdiep; Appingedam wordt ook beschouwd als hoofdplaats van het gebied Fivelingo.

Tot 1883 ook geschreven als Appingadam = dam van de Appinga, de bewoners van de streek langs het water Appa, later Apt. Dit riviertje kwam bij Appingedam uit in de Fivel.

Appingedam ontstond in de 7de of 8ste eeuw toen een wierde werd opgeworpen in de bocht van het water de Apt. Op deze wierde stond later een klooster van de augustijner heremieten. Voor het eerst in 1342 genoemd: de prior verkocht toen een huis in de stad Groningen (Armenconvent). Over de stichting van het klooster is niets bekend. De
kloosterkerk werd in 1545 met toestemming van de bisschop van M√ľnster (1546) en zelfs van de paus en Filips II (1559) afgestaan als parochiekerk; bovendien was het aantal conventualen gering. De laatste prior overleed in 1560, daarmee was het klooster opgeheven.
De bisschop van Groningen trachtte de eigendommen van het klooster in handen te krijgen voor de stichting van een seminarie. de stad Groningen wenste ze voor de Sint-Maartensschool. Het klooster fungeerde mogelijk als bedevaartplaats: in 1664 schreef de contra-reformatorische pater Mijleman voor het eerst over een in het klooster aanwezig mirakelkruis dat genezende kracht had.

Appingedam verkreeg stadsrechten in 1327, zij het slechts lagere bestuurlijke bevoegdheden. Juridisch is de plaats niet losgemaakt uit de rechtstoel Appingedam-Opwierde Tjamsweer.

De stadswallen zijn in 1536 geslecht na de verovering door troepen van keizer Karel V, de omgrachting is echter gebleven. Het Damsterdiep is omzoomd door huizen, die deels boven het water zijn gebouwd: de befaamde 'hangende keukens'.

Appingedam was tot 1317 een zeehaven; toen werden de sluizen in Delfzijl gebouwd.

Sinds 1972 is de binnenstad beschermd stadsgezicht.

Het stadhuis is in 1631 gebouwd in renaissancestijl. Het heeft in de gevel drie Latijnse spreuken: Ubi non est pudor nec cura turis, sanctitas, pietas, fides, instabile regnum est (Waar niet is zedelijkheid, noch zorg voor het
recht, heiligheid, vroomheid en trouw, is de regering onstandvastig); Concordia res parvae crescunt, discordia res maximae dilabuntur (Door eendracht groeien kleine dingen, door tweedracht worden grote dingen verstrooid);
Soli Deo gloria (Alleen aan God de eer).
Tot 1825 deed de benedenverdieping dienst als waag. Het is gerestaureerd in 1984 en later door toegevoegde bijgebouwen verbonden met de hervormde kerk.

De hervormde Nicolaikerk is in het begin van de 13de eeuw als eenbeukige kerk met westtoren gebouwd. De toevoeging van een dwarspand en rechtgesloten koor resulteerde in een romanogotische kruiskerk. Door verdere
uitbreidingen ontstond ten slotte in het derde kwart van de 15de eeuw een driebeukige hallenkerk met vijfzijdig gesloten koor. De kerk heeft haar romanogotische meloengewelven en gotisch straalgewelf in het koor behouden; zij zijn rijk van ornamenteel en figuraal schilderwerk voorzien. De kerk bezit een rijk gesneden preekstoel (1665) en
verschillende herenbanken uit de 17de eeuw. Het orgel is in 1744 door A.A. Hinsz gebouwd; het snijwerk is van C. Struiwig. De kerk is buitengewoon rijk aan grafzerken, waaronder een 13de-eeuwse zerk van Bremer zandsteen en verschillende zerken uit de 16de eeuw.

De gereformeerde kerk (1927) is van de hand van architect E. Reitsma. Het gebouw maakt van buiten een gesloten indruk, maar het diverse gebruik van baksteen verleent een levendig karakter. Het interieur wordt
bepaald door de parabolische constructie van de zoldering.

De voormalige synagoge (1801) is nu in gebruik bij de Gereformeerde Vrijgemaakte Gemeente.

Appingedam heeft vele belegeringen moeten doorstaan van de Groningers en andere vijanden.
In 1401 trokken de Groningers met de Schieringers uit de Ommelanden naar Appingedam. Zij verwoestten de borgen van Onno en Popke Snelgers, die tot de Vetkopers behoorden.
In 1501 werd de stad belegerd door de Groningers, maar ontzet door graaf Edzard van Oost-Friesland.
Een zwaar beleg volgde in 1514, toen Georg van Saksen het stadje innam en de bevolking werd uitgemoord. Vele inwoners vluchtten in de Nicolaikerk, waar ook Gert van Klooster, de drost van het Oldambt, met zijn manschappen een schuilplaats zocht. Ze werden allen vermoord door de benden van Erik van Brunswijk. In 1515 riep de stad Groningen de hulp in van Karel van Gelre; in zijn dienst kwamen Maarten van Rossum en Berend van Hackfort en veroverden Appingedam. De Saksische aanvoerder Carlowits bedong vrije aftocht (1517).

In 1536 was Appingedam bezet door Meindert van den Ham. Schenk van Toutenburg, stadhouder van Groningen, hongerde het stadje uit en nam het in; ontmanteling volgde.

De bron van de problemen met de stad Groningen was economische wedijver; Groningen werd vooral bevoordeeld door het bezit van het stapelrecht. Na de Reductie (1594), waarbij Groningen het stapelrecht behield, ontbrandde de strijd opnieuw. In 1610 beslisten de Staten-Generaal dat Appingedam werd gehandhaafd in haar vrije handel van alle vette beesten en vette waren. In 1615 kwam het recht van koren en andere koopmanschappen erbij, verder het recht van verkoop en uitvoer van bier, behalve de verkoop bij tapmaat: dat moest Groninger bier zijn. Ook de Damster jaar- en weekmarkten bleven gehandhaafd. De Groningers maakten echter nog herhaaldelijk moeilijkheden over het stapelrecht.

De economische glorietijd was na de Reductie voor Appingedam voorbij, maar de stad vervulde op regionaal niveau nog steeds een belangrijke rol als verzorgingscentrum; lokale nijverheid en handel bleven bestaan. Na de Bataafs-Franse tijd, begin 19de eeuw, verloor ze ook die functie door de snelle opkomst van Delfzijl. Alleen de paardenmarkt en de jaarlijkse harddraverij trokken nog (internationaal) de aandacht. Wel bleef de stad voor de rechtspraak nog lange tijd de hoofdplaats van het arrondissement (tot 1876).

Aan het einde van de 19de eeuw bloeide de Damster economie weer op; in 1870 richtte C. Roggenkamp de stoomtimmerfabriek 'Molly' op, de eerste in haar soort in Nederland. De stad profiteerde ook van de aanleg van de spoorlijn Groningen-Delfzijl, al had dit een negatief effect op de Damster vrachtvaart, evenals de opening van
het veraf gelegen Eemskanaal (1876).

Na 1900 kwam een omslag: Appingedam groeide in de 20ste eeuw uit tot een industrieplaats met o.a. een strokartonfabriek (1909), een landbouwmachinefabriek, Brons scheeps- en motorenfabriek, een vlasserij
en steenfabrieken (tichelwerken). Daarnaast ontwikkelde zich de DAM, de Damster Autobus Maatschappij. Op het gebied van middenstand en onderwijs groeide Appingedam weer uit tot het verzorgingscentum voor de regio.

De stad heeft veel geleden bij de bevrijding, maar heeft zich snel hersteld. Ook de bouw van nieuwe woningen is krachtig ter hand genomen en Appingedam werd steeds meer een woongemeente.

In 1953 werd een historisch museum gesticht; dit museum - nu Museum Stad Appingedam geheten - is gevestigd in een gerestaureerd pakhuis dat in verbinding staat met het Voorhuis', een pand uit de late Middeleeuwen. Het bezit o.a. collecties porselein, klederdracht en kinderspelen.

Schimpnamen voor de inwoners: Peerdekopers, Vlinthippers, Vlintentrappers, Klokkedaiven en Knollen.


Pageviews vandaag: 5.