Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 01-11-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Anne Siderius de Blécourt

Anne Siderius de Blécourt, (Appingedam 1873 - 's-Gravenhage 1940). Rechter, rechtshistoricus en streektaalpublicist. De Blécourt studeerde rechten te Groningen, maar zijn grote voorliefde ging uit naar de geschiedenis. De Groninger taal had zijn grote belangstelling.

Als adjunct-archivaris van Rotterdam solliciteerde hij, zonder resultaat, naar een functie bij het Rijksarchief in Groningen. Van 1901 tot 1903 was hij verbonden aan de provinciale griffie te Haarlem en van 1903 tot 1917 was hij
achtereenvolgens griffier in Zutphen en daarna rechter in Zutphen, Utrecht en 's-Gravenhage.

Van 1917 tot 1939 was hij hoogleraar oud-vaderlands recht in Leiden. Hij publiceerde onder meer Kort begrip van het oud-vaderlandsch burgerlijk recht en, samen met N. Japikse, in 1919 Klein plakkaatboek van Nederland.

Over de Groninger geschiedenis schreef hij Het stadsmeierrecht in de Groninger Veenkoloniën (1907), Beklemrecht en stadsmeierrecht (1920), Sententiën van de Hoofdmannenkamer (1925) en Oldambt en Ommelanden (1935). Daarnaast schreef hij ook diverse artikelen in de Groningsche Volksalmanak.

De Groninger taal had zijn grote belangstelling. In 1901 verscheen Fivelgoër landleven. Voor het verleden en de ontwikkeling van het Gronings was dit van veel waarde, vooral omdat hij voor deze studie bejaarde personen, die het Gronings van decennia vroeger spraken, interviewde.

Na zijn pensionering legde hij zich meer op streektaalgeschiedenis toe. Hij werkte mee aan het in 1941 verschenen Twee berijmde vertellingen. Dit was een bewerking van ''n Roare raize van t Hoogeland noa Stad' (1828) en van het in 1837 door S. Reynders geschreven 'Houw dat Jan aan zien Saar kwam'.


Pageviews vandaag: 6.