Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 22-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Alting

Wijdvertakt geslacht van Drentse origine, teruggaand tot begin 14de eeuw. De stamvader van de meeste Groninger en Emder Altings is Menso Alting (gest. 1526), ette van het Landschap Drenthe.

Zijn zoons Roelof (1516-1589) en Johan (1519-1582) waren schulte in Eelde, een ambt dat eerder door de familie van hun moeder was bekleed. Afstammelingen van Johan Alting hebben met slechts een korte onderbreking tot halverwege de 18de eeuw het schultambt van Eelde bekleed.

Roelof (Rudolf) Alting werd in 1579 burger van Groningen en later gezworene. Hij was de vader van Menso (I) Alting (1541-1612), student theologie Keulen 1562, vicaris Haren (Gr) 1564, pastoor Sleen 1564, student theologie Heidelberg 1565, pastoor Sleen 1566, respectievelijk verschillende plaatsen in Duitsland; gereformeerd predikant Emden 1575-1612. Van Emden uit oefende Alting grote invloed uit op de voorgang van de Reformatie in calvinistische geest in Stad en Ommelanden en in Drenthe. Hij werd een belangrijke adviseur in kerkelijke aangelegenheden van stadhouder Willem Lodewijk, die het gezag over de drie noordelijke provincies had. Menso Alting stelde onder andere een kerkorde voor Groningen op en was nauw betrokken bij de aanvankelijk mislukte poging de Drenten in korte tijd voor het calvinisme te winnen. Hij was een vurig strijder voor het calvinisme, dat volgens hem de enige godsdienstige waarheid verkondigde.

Ook Menso's broer Eberhardus Alting woonde in Emden en hoorde tot de eerste leden van het in 1589 opgerichte college van Veertigers, dat in de regel een opstap tot het Emder raadscircuit was. Hiervan en van andere ständische (republikeinsgezinde) regeringscolleges maakten Menso Altings nazaten in de 17de eeuw deel uit.

In de stad Groningen begint de rij der Altings met Egbert Alting (1518-1596), een broer van Johan en Roelof. Aan zijn huwelijk met de weduwe van een Canter dankte Egbert Alting vermoedelijk zijn connecties met aanzienlijke Groninger patricische families. Zijn Diarium, een dagboek over de lange periode dat hij stadssecretaris van Groningen was (1549/1553-1594), is een belangrijke bron voor de geschiedenis van en Ommelanden in
de tweede helft van de 16de eeuw.

Egbert Alting nam niet openlijk stelling in de steeds heftiger wordende politieke tegenstellingen van zijn tijd, noch op godsdienstig terrein. Zijn zoon Joachim Alting (1556-1625) behoort daarentegen tot degenen die in 1594 bij de Reductie in de stadsraad (hij werd burgemeester) werden benoemd. Hij was onder de oprichters van de Groninger universiteit (1614) en een van de eerste bewindhebers van de Groningse Kamer der West-Indische Compagnie (1622).

Ook nazaten van de Emder predikant Menso l Alting vestigden zich in Groningen. Zijn zoon Henricus Alting (1583-1644) was eerst hoogleraar theologie in Heidelberg, later - door de Dertigjarige Oorlog verdreven - in Groningen (1627). Dogmatisch theoloog als zijn vader, was hij tevens een fervent aanhanger van de predestinatieleer.

Van Henricus' zonen was Menso (ll) Alting (1617-1678) jurist, hoogleraar rechten in Deventer, later syndicus (1654) en raadsheer van Groningen.

Jacobus Alting (1618-1679) was theoloog en een begaafd oriëntalist. Hij werd hoogleraar in beide disciplines in Groningen (1667, respectievelijk 1643) en academiepredikant. Hij had moderne, controversiële theologische
opvattingen. Daarnaast publiceerde hij ook een Syrische en een Hebreeuwse grammatica.

Een andere Menso (III) Alting (1636-1712), een kleinzoon van de Emder predikant, werd secretaris en ambtman van Selwerd, richter van Sappemeer, raadsheer en burgemeester van Groningen. Hij was kenner van het Oudgroninger recht en auteur van een omvangrijk tweedelig geografisch-historisch werk dat de Nederlandse kustgebieden beschrijft: de Descriptio.agri Batavi et Fristi.sive notitia Germania Inferioris (1697) en de Descriptio Frisia... inter Sinc et Emese. pars altera notitiee Germania inferioris (1701).

In de 18de eeuw schijnt de politieke invloed van de familie Alting te zijn afgenomen; het binnenste regeringscircuit van de stad (de Raad) bleef voor haar gesloten. Niet direct tot bovenstaande familietakken zijn de volgende personen te rekenen.

Bernard Alting (ca. 1600-na 1655) was syndicus van Groningen en auteur van historisch-juridische werken. Opmerkelijk modern is zijn hoofdwerk De Pilaren ende Peerlen van Groningen (1648), een scherpzinnige analyse
van de symbiose van Stad en Ommelanden, die volgens hem meer bij eendracht dan bij het halsstarrig vasthouden aan - al dan niet vermeende - privileges gebaat was. Altings ontslag als syndicus (1643) had dan ook alles
te maken met zijn in Groningse ogen al te coulante houding ten opzichte van de Ommelanden. Later is hij gerehabiliteerd en raadsheer geworden (1653).

Gerhard Alting (1694-1775) was jurist, fiscaal van het gerecht van Sappemeer, commies der landsmagazijnen en auditeur te Bourtange, maker van Latijnse gedichten. Hij kocht het buiten Vennebroek in Paterswolde (1768), dat
ooit aan Joachim Alting had toebehoord. Zijn zoon Willem Arnold Alting (1724-1800), eveneens jurist, maakte carrière in de koloniën en was van 1780 tot 1797 gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië; hij was een corrupt bestuurder.

Menso (III) Alting werd in 1751 voor de eerste maal gezworene van Groningen en trad in 1775-1776 en 1784-1785
op als taalman. Vermoedelijk was hij vanaf 1761 redacteur van de Groninger Courant. Hij had een belangrijk aandeel in de rekwestbeweging van 1784-1786.


Pageviews vandaag: 18.