kunstbusgroningen

Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-01-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Albertus Antoni Hinsz

Albertus Antoni Hinsz (Hamburg, 1704 - Uithuizen/Groningen 1785) was een Nederlandse orgelbouwer van Duitse afkomst. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de voortzetting van de Noord-Duitse orgelbouwtraditie, die een hoogtepunt beleefde door de komst van de Duitse orgelbouwer Arp Schnitger in Nederland. Hinsz was een leerling van Franz Caspar Schnitger (zoon van Arp Schnitger). Na diens overlijden trouwde Hinsz in 1732 met zijn weduwe.

Waarschijnlijk had hij al in Hamburg het vak geleerd. Hij vestigde zich in 1728 als orgelmaker in Groningen en bouwde in 1731 zijn eerste nieuwe orgel te Zandeweer. Huwde een jaar later Anna Maria Debberts, de weduwe van F.C. Schnitger, waarna diens werkplaats te Zwolle werd opgenomen in die van Hinsz te Groningen. Hinsz was gedurende een groot deel van de 18de eeuw de toonaangevende orgelmaker in Groningen, Friesland en Overijssel en hij had ook daarbuiten een grote naam.

Hij bouwde enerzijds voort op de orgelstijl van Arp Schnitger, maar bracht ook nieuwe elementen: zo kregen zijn instrumenten vanaf 1751 als toonhoogte de zgn. kamertoon en werd vanaf omstreeks 1770 (waarschijnlijk op instigatie van J.W. Lustig) een gelijkzwevende stemming toegepast. Zijn grootste orgel bouwde Hinsz in de Bovenkerk te Kampen (1742). Belangrijkste instrumenten in Groningen; Leens (1734), Appingedam (1744), Meeden (1751), Midwolda (1772) en Uithuizermeeden (1785). Een goed bewaard huisorgel staat tegenwoordig in het Gelderse Bronkhorst (hervormde kapel). In zijn bedrijf werkten onder anderen zijn stiefzoon Frans Caspar Schnitger jr., H.H.

Leven en werk
Geboren in Duitsland kwam hij naar Nederland. Twee later zeer bekende en succesvolle Friese orgelbouwers zijn als knecht bij Hinsz begonnen: Lambertus van Dam en Albertus van Gruisen. Ook Frans Casper Snitger (kleinzoon van Arp Schnitger), Heinrich Hermann Freytag en Matthijs Hansen Hardorff hebben een belangrijke rol gespeeld binnen de orgelmakerij van Hinsz.

Het werk van Hinsz is qua klank zeer kenmerkend te noemen. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat hij zijn vulstemmen vaak op tertsen heeft gebaseerd. Tertsmixturen maken de klank 'zilverachtig' en daardoor kan een Hinsz-orgel feilloos worden herkend. De opbouw van zijn instrumenten is ook kenmerkend te noemen. De frontindelingen zijn zeer karakteristiek en in eerste lijn gebaseerd op het instrument van zijn grote voorganger Schnitger in de Grote Kerk van Zwolle.

Hinsz bouwde kerkorgels in onder meer Zandeweer (1731), Leens (1733), Appingedam (1744), Meeden (1751), Midwolda (1772) en Uithuizermeeden (1785). Verder staan er orgels van hem in Haren, Damwoude, Roden, Tzum, Wassenaar. Grote instrumenten van hem staan in Harlingen (1776) en Bolsward (1781). Ook als restaurateur en ombouwer van instrumenten is Hinsz zeer actief geweest. Onder andere heeft hij het rugwerk van de orgels in de Martinikerk in Groningen (1730) en in de Hervormde Kerk van Peize (1758) gebouwd. Voor de aankleding van zijn orgels werkte Hinsz samen met onder anderen beeldsnijder Casper Struiwig.

Het meest imposante instrument van de hand van Hinsz is het grote orgel in de Bovenkerk te Kampen (1744). Dit orgel is vooral een fusieorgel, want veel pijpwerk is aanzienlijk ouder dan Hinsz. Zo zit er pijpwerk in van een ander bekend orgelbouwersgeslacht uit de 17e eeuw, de familie Slegel, maar ook van een groot aantal andere orgelbouwers voor en na Hinsz.

Tijdens werkzaamheden aan het Schnitgerorgel van de kerk van Uithuizen overleed Hinsz. Daardoor heeft hij het orgel van de kerk van Uithuizermeeden niet zelf kunnen voltooien. Zijn graf ligt in de Lutherse Kerk te Groningen, waar een gedenksteen is geplaatst.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.