Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 18-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Albertine Agnes

Prinses van Oranje-Nassau ('s-Gravenhage 9-4-1634 - Oranjewoud 24-5-1696). Dochter van Frederik Hendrik prins van Oranje (1584-1647) en Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675). Huwde op 2-5-1652 in Kleef met stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe Willem Frederik, graaf van Nassau-Dietz (1613-1664). Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren. Regentes voor haar zoon (1664-1675) Hendrik Casimir II. Met Johan Maurits spande zij zich in voor de verdediging van het Noorden tegen de Münstersen. Albertine probeerde een goede relatie te behouden met Willem III.

Albertine was de vijfde dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms en de tweede die de volwassen leeftijd bereikte. Dankzij haar hoogadellijke achtergrond en de ambitieuze huwelijkspolitiek van haar ouders zijn haar jeugdjaren relatief goed gedocumenteerd. Een betrouwbare beschrijving van haar uiterlijk hebben we niet, maar de prinses heet in verschillende bronnen 'hups' en niet onknap te zijn. De prinses groeide op aan het Haagse Oranjehof dat zich in deze jaren langzaam ontwikkelde tot een hof van internationale allure. Haar vijftienjarige broer Willem trouwde in 1641 met de negen jaar oude Engelse koningsdochter Maria Stuart en haar zus Louise Henriëtte verbond zich in 1646 met de keurvorst van Brandenburg. In deze periode werd al gespeculeerd over Albertines toekomstige huwelijkspartner. De prinses zelf was toen amper negen jaar oud. Hoop koesterde vooral Albertines achterneef, Willem Frederik van Nassau-Dietz - de stadhouder van Friesland. Deze had op het sterfbed van zijn moeder in 1642 de opdracht gekregen ooit een prinses van Oranje te huwen.

'Mij worden goede hoop ende halve verzekeringen gegeven aangaande de zaak Albertine', noteerde Willem Frederik in juni 1643 in zijn dagboek (Kooijmans, Liefde in opdracht, 46). Toch zou het nog negen jaar duren voordat het huwelijk rond was. Vooral haar moeder Amalia wilde zich er eerst van verzekeren dat er geen betere kandidaten voor Albertine beschikbaar waren. Pas nadat Willem II in 1650 vroegtijdig overleed en de machtspositie van de Oranjes in de Republiek dientengevolge sterk was verzwakt, stegen Willem Frederiks kansen. Amalia liet er in 1651 geen misverstand over bestaan: 'zij had haar dochter aan mijnheer graaf Willem niet willen geven, maar zij gaf haar aan de Heeren Staten [van Friesland]'. Omdat Albertine zelf vanwege haar minderjarigheid geen partij was bij de onderhandelingen, ontbreken stukken van haar hand waaruit we haar eigen visie op het voorgenomen huwelijk zouden kunnen afleiden. In ieder geval toonde ze niet altijd evenveel sympathie voor Willem Frederik, die moest constateren dat de prinses hem soms ontweek of weigerde hem aan te kijken en een hand te geven. Het gearrangeerde huwelijk werd uiteindelijk in mei 1652 in Kleef voltrokken, waar neef Johan Maurits van Nassau-Siegen als gastheer optrad.

Uit het huwelijk van Albertine en Willem Frederik werden drie kinderen geboren: op 5 december 1655 Amalia (gest. Allstedt 1695), op 28 januari 1657 Hendrik Casimir II (gest. Leeuwarden 1696) en op 30 juli 1664 Sophia Wilhelmina (gest. Den Haag 1667). De twee eerste kinderen werden geboren in Den Haag, het derde kind wellicht in Leeuwarden. Tijdens de huwelijksjaren leidden Albertine en Willem Frederik grotendeels gescheiden levens, iets dat op zichzelf niet ongebruikelijk was in hoogadellijke kringen. Zowel in Willem Frederiks woning in Den Haag als in het stadhouderlijk hof in Leeuwarden beschikte Albertine over eigen kwartieren en over een persoonlijke hofhouding van circa 22 personen. Wanneer Willem Frederik naar Friesland vertrok, gaf Albertine er bovendien vaak de voorkeur aan in Den Haag te blijven. Uit Willem Frederiks dagboeken valt af te leiden dat Albertine er ook persoonlijk verantwoordelijk voor was dat beide hofhoudingen gescheiden bleven. Zijn beschrijvingen van hun huwelijk doen vermoeden dat de prinses van Oranje zichzelf eigenlijk te aanzienlijk vond om in Willem Frederiks grafelijke hof en Friese netwerken te worden opgenomen. Wellicht compliceerde de ongelijke status die Willem Frederik als graaf ten opzichte van een geboren prinses innam ook hun huwelijkscontacten. Hun grote leeftijdsverschil kan daarbij eveneens een rol hebben gespeeld. Wel deelden zij beiden een zekere belangstelling voor het gereformeerde piëtisme. Publicaties van pleitbezorgers van de Nadere Reformatie waren prominent in de stadhouderlijke bibliotheek aanwezig.

Regentes
Toen Willem Frederik in 1664 overleed en slechts één zoon naliet, Hendrik Casimir II, kreeg Albertine de taak als diens voogdes op te treden. Deze voogdijregeling was een gevolg van het huwelijkscontract en had daarmee in eerste instantie alleen betrekking op de grafelijke waardigheden van haar zoon. In de praktijk zou Albertine echter ook een quasi-regentschap gaan uitoefenen over Hendriks stadhouderschappen van Friesland, Groningen en Drenthe, die hem in 1664 voorwaardelijk waren toegewezen. Daartoe had Willem Frederik eerder al het initiatief genomen door een 'akte van survivance' voor zijn zoon te verkrijgen en door met verschillende regenten in het geheim contracten af te sluiten waarin de belofte van hun trouw aan Hendrik Casimir II én Albertine was vastgelegd. De prinses zou dankzij die constructie haar grafelijke voogdijschap naar een ambtelijk regentschap kunnen uitbreiden en daarmee de eerste vrouw worden die in de Republiek het stadhouderschap als regentes ging waarnemen.

Deze positie van Albertine Agnes als voogdes duurde tot 1677, het jaar waarin Hendrik Casimir II twintig werd en daarmee volwassen. Opvallend is dat uit deze periode van dertien jaar voogdijschap uitvoerige correspondenties zijn overgeleverd met Friese en Groninger regenten - onder meer met de gedeputeerden in de Staten-Generaal. Het ging hier veelal om contacten die Willem Frederik eerder had opgebouwd. Zo ontstaat de indruk dat Albertine dankzij diens geheime contracten de clientèle van haar echtgenoot na 1664 inderdaad overnam. Die politieke steun zou van groot belang blijken omdat de noordelijke gewesten in deze turbulente periode tweemaal (in 1665 en 1672) door troepen van de bisschop van Münster werden binnengevallen. Tijdens het zogenaamde rampjaar 1672 braken in Friesland relletjes uit onder de bevolking, die de tegenspoed toeschreef aan het bewind van de zittende regenten. Deze onrust droeg ertoe bij dat Hendrik Casimir II in juli van dat jaar al volwaardig geïnstalleerd werd als stadhouder, zij het nog steeds onder toezicht van zijn moeder. Albertine bemoeide zich naar verluidt actief met de militaire campagnes en zou zelfs het plan hebben geopperd desnoods de dijken in Friesland door te laten steken. Ook gaf zij Hendrik in 1673 en 1674 toestemming om in het leger onder leiding van zijn neef Willem III te gaan dienen.

De opvoeding van Hendrik hield Albertine goeddeels in eigen hand. De jonge graaf heette intelligent, maar wel opvliegend en weinig diplomatiek van aard te zijn. Hendrik kampte bovendien met een zwakke gezondheid, zodat zijn toekomstige loopbaan en de voortzetting van de stadhouderlijke dynastie van Nassau-Dietz lange tijd ongewis bleef. Hendriks rivaliteit met zijn neef prins Willem III zette de verhoudingen binnen het Huis van Nassau bovendien op scherp. Albertine probeerde als moeder respectievelijk tante van beide jongens weliswaar te bemiddelen, maar haar pogingen daartoe zouden niet altijd een positieve uitwerking op de familiefrictie hebben gehad. Hendrik stierf uiteindelijk in maart 1696, twee maanden vóór zijn moeder.

Mecenas en vorstin
Albertines betekenis voor de geschiedenis van de Republiek bleef niet tot het voogdijschap over haar zoon beperkt. Minstens even bekend werd zij als opdrachtgever van verschillende bouwprojecten en als verzamelaar van schilderijen en kunstobjecten. De prinses wordt in dit verband vaak als spilzuchtig voorgesteld, een eigenschap waarvan ook haar moeder door sommigen wordt beschuldigd. In ieder geval zal Albertine dankzij haar opvoeding aan het Oranjehof een gevoel voor kunst en mecenaat hebben meegekregen.

Al meteen na de huwelijksvoltrekking van 1652 werden de grafelijke onderkomens in Leeuwarden en Groningen uitgebreid met galerijen, tuinen en privévertrekken voor de prinses. De overgeleverde bouwtekeningen en rekeningen illustreren de ambitie van Willem Frederik en Albertine om hun hof, dat afwisselend in Leeuwarden en Den Haag verbleef, een zekere internationale allure te geven. Amsterdam, Antwerpen en Parijs waren doorgaans de plaatsen waar hun bestellingen voor luxegoederen werden gedaan. Albertine moet een sterke invloed op deze veranderende hofcultuur hebben gehad, want uit Willem Frederiks brieven valt af te leiden dat het vaak de prinses was die toestemming gaf voor opdrachten aan zilversmeden, tapijtwevers en vooral schilders. Zelf bouwde zij na zijn dood een schuld van 6045 gulden op bij de Haagse schilder Jan Mijtens, hetgeen erop wijst dat deze zeker enkele tientallen schilderijen aan de prinses moet hebben geleverd. Andere opdrachten werden nadien bij schilders zoals Abraham van den Tempel en Caspar Netscher gedaan. Albertine beschikte dankzij Oranje-erfenissen en schenkingen bovendien over een omvangrijke collectie oudere meesters waaronder Quinten Matsijs, Anthonie van Dijck en Peter Paul Rubens.

Na Willem Frederiks dood startte Albertine zelfstandig twee nieuwe bouwprojecten. In 1676 kocht ze nabij Heerenveen het buiten van haar hoffunctionaris Barent van Sevenaer. Hoewel het de stadhouder formeel verboden was in Friesland land aan te kopen, gaven de Staten voor deze gelegenheid toestemming. Albertine liet de bestaande 'state' enigszins verbouwen en voegde een formele tuin aan het complex toe. Het geheel kreeg de titel 'Oranjewoud' en werd na haar dood verder uitgebreid tot een barok paleis. Een tweede, meer omvangrijk project begon Albertine in Dietz - nabij Koblenz - waar Willem Frederik als graaf een kasteel en enige landerijen bezat. Albertine had Dietz in 1664 als weduwegoed geërfd en vanaf 1672 liet zij daar op de plaats van het Benedictijner klooster Dierstein een geheel nieuw paleiscomplex aanleggen: Oranienstein. Het initiatief daartoe liep parallel met soortgelijke bouwprojecten van haar zussen elders in het Duitse Rijk. Met gelijkluidende namen zoals Oranienburg, Oranienbaum en Oranienhof zorgden deze onderkomens van Amalia's dochters voor een sterke Hollandse invloed op de Duitse bouwkunst. De werkzaamheden aan Oranienstein waren in 1682 afgerond, en in 1684 betrok Albertine het paleis. Oranienstein is na haar dood - in de jaren 1707-1709 - onder leiding van Daniël Marot verder tot het huidige barokpaleis verbouwd.

Albertine overleed in 1696 op het Friese Oranjewoud. Zij werd begraven in de grafkelder van de Friese stadhouders in de Grote Kerk in Leeuwarden. Haar betekenis voor de politieke en culturele geschiedenis van de Republiek lijkt niet onaanzienlijk te zijn geweest; toch is er opvallend weinig studie naar Albertine Agnes verricht. Toekomstig onderzoek in haar omvangrijke, maar nauwelijks bestudeerde archieven zal het beeld van de prinses en de precieze reikwijdte en de betekenis van haar voogdijschap ongetwijfeld kunnen verfijnen.

Bronvermelding: Geert H. Janssen, Albertine Agnes van Oranje, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/AlbertineAgnes


Pageviews vandaag: 2.