Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 18-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Alberda

Familie, behorende tot de alleroudste adellijke geslachten van de provincie Groningen, die bovendien vanaf de vroege hoofdelingentijd (13de-14de eeuw) tot op heden onafgebroken in het gebied hebben gewoond.

De oorsprong ligt waarschijnlijk in Noordoost-Fivelingo, waar in het midden van de 13de eeuw de Albertidae (de 'Albertmannen') als vetegenootschap optraden.
In hoeverre de Au(l)sema's te Uithuizen (15de-17de eeuw), bij wie hetzelfde familiewapen en - deels - dezelfde voornamen worden gevonden, een tak van dit geslachtsverband vormen, is onbekend.

Tot omstreeks 1700 was de familie Alberda op 't Zandt en in Eenum gevestigd en speelde zij in de Ommelanden slechts een rol op de achtergrond. In de 16de eeuw hoorden de Alberda's tot de regeringskringen van de stad
Groningen
. Hun 'werkterrein' zou pas in de loop van de 17de eeuw naar de Ommelanden worden verlegd.

Van Mello Alberda (1642-1699), die in 1682 de Menkemaborg te Uithuizen en in 1695 Rensuma te Uithuizermeeden kocht, stammen de Alberda-takken af die in de 18de eeuw in de Ommelanden de toon aangaven. Door zijn huwelijk met Susanna Elisabeth Tamminga van Ludema, dochter van een Noord-Groninger (invloed)rijke jonker, door
erfenis en door aankoop kon Mello zijn positie in Hunsingo uitbouwen.

Van de zonen uit dit huwelijk erfde Onno Tamminga van Alberda (1669-1743) Rensuma. Hij verwierf door huwelijk het aanzienlijke Nijenstein te Zandeweer en was een van de invloedrijkste jonkers van zijn tijd. Met zijn neef Gerhard Alberda van Dijksterhuis deelde hij in de eerste helft van de 18de eeuw de lakens uit in Noord-Hunsingo. Behalve politicus was Onno T. van Alberda ook ondernemer: zo exploiteerde hij een aantal grote landbouwbedrijven en dijkte hij op eigen kosten de Zuurdijkster Polder in (1729).

Van de talrijke nakomelingen van Onno Tamminga van Alberda en Josina Petronella Clant traden in de tweede helft van de 18de eeuw de takken Bloemersma-Bijma (Niekerk-Faan) en Rensema (Uithuizermeeden) op de voorgrond. Tussen 1749 en 1795 waren de zonen Edzard Reint Alberda van Bloemersma (1708-1775) en Willem Alberda van Rensema
(1710-1786), vervolgens de zoon van de eerstgenoemde, Scato Ludolph Alberda van Bijma (1742-1808), vertrouwelingen van de stadhouder in de Ommelanden (luitenant-stadhouders). De keuze van deze Alberda's voor
Oranje geschiedde uit pragmatische overwegingen.

De tweede zoon van Mello Alberda van Menkema, Willem Alberda (1674-1721), kwam door een voordelige ruil met zijn schoonvader Horenken in het bezit van het aanzienlijke huis Ten Dijke of Dijksterhuis bij Pieterburen, vanwaar zijn nageslacht zich Alberda van Dijksterhuis noemde. De belangrijkste telg uit deze familietak was Willems zoon Gerhard Alberda van Dijksterhuis (1705-1784), die met zijn nicht Susanna Elisabeth Alberda van Menkema trouwde. Daardoor bleven de huizen Menkema en Dijksterhuis voortaan (meestal) in één hand en was de politieke invloed van de twee families in het noorden van Hunsingo navenant. Gerhard Alberda was bij zijn dood de rijkste jonker van zijn tijd. Hij is het prototype van een politieke opportunist, die na 1749 van de staatsgezinde naar de toen bovendrijvende Oranjepartij overstapte, waartoe ook zijn neven Bloemersma en Rensema behoorden.

Na de val van de oude Republiek (1795) was de familie Alberda haar prominente positie voorgoed kwijt. Wel werd zij door koning Willem I in de Nederlandse adelstand verheven, maar vooraanstaande politieke ambten op provinciaal of nationaal niveau hebben de 19de-eeuwse Alberda's niet meer bekleed. Met de dood van de laatste Alberda van Menkema en Dijksterhuis in 1902 was de rol van de familie uitgespeeld.

Tot vandaag de dag bestaat de familie Alberda van Ekenstein, die zich noemt naar het in 1754 verworven gelijknamige buitenverblijf onder Tjamsweer. Dit bleef tot 1946 in de familie. Deze tak stamt af van Onno Joost
Alberda (1709-1756), een zoon van Onno Tamminga van Alberda en Josina Petronella Clant. De meest prominente telg van deze familietak was jhr. Willem Carel Antoon Alberda van Ekenstein (1825-1903), lid van de gemeenteraad van Groningen, Provinciale Staten en Eerste Kamer, inspecteur der jacht en visserij en schoolopziener van Groningen.
Hij was ook bekend als verzamelaar van antiquiteiten. In 1870 liet hij Ekenstein tot een neogotisch kasteeltje verbouwen, waarbij hij ook bouwfragmenten van andere, inmiddels gesloopte borgen liet verwerken.


Pageviews vandaag: 2.