Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 16-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

admiraliteitscollege

Beheerslichaam voor het zeewezen, zoals er vanaf het einde van de 16de eeuw vijf bestonden onder de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden. Groningen ressorteerde onder de admiraliteit die tot 1644 te Dokkum gevestigd was en daarna vanwege de toenemende verzanding van de haven daar, het Dokkumerdiep en de Lauwers, naar Harlingen verhuisde.

Na soms hooglopende interregionale conflicten kwam in 1597 een instructie voor de admiraliteitscolleges tot stand; deze gold toen 'provisioneel voor één jaar' maar werd tot 1795 steeds weer stilzwijgend verlengd. Hieruit blijkt wel hoe moeizaam een compromis over de walorganisatie van 's lands zeemacht totstandgekomen was. Volgens deze instructie waren er vijf admiraliteitscolleges: van Zeeland (zetel te Middelburg), op de Maze (te Rotterdam), van Amsterdam, van het Noorderkwartier (zetel wisselend in Hoorn en Enkhuizen) en 'van Friesland'. Formeel waren de admiraliteitscolleges organen van de Generaliteit (dus van de Staten-Generaal; hier werkte een traditie door uit de late Middeleeuwen, toen in Veere een Raad van Admiraliteit bestond als 'bovenprovinciaal' orgaan). Daarom zetelden in ieder college niet alleen edelmogenden uit het eigen ressort, maar ook uit andere provincies. Zo werd
Groningen niet alleen in Dokkum, later Harlingen, vertegenwoordigd door twee leden (uit respectievelijk de Stad en de Ommelanden), maar ook in Amsterdam door één afgevaardigde. In de praktijk had in ieder college de provincie, casu quo stad, van vestiging overwegende invloed.

De wezenlijke taak van de colleges was de voorziening van de vloot met personeel en materieel. Daarvoor onderhielden zij magazijnen, werven (waar vanaf het midden van de rde eeuw ook in eigen beheer schepen werden gebouwd) en vanaf de tweede helft van de 18de eeuw ook hospitalen. Ook bemoeiden zij zich met de theoretische opleiding van officieren en stuurlieden, ondermeer door het aanstellen van examinators. Hun inkomsten verkregen zij in principe uit heffingen op de scheepvaart en de in- en uitvoer: de convooien en licenten, last- en veilgelden. Voor de perceptie daarvan onderhielden zij tolkantoren in de havens en grensplaatsen van hun ressort. Onder bijzondere (bijv. oorlogs)omstandigheden kregen zij somssubsidies uit de algemene middelen.

De Friese admiraliteit was steeds financieel de zwakste onder de colleges. In de 18de eeuw was er zelfs een periode (1721-1730) waarin zij geen enkel schip het hare kon noemen. Een tragikomisch incident deed zich voor tegen het einde van de vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Op de admiraliteits- of landswerf te Harlingen waren toen twee linieschepen van 74 stukken in aanbouw, de 'Vriesland' en de 'Stad en Lande', die als dank voor steun van Frankrijk aan dat land werden geschonken. Deze bodems bleken echter na voltooiing te diep te steken om buiten de haven gebracht te kunnen worden.

De geschiedschrijving van de Friese admiraliteit (eigenlijk zou juister zijn: de admiraliteit van de twee noordelijke kustprovincies) wordt bemoeilijkt door de grote schade die haar archieven hebben geleden. Al in 1771 ging een belangrijk deel door brand verloren. Bij de beruchte brand van het gebouw van het departement van Marine werd het merendeel van de bewaard gebleven notulen (over de periode 1753-1795) en vele andere stukken vernietigd.


Pageviews vandaag: 5.