Stichting Kunstbus Groningen

Dit artikel is 16-09-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Academisch Ziekenhuis Groningen

Het Academisch Ziekenhuis (APSAZ/AZG) begon in 1797 als ziekenhuis voor de praktische opleiding van doktoren: het Nosocomium Academicum. Vóór die tijd was het nog gewoon dat de medische faculteit alleen het theoretische onderwijs verzorgde.

​Door de oprichting van een hogeschool, de huidige Rijksuniversiteit Groningen, werd het in 1614 mogelijk om medisch academisch onderwijs te volgen in Groningen. Dr. Nicolaus Mulerius werd als eerste hoogleraar benoemd. De inhoud van het medisch onderwijs werd mede bepaald door de scheiding tussen de academische artsen en de chirurgijns en barbiers. Het was beneden de waardigheid van de academische artsen om zich in te laten met de ambachtelijke en vaak bloederige werkzaamheden van chirurgijns en barbiers. Ook wilden de academici hun reputatie niet op het spel zetten in het niet onwaarschijnlijke geval dat een behandeling faalde. Hierdoor had het onderwijs van de hogeschool vaak een filosofisch karakter.

Aan het eind van de achttiende eeuw werd het belang van praktisch klinisch onderwijs voor academici duidelijk. De dan zittende hoogleraar Geneeskunde, Evert Jan Thomassen à Thuessink, nam daarom het initiatief om een academisch ziekenhuis te stichten. Het ziekenhuis genaamd Nosocomium Academicum opende op 11 november 1797 zijn deuren in het Groene Weeshuis, in de Hofstraat.

De praktische handvaardigheid werd al doende geleerd. F.J. Thomassen à Thuessink kreeg van de overheid toestemming en geld om Academisch Ziekenhuis twee kamers van het Groene Weeshuis - op
de hoek van Oude Ebbingestraat en de Hofstraat - om te bouwen tot ziekenhuiskamers.
Er was plaats voor acht zieken. De weesvader en -moeder verzorgden de patiënten. Er werd ook een academische arts aangesteld voor de medische behandeling. Thuessink verzorgde het onderwijs.

Hoe goed het initiatief van Thomassen à Thuessink ook was, het Nosocomium bleek al snel te klein en te simpel om een succes te worden. Daarom opende Thomassen à Thuessink in 1803 een beter ingericht ziekenhuis in het West-Indisch Huis, aan de Munnekeholm. Niet zonder succes want het vertrouwen in het ziekenhuis nam toe. Er meldden zich steeds meer patiënten, en de behandelingen hadden vaker succes. Verder konden er meer mensen worden opgenomen. In het Groene Weeshuis had het ziekenhuis acht bedden en in het nieuwe ziekenhuis stonden er maar liefst veertig. Ook nam het aantal afdelingen toe. Jarenlang was interne geneeskunde het enige medische specialisme. In 1808 werden de afdelingen Heelkunde en Verloskunde daaraan toegevoegd.

Er dreigde in 1817 een tyfusepidemie in Groningen. Omdat het Nosocomium Academicum vrijwel alleen patiënten opnam die van belang waren voor het medisch onderwijs, stichtte het stadsbestuur een stadshospitaal. Twee jaar later besloot het bestuur om van het noodziekenhuis een permanent ziekenhuis te maken. Het Stads Armen-Ziekenhuis werd gehuisvest in de Schuitemakersstraat en bood ruimte aan vijfentwintig tot dertig patiënten.

Het Academisch Ziekenhuis bleef in eerste instantie een onderwijsziekenhuis. In het Stadsarmenziekenhuis werden de zieken die geen plaats vonden in het Academisch Ziekenhuis verzorgd. In 1851 fuseerden beide ziekenhuizen tot het Algemeen Provinciaal, Stads- en Academisch Ziekenhuis (APSAZ). Het ziekenhuis in het West-Indisch Huis werd hiervoor verbouwd zodat het plaats bood aan 124 bedden.

Een belangrijke verandering bracht de fysioloog I. van Deen, die het zuiver medisch-wetenschappelijk onderzoek introduceerde. Misschien nog belangrijker was de komst van de Duitse hoogleraar klinische geneeskunde S.S. Rosenstein. Hij legde de basis voor de traditie van patiëntgericht onderzoek in de medische faculteit en het APSAZ.

Desondanks ging het niet goed met het APSAZ. De behuizing aan de Munnekeholm was niet alleen te klein - er waren 124 bedden - maar ook was de huisvesting slecht. Het verzorgend personeel was daarenboven ongemotiveerd en nauwelijks opgeleid. Pas aan het eind van de 19de eeuw kwam daarin enige verandering. C.F.A. Koch was toen de vernieuwende medicus. Mede door zijn inspanningen ontdeed het ziekenhuis zich van de kwade roep een armenziekenhuis te zijn. Ook onder de rijkere stadjers, die zich daarvoor liever thuis lieten verplegen, kreeg het APSAZ een steeds betere naam.

De medische wetenschap had zich inmiddels behoorlijk ontwikkeld. Hierdoor waren behandelingen vaak zo ingewikkeld dat ze niet langer bij mensen thuis konden plaatsvinden. Zo bleef de vraag de capaciteit overstijgen. Ook aan de inrichting van het ziekenhuis ontbrak het nodige. Er was een tekort aan instrumenten, aan kleding en de verpleegzalen waren overvol. Met het samengaan en de verbouwing waren de zorg en het onderwijs van het ziekenhuis nog steeds niet optimaal. Er was behoefte aan een groot nieuw ziekenhuis.

Na jarenlang denken besloot het Stadsbestuur in 1889 tot de bouw van het nieuwe ziekenhuis. Op de plaats waar eerder de vestingwallen van de stad stonden, aan de Oostersingel. Veertien jaar later, in 1903, opende het APSAZ zijn poort. De nieuwbouw bestond uit afzonderlijke paviljoens op een groot terrein. Ieder specialisme had zijn eigen kliniek: Heelkunde, Interne Geneeskunde, Verloskunde en Psychiatrie. Tussen de paviljoens lagen met zorg aangelegde tuinen. Het gebouwencomplex voldeed volledig aan de eisen van die tijd: licht, ruimte en hygiëne.

In de periode tot 1960 breidde het ziekenhuis zich sterk uit. Enkele coryfeeën, zoals H.J. Hamburger en K.F. Wenckebach waren aan het ziekenhuis verbonden.

Na 1930 groeide het APSAZ uit tot een van de grootste ziekenhuizen van Nederland. Niet alleen de medische vooruitgang speelde hierin een rol. De opleiding van de verpleegkundigen was aan het eind van de 19de eeuw van
de grond gekomen. Onder leiding van zuster C.F. Boeye en B. Bilgen werd in de loop van de 20ste eeuw de opleiding steeds verder geprofessionaliseerd.

Doordat het ziekenhuisterrein zo ruim was opgezet, kon het aantal dienstgebouwen in de loop van de tijd meegroeien met de zorgvraag en de ontwikkelingen in de medische wetenschap. Zo ontstonden er nieuwe specialismen die ieder een eigen kliniek op het terrein kregen. Enkele voorbeelden zijn Oogheelkunde in 1932 en de Kinderkliniek in 1941.

Het aantal opnames nam toe en de medische wetenschap maakte een bloeiperiode door. Een goed voorbeeld is de Thoraxchirurgie. In 1938 stond het specialisme nog in de kinderschoenen, maar in een korte periode ontwikkelde het zich tot een volwaardig specialisme binnen het APSAZ. Uiteindelijk resulteerde dit in de oprichting van het Hartcentrum ​​​Groningen in 1947. Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van de hart-longmachine. Artsen en instrumentmakers van het APSAZ ontwikkelden op een zolderkamer de hart-longmachine. Na tweeëneenhalf jaar ontwikkeling, werd in 1957 met succes de eerste openhartoperatie in Nederland met behulp van de hart-longmachine in Groningen verricht.

Door de vele nieuwbouwactiviteiten bleef er vrijwel niets over van de grote tuinen en de groenvoorzieningen. Ook door de groeiende behoefte aan parkeerplaatsen verdween het groen van het APSAZ-terrein.

Na 1960 kwamen er grote veranderingen. De medische wetenschap maakte grote vorderingen en ook nam de medische consumptie sterk toe. De economische groei en de opbouw van de verzorgingsstaat waren hiervoor medeverantwoordelijk. Dit stelde het ziekenhuis voor grote moeilijkheden. De behuizing van 1903 bleek ondanks alle uitbreidingen niet in staat de groei op te vangen.

Op 1 juli 1971 trad een nieuwe wet in werking, waardoor academische ziekenhuizen zelfstandig werden. In deze wet werd de officiële taakverdeling tussen rijksuniversiteiten en de academische ziekenhuizen vastgelegd: de universiteit was verantwoordelijk voor onderzoek en onderwijs en het ziekenhuis verschafte een werkplaatsfunctie voor deze taken.
Ook moest het ziekenhuis zich toeleggen op patiëntenzorg en ontwikkelingsgeneeskunde. Het Algemeen Provinciaal Stads- en Academisch Ziekenhuis werd daardoor een van de universiteit losstaande rechtspersoon met een nieuwe naam: Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG).

De toestand werd precair toen na de oliecrisis van 1973 bezuinigd moest worden. De plannen voor een nieuw ziekenhuis werden daardoor voorlopig in de ijskast gezet. Pas nadat vrijwel het gehele bestuur in 1980 was vernieuwd en een groot deel van de directie vervangen, kwam het ziekenhuis in rustiger vaarwater.

In 1983 werd begonnen met de nieuwbouw. Deze vond plaats op de oude locatie en niet zoals bij vrijwel alle andere ziekenhuizen aan de rand van de stad. In 1997 kon het nieuwbouwproces feestelijk worden afgesloten.

Tot in de jaren '70 was het APSAZ, dat in 1971 tot AZG werd omgedoopt, een groot algemeen ziekenhuis en tevens academisch ziekenhuis dat vrijwel alle medische specialismen in huis had. Na die jaren moesten keuzes gemaakt
worden. Onderzoeksrichtingen werden uitgekozen die bij de traditie van praktisch gericht medisch onderzoek en goede patiëntenzorg pasten. Dat gebeurde in overleg met de medische faculteit. Groningen ontwikkelde zich tot een belangrijk transplantatiecentrum en een centrum voor het onderzoek en de behandeling van chronisch zieken.

Het AZG en de medische faculteit hebben in de jaren '80 een mislukte integratiepoging ondernomen, maar nu lijkt het erop dat ziekenhuis en faculteit naar meer samenwerking streven. Een Universitair Medisch Centrum, zoals de meeste Nederlandse ziekenhuizen en medische faculteiten kenden, was in Groningen evenwel nog niet van de grond gekomen.

In de jaren zeventig kwam er een discussie op gang over een nieuw centraal ziekenhuiscomplex. Een onderdeel van die discussie was de plaats van het AZG. Andere ziekenhuizen werden aan de rand van de stad gebouwd, waar voldoende ruimte was. Maar het Groningse gemeentebestuur besloot anders. Het nieuwe ziekenhuis moest op dezelfde plek komen.

Er werden plannen gemaakt over hoe het ziekenhuis eruit moest gaan zien: een aantal losse gebouwen, met eigen ingangen en parkeerplaatsen. In de loop van de tijd veranderden de inzichten, waardoor er een nieuw concept kwam, met één ziekenhuis met één hoofdingang, één centrale receptie en overdekte binnenstraten. In 1997 werd de nieuwbouw van het AZG officieel geopend.

Universitair Medisch Centrum Groningen
Door de steeds grotere samenhang tussen academisch onderwijs, medisch wetenschappelijk onderzoek, patiëntenzorg en de opleiding tot medisch specialist was de samenvoeging van het AZG en de Faculteit der Medische Wetenschappen noodzakelijk. Noodzakelijk om met gezamenlijk beleid te kunnen investeren in de toekomst. De samenvoeging van de twee organisaties werd op 13 januari 2005 officieel bekrachtigd. Ook kreeg de nieuwe organisatie een nieuwe naam: Universitair Medisch Centrum Groningen.​


Pageviews vandaag: 7.