Lexicon Kunstbus Groningen

Dit artikel is 10-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Abel Eppens

Abel Eppens (tho Equart) (1534 Eekwerd - ca. 1590 Oost-Friesland?) was een eigenerfde boer en kroniekschrijver geboren te Eekwerd, een gehucht bij Wirdum in Fivelgo, waar het landgoed Bolhuis stond, zijn geboortehuis. Vandaar dat hij gewoonlijk Abel Eppens tho Equart genoemd wordt. Hij was een ijveraar voor de Hervorming, moest in 1580 naar Emden vluchten. Daar schreef hij zijn uitvoerige (protestantse) Kroniek van Groningerland, die loopt van 1557- '89.

Eppens werd op Bolhuis te Eekwerd geboren als zoon van Eppo Aepens (tho Equart) en Eeke Tammen. Toen hij twaalf jaar was overleden zijn vader en diens derde vrouw aan de pest. Hij bleef als wees achter, samen met een zus en twee halfzusjes. Na de dood van zijn vader woonde hij twee jaar in Farmsum. Daarna stuurden zijn voogden en zijn grootvader van moederskant hem naar de stad Groningen om daar het onderwijs te volgen.

Eppens ging acht jaar lang naar de St.-Maartensschool in Groningen in de tijd van Regnerus Praedinius en ging daarna op aanraden van de rector Gerlacus Verrucius op studiereis - een peregrinatio academica - langs Leuven (1555), Keulen (1557) en vandaar naar Wittenberg waar hij tot 1560 leerling was van Philipp Melanchthon. Na diens overlijden in 1560 keerde hij via Hamburg terug naar zijn vaderland.

Hij vestigde zich in 1560 op Enzelens bij Loppersum en later weer op het Bolhuis. In 1562 trouwde hij de niet onbemiddelde Frouwke Louwens, dochter van Louwe Havicks en Etgijn Elema. In 1569 werd hij genoemd als wedman, gerechtsdienaar, te Wirdum. In 1580 was hij proviandmeester van de Staten.

De hoofdinhoud van zijn Kroniek is de geschiedenis van Stad en Lande en van Oost-Friesland van 1580-'89, tot in bijzonderheden beschreven.

Eppens schreef zijn grote boek voor zijn kinderen.

Buitengewoon merkwaardig is, dat Abel Eppens reeds in 1584 voorstelde, een afzonderlijk waterschap te maken van de lage landen bezuiden het Damsterdiep. Hij wilde die landen afscheiden van het Noordelijke kleigebied van Fivelgo en zijn voorstel was een nieuwe uitwatering te Oterdum of te Farmsum. Eppens is dus de eerste man van 't waterschap Duurswold.

Hij is ook de eerste man geweest van 't Eemskanaal; hij stelde namelijk tevens voor, een kanaal te graven voor de handel van de Stad en voor de afwatering, te beginnen bij Noorderhogebrug.

Hij schreef toen al, dat er voor de Stad geen veiliger en geen nadere weg mogelijk was dan die naar de Eems.

En hij wilde het Schildmeer tot een veilige ligplaats maken voor de zeeschepen in tijd van oorlog.

Tijdens zijn studiejaren had hij al een afkeer gekregen van het katholicisme. Hij stond dan ook aan de kant van de opstandelingen in Stad en Lande. na het 'verraad' van Rennenberg moest hij naar Emden vluchten. Hij was in Emden "gedeputeerde van de gebannen Ommelanders". Hij schreef tijdens zijn ballingschap in Emden De kroniek van Abel Eppens tho Equart. Zijn kroniek is van belang voor de geschiedschrijving van Groningen en Oost-Friesland omdat het een ooggetuigenverslag is van een Ommelander boer van de gebeurtenissen uit zijn tijd. De kroniek berust in het Groninger Archief te Groningen.

Het is niet duidelijk wanneer Eppens precies is overleden. Zijn kroniek eindigde plotseling in 1589. In een brief uit 1590 werd hij aangeduid als "Abel Eppens saliger".

Eppens bepaalde zich niet uitsluitend tot Groningen. Zo is het ook heel bijzonder, dat men bij hem in 1587 het eerst melding vindt van de grote wonderdoener Dr Faust (II 477). Het eerste (Duitse) boek over Faust verscheen in 't zelfde jaar.

Zijn zoon ABELI AB EQUART ging mee in ballingschap naar Oost-Friesland, werd in 1595 predikant te Loppersum; overleden 1611.

Eppens had acht kinderen, waaronder de predikanten Leo Abels en Sicco Abels en de kerkvoogd en landdagcomparant Popko Abels. Sommige nazaten van Eppens kregen bestuurlijke en juridische functies in zowel de Ommelanden als in de stad Groningen. De rechter en rekenmeester Abel Eppens van Bolhuis was een kleinzoon van hem.

'Van Godt worde nichtes geleert'

Vroeger bestond identiteit niet als nu. De zestiende-eeuwse kroniekschrijver Abel Eppens was protestants, Fries, boer. Of beter: geen paap, geen Spanjool, geen burger. Want identiteit is vooral wat je nĂ­et bent.
Chris van der Heijden
13 juli 2016 - verschenen in nr. 28_29 van De Groene Amsterdammer
Zie het volledige artikel op https://www.groene.nl/artikel/van-godt-worde-nichtes-geleert
Op het eerste gezicht was Abel Eppens in elke zin anders dan u en ik. Hij was boer en diep gelovig. Hij leefde op het ritme van de seizoenen. Hij sprak en schreef een taal die wij niet of nauwelijks verstaan. Zijn horizon was zo klein dat het voor ons nauwelijks voorstelbaar is. Hij kleedde zich anders, at anders, dacht anders, deed anders. Kortom, Abel Eppens is een vreemdeling. Tussen hem en ons staat een muur, ondoordringbaar, onoverkomelijk.

Tegelijkertijd is Eppens een landgenoot, weliswaar van lang geleden maar toch. Ook deelt hij met ons een aantal eigenschappen, waaronder fysieke en psychische kenmerken plus het vermogen tot communicatie. Wat betreft dit laatste liet hij over zijn eigen tijd een geschrift na van, in druk, zo'n dertienhonderd pagina's. De tekst is niet eenvoudig te lezen, maar met enige moeite kun je alles wat Eppens schrijft begrijpen. Wellicht is de muur tussen Eppens en ons een glaswand.

Abel Eppens tho Equart komt ter wereld rond Palmzondag van het jaar 1534 op de boerenhofstede Bolhuis op de terp Eekwerd (vandaar dat tho Equart), een gehucht in de noordoosthoek van de provincie Groningen, ergens tussen Loppersum en Delfzijl. Als hij twaalf is sterven zijn vader en diens derde vrouw aan de pest en blijven Eppens, een zusje en twee halfzusters alleen over. Huis en goederen worden verkocht (veel te goedkoop, schrijft Eppens) en de kinderen worden naar het ruim tien kilometer verder gelegen Farmsum, aan de Eems, onder Delfzijl, gebracht. Eppens blijft daar kort en wordt in 1547 door zijn voogden en grootvader naar Groningen gestuurd waar hij school gaat bij de in de verre omtrek beroemde Reinier Veldman, beter bekend als Regnerus Praedinius. Praedinius was een humanist uit de school van Erasmus en dus niet alleen goed onderlegd in de klassieken maar ook zeer kritisch over de katholieke kerk, zij het dat hij, net als Erasmus, deze kerk nooit vaarwel zei. Wellicht is Eppens in Groningen ook nog school gegaan bij Gerlacus Verrutius oftewel Gerlach Verrooten, directeur van een andere beroemde Groningse school en net als Praedinius zowel humanist als kritisch katholiek. In elk geval kenden student en docent elkaar. Eppens woonde een tijdlang bij Verrootens ouders.

Zoals destijds gebruikelijk maakte Eppens na zijn Groningse studietijd een zogenoemde peregrinatio academica, een academische pelgrimstocht. In zijn geval ging die achtereenvolgens naar Leuven, Keulen en Wittenberg. In laatstgenoemde stad volgde hij colleges van Philipp Melanchthon, de grote lutherse onderwijsman die nog tijdens zijn leven de eretitel Praeceptor Germaniae, Leraar van Duitsland, kreeg. Met irritatie had hij eerder in Leuven college gelopen. De theologen aldaar zou hij later niets minder dan 'verdarvers van regementen' (levenswijzen) noemen. 'Gij solde nene toganck hebben tot der konigen oeren', we zouden jullie ver moeten houden van allen die het voor het zeggen hebben. Met de Leuvense theologen opent Eppens ook zijn kroniek. Sprekend over de 'orspronck und orsake der Nederlandtsche oorlogen' noemt hij in de eerste plaats hun oproep tot kettervervolging.

Gezien zijn vorming en ervaring zal het niet verbazen dat Eppens spoedig een vurig aanhanger van het protestantisme en dus een fel bestrijder van het katholicisme en de Spanjaarden werd. Wanneer deze overgang zich precies voltrok, weten we niet. Wat we weten is dat hij in 1560, 26 jaar jong, terugkeerde naar zijn geboortestreek, een goede partij trouwde en spoedig tot de Ommelandse prominenten behoorde. Eppens was een zogenoemde 'eigenerfde boer', dat wil zeggen een boer die onafhankelijk was en eigen grond bezat. De grens tussen zo'n boer en een edelman kon klein zijn en veel eigenerfde boeren stonden dan ook niet zelf in de grond te klauwen, maar lieten dat over aan pachters terwijl zij zich bezighielden met zakendoen, politiek, rechtspraak, studie en vertier. Dit geldt op z'n minst gedeeltelijk ook voor Eppens.

In 1569 wordt hij in een document wedman van Wirdum genoemd, gerechtsdienaar. Ruim tien jaar later begint hij aan zijn grote project Der vresen chronicon, De Friese kroniek - de reden ook dat hij in tegenstelling tot 99,9 procent van zijn tijdgenoten meer is dan een naam. Deze tekst, in 1911 gepubliceerd in twee dikke boeken en in manuscript meer dan vijfhonderd dubbel beschreven foliobladen, bestaat uit drie delen. Die delen gaan respectievelijk over de achtergronden van de opstand tegen de Spanjaarden, de geschiedenis van de Ommelanden als onderdeel van de Bourgondisch-Habsburgse landen en, verreweg het langste deel, de opstand zelf, beginnend in 1566 en eindigend op het moment dat Eppens om redenen van ziekte of dood de pen neerlegt (1589).
Zie het volledige artikel op https://www.groene.nl/artikel/van-godt-worde-nichtes-geleert

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Eerste pageview van vandaag: 1